interview

‘Ik heb nog niet lang grip op mijn faalangst’

©Karoly Effenberger

Ze hoopte op inzichten, maar de lockdown was vooral overleven. ‘Kunst is traag’, zegt Ann Demeester en ze vermoedt dat de inspiratie door corona pas later in haar Frans Hals Museum opduikt. Misschien is ze er dan al niet meer. Misschien organiseert ze dan de Biënnale van Scheldewindeke.

We zouden wandelen in Balegem, een dorp van jenever en een deeltje van Oosterzele. Maar onderweg zien we Noordeloos, het Rottepolderplein en Cannabiscafé. Meeuwen vliegen over. Haar hoge hakken op de plaveitjes echoën in oude smalle straatjes waar ze nog altijd verdwaalt. Alleen dat laatste zou ze ook in Balegem doen (‘na al die jaren verdwaal ik zelfs nog in Amsterdam’), maar dit is dus Haarlem. ‘Sorry’, zegt Ann Demeester. Haar zoontje werd ziek en toen viel hij ook nog van de trampoline. Daarom keerden ze na een familiebezoek sneller terug naar huis en dat is in Nederland.

Ann Demeester (45)

Ann Demeester werd geboren in Brugge en studeerde Germaanse filologie. Na haar studies ging ze aan de slag op de cultuurredactie van De Morgen en later bij De Financieel-Economische Tijd. Haar krantenverhalen vielen Jan Hoet op en hij vroeg haar aan zijn zijde te werken in het SMAK in Gent. Met Hoet trok ze ook naar MARTa, het museum in het Duitse Herford. In 2006 werd ze directeur van het Amsterdamse kunstencentrum De Appel en in 2014 van het Frans Hals Museum in Haarlem. Ze verschijnt regelmatig op de Nederlandse tv als stem in het cultuurdebat, en sinds kort is ze ook bijzonder hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Nijmegen. Ze is getrouwd en heeft twee kinderen.

Sorry? Zonder Haarlem geen Harlem en dus geen James Baldwin, Al Pacino of Bud Powell. Geen Harlem Shuffle, Angel of Harlem en Harlem Blues. Geen Spanish Harlem. Overdreven? Zonder dit Haarlem zeker geen Harry Mulisch en Brigitte Kaandorp. Het Spaarne stroomt er nog altijd. Boudewijn de Groot, die erover zong, woonde er. Frans Hals was maar een van de schilders. Sorry Balegem dus. We komen een andere keer, promis.
De laatste sorry spreekt Ann Demeester zelf uit. ‘Ik ben helemaal in het zwart gekleed en dat doe ik normaal nooit’, zegt ze. ‘Iedereen in de kunstwereld draagt altijd maar zwart, aan dat cliché wil ik niet meedoen. Maar deze morgen moest ik in de rechtbank zijn en ik wilde niet dat de tegenpartij dacht: ‘Jaja, die gekke vrouw uit de kunstwereld.’ Dus koos ik uitzonderlijk voor het neutrale zwart. Weliswaar met mijn gekleurde pumps.’
Het is dinsdagavond en de zomer lijkt al voorbij. Dat wordt regen en het glas water dat ze bij haar droge rosé heeft besteld op het terras van café Brinkman raakt zo nooit leeg. Het plenst maar bij.
De tegenpartij in de rechtbank waren de advocaten van Mino Raiola, de in Nederland bekendste en rijkste voetbalmakelaar maar ook de eigenaar van de benedenverdieping van de oude Verweyhal op deze markt. Zijn etage, met reclame voor Crème Fresh, staat leeg. Erboven huist een deel van het Frans Hals Museum - de gemeente Haarlem bezit het vastgoed - en al jaren liggen beide eigenaars van het pand met elkaar in de clinch. Sinds Ann Demeester in 2014 directeur van het Frans Hals Museum werd, heeft ze niet anders geweten.
Bijna automatisch vraag je naar waar iedereen over praat. Veel kans dat dit het clichématig openingsvraagje van 2020 wordt: hoe was die lockdown voor jou? ‘Heel paradoxaal en schizofreen’, zegt ze. ‘Terwijl het voor veel mensen een tijd van lethargie was, was het er voor mij een van extreem crisismanagement met elke week een ander scenario. Ik voelde me een hamstertje in een rad. Het uitzonderlijke was dat niemand dit ooit had meegemaakt. Corona was een collectieve ontmaagding met alleen maar hypotheses.’

Was het inspirerend?

Ann Demeester: ‘Nou, ik hoopte op inzichten, maar helaas. Misschien kan dat niet in zo’n permanente rollercoaster waarin je zestien keer overkop gaat. Van thuis uit werken was fijn. Het was allemaal fluïder en de kinderen moesten niet naar het voetbal of het paardrijden worden gebracht. De extra rust voelde weldadig aan. Mijn man en ik zijn zo nieuwsgierig dat we het hele weekend, vanuit een soort fomo voor veertigers, altijd volstouwen. Dat kon nu niet.’

Ik wou dat we meer geprofiteerd hadden van dat moment dat niemand ooit nog zal meemaken. Waarom gaf ik de sleutel van het museum niet aan een kunstenaar die er twee weken mocht wonen?

Ook het Frans Hals Museum viel stil en niemand kwam. Geen bezoekers, geen kunstenaars.

Demeester: ‘Het Financieele Dagblad vroeg me een essay te schrijven over wat corona voor de kunst betekent (dat verschijnt vandaag, red.). Sinds de Tweede Wereldoorlog waren musea nooit collectief onbereikbaar. Toen werden ze geëvacueerd, nu waren ze spookhuizen vol kunst. Vandaag denk ik: wat hadden we er kunnen mee doen? Waarom gaf ik de sleutel niet aan een kunstenaar die er twee weken mocht wonen? De eerste reactie, toen de ground beneath our feet wegzakte, was: hoe overleven we? Nu zou ik willen dat we meer geprofiteerd hadden van dat moment dat niemand ooit nog zal meemaken.’

En de kunstenaars zelf?

Demeester: ‘Als dieren bedreigd worden, is er altijd een moment van twijfel: fight, freeze or flight. Mijn indruk is dat veel kunstenaars en makers, maar ook curatoren en musea, eerst in freeze gaan en tijdelijk fossiliseren. Dat is een normale menselijke reactie. Misschien komt het hierna wel. Ik herlas ‘De onzichtbare verzameling’ van Stefan Zweig en ‘Le Musée imaginaire’ van André Malraux, maar dat is een abstract hersenspinsel. Waarom kwam er geen creatieve ontploffing? Ook bij mezelf hé. Ik vind het superfrustrerend. Misschien is kunst traag. Ze heeft een andere versnelling. Dat nu al boeken over corona verschijnen, vind ik raar. Goede kunst heeft een decalage nodig. Wat nu gemaakt wordt, is toeval of een accident de parcours. Ottessa Moshfeghs boek ‘Mijn jaar van rust en kalmte’ of ‘On Trying to Keep Still’ van Jenny Diski werden voor mij nog veel relevanter. Creativiteit kan komen uit onvermogen en door stil te zitten.’

Voor een museum dat vorig jaar 350.000 euro tekortkwam, is zo’n lockdown een ramp.

Demeester: ‘We zijn de anorexiapatiënt die net aan het herstellen was en die nu niet kan revalideren. Voordien hadden we al een parcours afgelegd met de gemeente Haarlem. Daar begon het besef te ontstaan dat wij, in vergelijking met andere musea, te weinig subsidie kregen. Die diagnose was door een externe dokter, een adviesbureau, gesteld. We presteerden extreem veel met weinig geld. Het was geen anorexia, het was uithongering. Biafra. De paradox is dat we een soort resistentie opbouwden en dat uit twee crisissen misschien wel een oplossing komt.’

‘Nederland trekt niet de portefeuille open zoals Angela Merkel, maar met 300 miljoen euro steun voor cultuur doet het wel meer dan België. Hier werken 43 mensen, corona maakt het tekort 750.000 euro groter, maar nu zelfs grote instituten als het Rijksmuseum in de problemen zitten, biedt deze crisis besef en kansen. Wij zijn niet alleen een museum van deze stad, maar ook voor het land en voor de rest van de wereld. Voor corona voelde ik me soms als Don Quichote. Wil ik dit nog wel, dacht ik? Nu denk ik: ja! Er is altijd storm op deze zee, maar zelfs als het schip zou zinken, zou ik het niet verlaten. Dat is niet louter plichtsbesef, ik ben gewoon niet klaar.’

Wie dit leest als een kreet voor alleen maar cultuurgeld, heeft het fout. ‘In Nederland museumland zien we cultuur als een onderdeel van het streven naar een betere samenleving. Door corona staan we verder van onze missie af, want we mogen maar een beperkt aantal mensen binnenlaten en wie nu komt, is het ons bekende wat elitaire publiek. Ondertussen heb je Black Lives Matter, er is boerenprotest, noem maar op. Musea willen dat maatschappelijk debat een plaats geven, maar dat kan door die maatregelen niet. Terwijl het meer dan ooit nodig is. Dat is jammer. Bovendien is het fijn dat geld wordt vrijgemaakt, maar de zorgverleners en de mensen in het onderwijs krijgen niet meer loon. Verdenk ons er niet van dat wij alleen maar gered willen worden en dat het ons niets uitmaakt dat de rest van de wereld omvalt.’

Woorden zijn graag bij haar, en als ze die niet zelf uitspreekt, dan doen haar accessoires dat wel. Op de revers van haar jas een broche met ‘BABY’. Op de ene totebag ‘Belgian’. Op de andere ‘Please don’t stand so close to me.’ Anderhalve meter. In een van die zakken zitten haar wandelschoenen en in het toilet van Brinkman, waar de lippen nog wat bijgestift worden met rouge, wisselt ze haar kunstzinnige hakken ervoor. Zomerwandeling 2 wordt een stadswandeling en een museumdirecteur met een omgeslagen enkel is ook niets.
‘Die ‘Belgian’ komt van toen Dirk Braeckman in het paviljoen op de Biënnale van Venetië tentoonstelde. Dat wordt altijd ingevuld vanuit de Vlaamse of Franstalige Gemeenschap, dit was dus gepaste ironie van Dirk. En in Haarlem nog relevant. Dit is van oorsprong een heel Vlaamse stad. In de 17de eeuw was er een massale toevloed van migranten. Ik dacht altijd dat die van Antwerpen kwamen. Maar het bleken vooral West-Vlamingen te zijn. Toen het in Poperinge slecht ging met textiel, vlas en linnen, kwamen veel mensen naar hier. Gisteren las ik dat men verwacht dat Nederland in 2050 tot 50 procent bevolkt wordt met mensen met een migratieachtergrond. Wel, in 1633 was dat in Haarlem al 55 procent. Allemaal uit Vlaanderen. De toekomstige realiteit was hier toen al aan de orde.’

Dat zie je meteen, zegt ze terwijl we op stap gaan. Het Frans Hals Museum betrekt op de Grote Markt een pand (naast de Verweyhal, gedeeld met Mino Raiola) dat de Hal heet en dat zonet om 17 uur werd gesloten met houten planken voor de ramen. ‘Zie je de Vleeshal ernaast? Die werd in de 17de eeuw door Lieven de Key ontworpen. Een Gentenaar. Quirijn Damast was de eerste migrant die aan het stadsbestuur van Haarlem deelnam. Hij kwam uit Kortrijk. Onze Frans Hals werd ergens tussen Antwerpen en Mechelen geboren.’
‘Hollands glorie werd echt niet alleen op koloniaal vermogen gebouwd, maar ook op migratie. We zien de rol van migratie vaak als klein, maar dat is ze helemaal niet. Misschien heb ik een vertekend beeld omdat onze collectie vol zit met sporen ervan. Maar als je naar de feiten kijkt, kun je niet over een pure Hollandse of Nederlandse identiteit spreken. Dat weet Thierry Baudet, die uit Haarlem komt, maar al te goed. Naar welke tijd zou hij willen terugkeren? Naar het paleolithicum? Die zuivere identiteit waar hij van spreekt, kan hij alleen door een genocide realiseren.’

We trekken een streep tussen het standbeeld van Laurens Janszoon Coster en de Sint Bavobasiliek. Daar vertrekt de Langs Vlaamse Wegen-wandeling. De straatjes heten nu Riviervismarkt, Klokhuisplein, Damstraat, Nieuwe Appelaarsteeg. We passeren het Teylers Museum. We komen aan het Spaarne, een onzijdige rivier, bekend van dat eenvoudige lied dat Boudewijn de Groot schreef met zijn betreurde Haarlemse tekstkompaan Lennaert Nijgh. Douche Gravestenenbrug staat op de ophaalbrug. Past bij deze regendouche.

Ze woont niet hier en dat is bewust. ‘Ik groeide op in Vlissegem, De Haan en Brugge en dit lijkt te veel op waar ik van weg wilde. Ik vind Haarlem wonderschoon en ben dienstbaar aan de stad, maar in de supermarkt wil ik niet altijd de directeur van het Frans Hals Museum zijn. Jan Hoet leerde me dat contact belangrijk is, maar het hoeft niet als ik brood ga halen. Ik vind Amsterdam al te braaf en te dorps.’
Daar komt een anekdote van. ‘We waren in Brussel toen mijn zoon vroeg: ‘Is hier oorlog geweest? Het is hier zo vuil.’ Hij is tien en oude kapotte gebouwen kent hij niet. Nederland is helemaal opgekuist en zelfs Amsterdam is van de Bijlmer tot de Wallen aangeharkt. Herford (
waar ze woonde toen ze er met Jan Hoet het MARTa-museum leidde, red.) vond ik saai en ik was er eenzaam. Toen ik naar Amsterdam kon, dacht ik: ‘Wow, Amsterdam!’ Tot ik er woonde en merkte dat alle cafés om 1 uur ’s nachts sloten. Mijn beeld van Amsterdam dateert van de jaren 80. Nu is er te weinig feest. Al het wilde is weg.’

Ze gidst goed in de stad. Daar de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. ‘Word je alleen lid van als je gecoöpteerd wordt en, ja, ik ben het.’ Daar rederijkerskamer Trou Moet Blycken. ‘Dat gebouw wordt enkel daarvoor gebruikt en alleen mannen worden er toegelaten. Een paar jaar geleden nodigden ze per uitzondering twee vrouwen uit. Marjan Scharloo van Teylers Museum en ik. Maar even voordien brak er brand uit, waardoor het niet doorging. (
lacht) Alsof het echt niet mocht zijn, met vrouwen.’ Eén keer werd ze uitgenodigd in het Teylers Genootschap, waar tijdens het roken van een pijp en het eten van wat oud-Hollandse snacks prenten van Michelangelo werden doorgegeven. ‘Dat zijn betoverende avonden, geweldig, maar ook redelijk niet van deze tijd.’ Wel van deze tijd zijn de zogenaamde hofjes. Meer dan twintig zijn er nog, kleine huisjes uit de 17de eeuw waar vrouwen mogen wonen die hulp behoeven. Pure liefdadigheid. Het Hofje van Bakenes, waar we passeren, is het oudste. De Bakenessergracht is ondanks de regen prachtig.

We wandelen door 400 jaar geleden. ‘Haarlem is een soort Madurodam. Je loopt hier door de 17de eeuw.’ Maar ook door nu, want in de Lange Begijnestraat blinkt ’t Poortje in gekrulde neonletters. ‘Een bordeel. Je hebt er nog enkele in de binnenstad.’ Een bijzondere plek is het, ook omdat net ernaast de Waalse Kerk staat. Een protestantse kerk waar nog elke twee weken een ‘dienst in de Franse taal’ is. ‘Nous vous souhaitons une cordiale bienvenue.’ Hier kan voor het zingen de kerk uitgaan bijzonder worden.
De binnenstad, zo oud, werd vaak geschilderd maar niet alles werd bewaard. ‘Johannes Torrentius werkte hier. Men zegt dat hij een vrijmetselaar was en hij belandde in de bak vanwege grensoverschrijdend gedrag. Slechts één schilderij van hem werd bewaard en dat hangt in het Rijksmuseum. Ook van Geertgen tot Sint Jans hebben we niets. Dat is jammer, maar er is niets op de markt. Het zou ook onbetaalbaar zijn.’

Het Frans Hals Museum telt een oude collectie en een hedendaagse. Met twee locaties. Zij mengde de twee collecties en in een boekje in de reeks Director’s Choice dat zij schreef, zie je dat. Frans Hals opent, dan zie je werk van de fotografe Rineke Dijkstra, via Jan van Scorel en Mondriaan blader je naar Jan Brueghel en een videoperformance van Alexandra Bachzetsis. Dat is de onmiskenbaar de stempel van Ann Demeester.

Hoe goed kent u Frans Hals ondertussen?

Demeester: ‘Ik vind hem interessanter dan Rembrandt, maar hij is een groot mysterie. We weten niet eens wanneer en waar hij precies geboren is. Hij had een roedel kinderen en ooit had hij een schuld uitstaan bij de bakker. Voor de rest is het één moeras. Er is geen brief, geen schets, geen opdrachtverstrekking. Niets. Er bestaat zelfs maar één zelfportret en daar bestaat discussie over. Hij zou een bohemien geweest zijn, een drinkebroer. In de 18de eeuw werd verteld dat hij iedere avond ladderzat was en dat hij, toen zijn leerlingen zijn bed optilden, dacht dat hij ten hemel werd opgenomen. Is dat waar? Geen idee. Daarom intrigeert hij me zo.’

‘Hij moet psychologisch inzicht gehad hebben en over röntgenogen beschikt hebben. Hij had connectie met zijn modellen. Vandaag wordt zijn schildertoets modern genoemd, flamboyant, maar avontuurlijk was hij niet. Hij schilderde enkel portretten. Hij was een onetrickpony.’

En een migrant.

Demeester: ‘Dat is mijn ideologische boodschap: besef dat iemand die je beschouwt als een van je grootste meesters een migrant was. Is dat politiek? Het is vooral waar. Ook in de 17de eeuw werden ze trouwens niet klakkeloos geaccepteerd. Frans Hals was een anderhalve migrant. Gekomen als kleuter, opgegroeid in Nederland, maar er was nog altijd een intuïtieve connectie met zijn geboorteland. Geschiedenis is geen verhaal van raciale zuiverheid. Het is multicultureel, multi-etnisch en gebouwd op migratie. Wie anders beweert, baseert zich op een geschiedenis die niet bestaat.’

Leopold II was het symbool van nationale uitbuiting. Dan kun je die beelden van hem niet zomaar buiten laten staan. Haal ze binnen in musea en geef context. Dat kan niet op de markt. Ann Demeester
Directeur Frans Hals Museum

U sprak daarnet over jullie maatschappelijke functie. Wat moeten we doen met de beelden van Leopold II?

Demeester: ‘Met mijn opa, die nog altijd leeft, heb ik daar veel over gediscussieerd. Hij woonde en werkte in Bukavu, maar zei: dat was post-Leopold. Ik vond dat hij een onderdeel was van een systeem, ook al hakten ze toen de mensen hun hoofd niet af. Het gaat niet over schuld van individuen, wel over een systeem. Leopold II was het symbool van nationale uitbuiting en dus kun je die beelden van hem niet zomaar buiten laten staan. Je hoeft ze niet te vernietigen. Haal ze binnen in musea en geef context. Dat kan niet op de markt.’

Werd ‘Gangreen 1’ van Jef Geeraerts daarom terecht uit de canon verwijderd?

Demeester: ‘Het boek wordt niet verboden, hé. Een canon muteert. Het is niet omdat een boek eruit moet, dat het verdwijnt. Frans Hals ging een paar keer in en uit de canon. In de 18de eeuw werd hij verguisd, men vond hem maar een kladschilder. Te ruw. In de 19de eeuw werd hij dan weer waanzinnig populair toen mensen als Van Gogh, Monet en Courbet hem briljant noemden. De canon heeft geen neutrale eeuwigheidswaarde. Misschien is dat boek van Jef Geeraerts nu niet relevant, maar het kan altijd terugkomen.’

Zelf is Demeester ‘van bij ons’. In de korte biografie bij dit verhaal staat het parcours van haar leven en werk. Daar zit variatie, energie en misschien zelfs ambitie in. Vooral geen planning, zegt ze. ‘Toen ik 12 was, wist ik niet wat ik wilde doen. Ik wist alleen wat ik niét wilde: ik wilde niet voor het Gemeentekrediet in De Haan gaan werken. (lacht) Niet dat dat verwacht werd. Mijn ouders waren allebei belastingambtenaren, mijn ene opa had in Congo gewerkt en de andere was een kolenhandelaar.’
‘In het eerste leerjaar had ik veel moeite met lezen, maar toen ik het kon, werd het een obsessie. Ik las alles. In de bib van De Haan gaf de broer van Willy Courteaux (de oud-Humo-journalist en Shakespeare-vertaler, red.) me, toen ik 11 was en de hele jeugdsectie had gelezen, ‘Eline Vere’, ‘Madame Bovary’ en ‘Anna Karenina’. Veel begreep ik niet, maar wie weet wat ik had gelezen als hij me dat niet had aangereikt? Ik wilde uiteindelijk iets met lezen doen, maar ik besefte dat in een bibliotheek werken niet betekende dat je zelf veel kon lezen én dat ik geen schrijver ben.’

Ze werd journalist. Eerst bij De Morgen, dan bij De Financieel-Economische Tijd. Jawel, deze krant. Natuurlijk niet toen ze twaalf was. Eerst speelde ze als kind nog mee in amateurstukken van het toneelgezelschap De Troubadours in Stene. Het ‘Gezin van Paemel’ en zo. Naast haar tante Rachel in De Haan woonde een Hongaarse schilderes die zeemeerminnen schilderde. Dat fascineerde. ‘Later, op vakantie in Frankrijk, verveelde ik me te pletter. Ik haatte het strand en zat in een new-waveperiode. Ik wilde dus bleek zien en niet zonnen. Mijn toenmalige stiefvader stuurde me naar een museum vol werk van Matisse. Daar alleen zijn met die kunst was een geweldige ontdekking. Ik besefte: er is iets anders, een grote wereld die ik niet ken.’

Daarvoor moest u naar Frankrijk op vakantie.

Demeester: ‘Weet je dat ik al in Nederland werkte toen ik voor het eerst naar het Permekemuseum ging? In Jabbeke! Dat was op fietsafstand van waar ik als kind woonde. Op het college in Oostende was de directeur trots dat Ensor daar ook had gezeten. Hij was er wel van school gegooid, maar goed. In zijn kantoor hing een etsje van Ensor. Maar misschien was het niet echt.’

We moeten het toch vragen: hoe belangrijk was uw periode bij onze krant?

Demeester: ‘Ik voel me een oud wijf als ik het zeg, maar bij De Morgen mocht ik dubbele pagina’s volschrijven over Rothko en met interviews met Jan Fabre en Ilja Kabakov. Toen vroeg Marc Ruyters (toen cultuurjournalist bij De Tijd, red.) me. Hij zei: ‘Bij ons mag je nog langere stukken schrijven én je wordt beter betaald.’ Interviews met Salman Rushdie en Orhan Pamuk deed ik, ik vond dat zelf ongelooflijk. Op school had ik een enorme faalangst en plots lieten ze me zomaar doen.’

‘Ik was altijd heel ongeduldig, maar ook heel dankbaar. Soms is iets puur toeval, maar je hebt mensen nodig die je kansen geven. Toen Jan Hoet me belde om voor hem te werken, bleek ik het aan de andere kant van die schutting nog boeiender te vinden. Je kan meedoen, al ben je zelf geen kunstenaar. Ik kan niet eens tekenen. Maar je mag de reisgenoot zijn of de vroedvrouw. Je mag verhalen maken. Dat is nog spannender dan erover schrijven.’
‘Kort nadien werd Jan gevraagd in de jury van de Furlaz-prijs in Venetië te zetelen. Hij kon niet en zei: ‘Mijn assistent komt.’ Dat was ik. Voor die organisatie moet dat verschrikkelijk geweest zijn. Je vraagt een beroemdheid als Hoet en je krijgt zijn onbekende jonge assistente. Daar zat ik dan met Marta Kuzma, Chiara Bertola en Joseph Kosuth. Joseph zei: ‘Maybe Ann can just agree with me.’ Maar Marta zei: ‘Joseph, don’t be such a sexist.’

Die faalangst lijkt helemaal verdwenen.

Demeester: ‘Pas op, nog niet zo lang, hoor. Toen ik hier een jaar directeur was, wat ik heel spannend vond, en ik dat gemengd museum realiseerde, had ik het gevoel dat ik er grip op had. Dat is niet fake, dat gaf vertrouwen. Maar het blijft gek. In Nederland word ik, omdat ik wat anders praat misschien, beschouwd als een intellectueel. In het begin kampte ik zeker met het impostor syndrome, maar een intellectueel vind ik me nog altijd niet.’

Ik las dat uw vader u afraadde kunstgeschiedenis te studeren. Hoe kijken uw ouders vandaag naar waar u staat?

Demeester: ‘Ik ben nog altijd redelijk terughoudend om te vertellen wat ik allemaal doe. Toen ik gevraagd werd bijzonder hoogleraar kunstgeschiedenis te worden aan de Universiteit van Nijmegen dacht ik: shit, ik moet hen dat vertellen. Maar hoe? Ik heb niet eens kunstgeschiedenis gestudeerd. Dus wilde ik ze uitnodigen voor de oratie, maar die kwam er niet door corona. Ik stelde het maar uit en het werd een steeds groter issue. Dat ligt aan mij, niet aan hen. Tussen neus en lippen heb ik het dan toch maar gezegd. Ik weet zeker dat ze trots zijn en dat ze niet denken: ‘Was ze ook maar belastingambtenaar geworden’.’

Ik voel de erfenis en stem van Jan Hoet. Kunst zingt zich gemakkelijk los van de maatschappij, maar daarmee help je de kunst niet. Van Jan heb ik geleerd dat verbaal conflict heel productief kan zijn. Ann Demeester

Toen Jan Hoet in 2014 stierf, schreef u: ‘Kom spoken’. Het is bekend dat hij een grote rol speelde in uw carrière. Maar heeft hij al gespookt?

Demeester: ‘Op twee niveaus. Eerst het negatieve: van Jan heb ik niéts geleerd over directeur zijn. Zou ik het doen zoals hij, dan was ik al lang ontslagen. Jan was een verlichte dictator, die geen overleg wilde en wel conflict. In het SMAK hadden we nooit teamvergaderingen. Maar ik heb ook veel van hem geleerd. Over mezelf en zijn niet aflatende drive om te communiceren over kunst. Ik wist niet dat ik dat in mij had. Ik voel zijn erfenis en stem. Kunst zingt zich gemakkelijk los van de maatschappij, maar daarmee help je de kunst niet. Van Jan heb ik geleerd dat verbaal conflict heel productief kan zijn.’

Wat koestert u van hem?

Demeester: ‘Zijn doodsprentje met zijn portret door Marlene Dumas. Met Jan kon je enkel een intense relatie hebben. Hij kon ook gemeen zijn. Hij stimuleerde je, maar pakte je ook op je zwakke plekken. Er was altijd onheil en grote vreugde en dat zit in dat beeld. Hij kende me heel goed en hij tekende ooit zelf, zomaar op een blaadje op café, mijn portret. Ik sta erop als iemand zonder ogen. Misschien zei hij daarmee dat ik te weinig met mijn ogen en te veel met mijn hersenen keek. Dat hangt in mijn bibliotheek. Ooit was ik bij Jan en mocht ik iets kiezen. Ik koos een werkje van Ettore Spalletti. ‘Für Jan’ staat erop, het is niet meer dan een blaadje met een ezelsoor. Maar wel ingelijst. Voor mij is het een reminder dat kunst ook klein en onbenullig en toch beklijvend kan zijn.’


Het is donker geworden in Haarlem en straks zal ze naar huis gaan. 20 minuutjes duurt de rit met de trein en de tram. Thuis is in Amsterdam. Haar Nederlandse man is er conservator van het Hash Marihuana & Hemp Museum. Hun zoon Werner is tien, dochter Marcella is zeven. Hollandse kindjes. Nu valt op dat zij - die aan het begin een opvallende Nederlandse tongval had - weer de West-Vlaamse zachte ‘g’ bezigt. ‘Toen ik zaterdag bij mijn broer in Balegem was, zeiden mijn kinderen: ‘Mama, je spreekt zo Belgisch.’ Dat ben ik ook!’

Toen u directeur in Haarlem werd, vroeg iedereen u waarom u geen kandidaat was om het Stedelijk Museum in Amsterdam te leiden. Hebt u nog een andere ambitie of een droom?

Demeester: ‘Ik laat me altijd verrassen door mijn eigen keuze en hoop dat het zo weer gaat bij mijn vervolgstap. Ik hou van collecties en ik ga geen B&B in Frankrijk openen en niet meedoen aan ‘Heel Holland Bakt’. Maar inherent aan dromen is dat je ze niet kunt bepalen. Je moet je erdoor laten leiden. Zodra je een droom uitspreekt, wordt het een ambitie en dat is me te carrièregericht. Wat ik wel heel graag zou doen, is een streekroman over Permeke schrijven.’

Een wat?

Demeester: (lacht) ‘Ik had altijd een hekel aan Permeke en streekromans vond ik ook niets. Toen ik afstudeerde, kreeg ik het verzameld werk van Felix Timmermans cadeau. Het zijn de enige boeken die ik ooit ben kwijtgeraakt. Nu vind ik Permeke wel spannend. Wat ging zo’n petit bourgeois eigenlijk in zo’n dorp zoeken?’


Afscheid. Nu pas valt op dat niemand in Haarlem een mondmasker draagt. Niet op café. Niet op restaurant. Niet op straat. We zwaaien dus. Volgende keer in Balegem? ‘Dat is grappig’, zegt ze. ‘Met een vriend is het al jaren een running joke. Ooit organiseren we de Biënnale van Scheldewindeke. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar zou dat niet geweldig klinken?’

Volgende week: kankeronderzoekster Damya Laoui.

Lees verder

Advertentie
Advertentie