Advertentie

De pijnlijke les van ’s werelds eerste centrale bankier

Kris Van Hamme

Vrijdag leest u in De Tijd een uitgebreid interview met Fed-watcher Neil Irwin over 'The Alchemists'. Hier krijgt u al een voorproefje van de man die de drukpers uitvond en dat bijna met de dood betaalde.

Een nieuw boek over centraal bankieren, 'The Alchemists' van Neil Irwin, leert dat Fed-voorzitter Ben Bernanke en ex-ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet een heilige schrik hadden om tijdens hun strijd tegen de kredietcrisis de fouten van collega’s uit het verleden te herhalen. Gelukkig hadden beide centraal bankiers de geschiedenis goed bestudeerd.

Ze riskeerden ook niet langer de doodstraf voor hun optreden, zoals pionier Johan Palmstruch (illustratie hiernaastmocht ondervinden. Palmstruch – né Hans Witmacker – had als jonge handelaar in het zeventiende-eeuwse Amsterdam het meest geavanceerde banksysteem van die tijd leren kennen.

Toen hij na een gevangenisstraf wegens onafgeloste schulden neerstreek in het Zweedse Stockholm, vernam hij dat koning Karl X Gustav een bank wilde oprichten om de Zweedse economie een boost te geven. Met Nederlandse branie praatte Palmstruch zich in de gunst van de koning.

Het resultaat was ‘Stockholms Banco’, dat in 1656 het licht zag met Palmstruch aan het roer. Dat een gebroken Palmstruch twaalf jaar later de doodstraf zou krijgen na de Zweedse economie op een wilde rit getrakteerd te hebben, kon hij toen nog niet vermoeden.

In de tussentijd had hij wel het centraal bankieren uitgevonden, met al het goede en slechte dat daarbij komt kijken, stelt Irwin in zijn onderhoudend boek. Palmstruch blonk uit in financiële innovatie. Een eerste ingreep was de vervanging van de erg onhandige koperen daalders door papier.

De toen meest courante munteenheid in Zweden – een 10 daalder-plaat van 60 bij 30 centimeter – woog meer dan 20 kilogram, allesbehalve praktisch voor een bezoek aan de bakker of het café. Palmstruch stelde voor de daalders in de kluis van zijn bank te bewaren en de eigenaars in ruil een papieren ontvangstbewijs (zie foto hiernaast) te geven. U kunt dat eerste papieren geld trouwens in het British Museum bewonderen.

Het bleek een inslaand succes: de daalders stroomden binnen. De volgende stap laat zich raden: waarom niet al die werkloze daalders in de kluis uitlenen en er zo nog een centje aan verdienen? Het werd opnieuw een succes: Zweedse handelaars ontleenden enthousiast daalders voor investeringen, edellieden voor het financieren van hun frivole levensstijl.

Het werkte prima, tot de koning in 1660 stierf en de regentenraad besliste de daalder te devalueren door het kopergehalte van nieuwe munten te verminderen. De oude platen werden daardoor plots meer waard, zodat Zweden massaal naar de loketten van Stockholms Banco trokken om hun oude daalders op te eisen.

Palmstruch sloeg in paniek: hij had het merendeel van de daalders uitgeleend en kon dus niet aan de plotse geldopvragingen voldoen. Hij probeerde wanhopig uitgeleende daalders op te eisen, maar zijn schuldenaars konden of wilden daar niet op ingaan. De oplossing waarmee hij in 1661 op de proppen kwam, zou de geschiedenis veranderen: hij vond het moderne geld – gedekt door een centrale bank – uit.

Palmstruch besliste papieren biljetten te drukken die de houder te allen tijde kon inwisselen voor koperen daalders. De bankier haalde hiervoor de mosterd bij kopermijnen die hun arbeiders papieren ontvangstbewijzen gaven waarmee ze betalingen konden doen in hun gemeenschap. Wat de biljetten van Palmstruch zo bijzonder maakten, was dat ze niet gelinkt waren aan specifieke deposito’s zoals bij vroegere Europese banken het geval was: de nieuwe biljetten konden vrij verhandeld worden.

De Zweedse overheid leverde de ultieme credibiliteit door de biljetten te aanvaarden voor het betalen van belastingen. Daarmee was geld als een ‘idee’ – los van de feitelijke waarde van het materiaal waarop het gedrukt is – geboren. De waarde ervan staat of valt met de geloofwaardigheid van de instelling die achter het geld staat, zoals bij een moderne centrale bank.

Opnieuw zorgde Palmstruch voor een hit: het nieuwe papieren geld werd populair tot in financiële centra als Amsterdam en Londen. Maar de inventieve bankier leerde al snel de gevaren van de drukpers kennen. Toen duidelijk werd dat er veel meer papieren geld in omloop was dan dat er koperen platen in de kluis lagen en de bank moeite had om deposito’s terug te betalen, kelderde het vertrouwen in de bank én in het papieren geld.

Voor een vis op de markt moest plots meer papieren geld betaald worden: kersvers centraal bankier Palmstruch had meteen inflatie aan zijn been. De Zweedse regering greep in door Palmstruch te verplichten leningen op te vragen en met het geld spaarders terug te betalen. Maar dit had een averechts effect: geld werd plots schaars, bedrijven konden hun business nog maar moeilijk financieren, en een zware recessie volgde.

De eerste recessie door een inkrimping van de geldhoeveelheid’, merkt Irwin op. Opnieuw een primeur voor Palmstruch, maar deze keer een ongewenste. Toen de overheid in 1667 Stockholms Banco uiteindelijk opdoekte, had Palmstruch op vijf jaar tijd gezorgd voor een kredietboom met stijgende welvaart, gevolgd door inflatie, een uiteenspattende kredietzeepbel en een recessie. Het is een patroon dat centrale bankiers later meermaals zouden herhalen.

Voor Palmstruch liep het avontuur jammerlijk af: omdat hij de bankverliezen niet kon terugbetalen, werd hij ter dood veroordeeld. De straf werd kwijtgescholden zodat hij in 1670 de gevangenis mocht verlaten, om een jaar later te sterven.

Zijn experiment bleef echter niet vruchteloos. De Zweedse overheid besefte dat het Stockholms Banco door een gelijkaardig instituut moest vervangen, maar dan met meer stabiliteit. Zo ontstond in 1668 de voorloper van de Sveriges Riksbank, tot vandaag de centrale bank van Zweden en de oudste centrale bank ter wereld.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud