Advertentie

Een inflatie aan inflatiegraadmeters

Het moet lang geleden zijn dat de trans-Atlantische kloof tussen centrale bankiers zo groot was. Bij de Europese Centrale Bank gaan alarmbellen af, nu de inflatie met 2,4 procent steeds verder wegspurt van de doelstelling de stijging van de levensduurte op 'minder dan, maar dicht bij 2 procent' te houden. Tegelijk tobben de Amerikaanse centrale bankiers nog altijd vooral over deflatie, nu de kerninflatie - dus exclusief volatiele energie- en voedingsprijzen - met 0,7 procent een nieuw dieptepunt sinds de start van de statistieken in 1960 bereikt heeft.

Amerikaanse centrale bankiers focussen sinds de jaren 70, de oliecrisis en de mysterieuze verdwijning van ansjovis voor de kust van Peru graag op kerninflatie, exclusief voeding en energie. Voordeel is dat je zo twee erg volatiele componenten uit de indexkorf licht. Nadeel is - zoals economen graag opmerken - dat die 'kerninflatie' alleen relevant is voor supermodellen die niet eten en zelf nooit rijden.

Europese centrale bankiers, daarentegen, zijn sinds de jaren 70 en de stagflatie erg beducht voor wat ze in hun jargon 'tweederonde-effecten' noemen. Ze zijn als de dood voor een loon-prijsspiraal: daarbij vertaalt een tijdelijke opstoot van voedings- en energieprijzen zoals we die nu kennen zich via fors hogere looneisen - die bedrijven op hun beurt doorrekenen - in een duurzame inflatie-opstoot.

Amerikaanse centrale bankiers zijn daar veel meer relaxed over. Bedrijven draaien nog verre van op volle toeren en de werkloosheid is hardnekkig hoog, daarom hebben volgens de Fed zowel werknemers als bedrijven weinig 'prijszettingsmacht'.

Maar - zoals de Money Supply-blog van de FT mooi aangeeft - hebben zelfs doorgewinterde Fed-watchers het moeilijk om exact aan te geven welke inflatiegraadmeter Amerikaanse centrale bankiers nu meest opvolgen. De kans is groot dat die centrale bankiers zélf het antwoord niet zouden kunnen geven.

Heel af en toe lichten ze een stukje van de sluier op over hun boordtabel. Zo gaven ze precies tien jaar geleden aan dat ze de 'PCE' een betere indexkorf vinden dat de toen veel bekendere CPI. Dat deden ze in 'voetnoot 1' van hun halfjaarlijks verslag aan het Congres, op pagina 4.

De consumptieprijsindex is een vrij 'vaste' korf van producten, die slechts periodiek wordt aangepast. Daarom overschat hij soms de eigenlijke inflatie: als bijvoorbeeld de prijs van bakboter stijgt, gaan sommige consumenten overschakelen op olijfolie. De PCE - ofte 'personal consumption expenditures' houdt sneller rekening met het feit dat gezinnen in functie van prijsstijgingen soms hun aankopen aanpassen.

Sinds die fameuze voetnoot een decennium geleden staat die PCE-kerninflatie te boek als de 'favoriete inflatiegraadmeter van de Fed'. Maar eigenlijk is de barometer een soort 'primus inter pares'. We gaan u niet vermoeien met de details, maar Amerikaanse centrale bankiers beschikken intussen over een waar arsenaal aan inflatiebarometers.

Alsof de keuze tussen CPI en PCE nog niet verscheurend genoeg was, voelt tegenwoordig elk regionaal Fed-kantoor zich geroepen een eigen index te hebben. Wat dacht u van de 'current median CPI' van de Cleveland Fed, of liever de 'trimmed mean PCE' van de Dallas Fed? Of toch maar de nieuwste modetrend in inflatieland, de 'sticky prices' van de Atlanta Fed?

In zekere zin hebben de Amerikaanse centrale bankiers het eigenlijk wel makkelijker dan hun Europese collega's: met die inflatie aan inflatiegraadmeters op hun boordtabel zullen ze altijd wel een inflatiecijfer vinden die in hun kraam past.

 

 

 

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud