Kinderen ten laste

Wie welke kinderen ten laste kan nemen en bijgevolg kan genieten van de ermee samenhangende belastingvrije som(men), is bij samenwonenden niet altijd even duidelijk.

Door een aantal recente uitspraken van rechtbanken en van de Minister van Financiën werd hierin meer klaarheid gebracht. Deze uitspraken hebben in bepaalde gevallen wederom een voordeel voor samenwonenden ten opzichte van gehuwden gecreëerd.

Om voor inkomstenjaar 2002 als ten laste van een bepaalde belastingplichtige te worden beschouwd, moeten de kinderen in principe:

- deel uitmaken van diens gezin op 1 januari 2003 (met een verblijf aldaar van duurzame aard);

- gedurende het belastbare tijdperk (2002) persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben gehad die netto meer dan een bepaald maximum bedragen;

- geen bezoldigingen genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn.

Kinderen van gehuwden worden automatisch ten laste genomen door de echtgenoot met het hoogste belastbare beroepsinkomen. Ze kunnen niet door de andere echtgenoot in rekening worden gebracht.

Alleenstaanden met een gezamenlijk kind, kunnen het kind niet meer beiden in hun afzonderlijke aangifte ten laste nemen. In principe kan enkel het gezinshoofd het kind ten laste nemen. Of vader of moeder gezinshoofd is, is een feitenkwestie volgens de fiscus.

Indien het gaat om kinderen, die niet de eigen kinderen van de belastingplichtige zijn, maar van de persoon waarmee de belastingplichtige samenwoont, kan de belastingplichtige deze kinderen ook ten laste nemen voorzover ze aan de hierboven vermelde algemene voorwaarden voldoen (o.a. deel uitmaken van het gezin en het maximum aan bestaansmiddelen niet overschrijden) en ze bovendien :

- volledig of hoofdzakelijk ten laste zijn van de belastingplichtige (daartoe moet hij onder meer aantonen dat zijn effectieve bijdrage in de onderhoudskosten van die kinderen meer dan de helft bedraagt, wat tevens inhoudt dat de bijdrage van de eigenlijke ouder(s), verhoogd met de eigen bestaansmiddelen van het kind, en de voor hem ontvangen onderhoudsuitkeringen, enz., minder bedraagt dan de helft van die onderhoudskosten) ;

- niet terzelfder tijd door de eigenlijke ouder ten laste zijn genomen.

Afhankelijk van de fiscaal meest gunstige situatie, kan het kind dan ten laste genomen worden hetzij bij zijn natuurlijke ouder, hetzij bij de samenwonende partner. Buiten de verhoogde belastingvrije som voor personen ten laste, kan deze overheveling eveneens interessant zijn in het kader van de berekening van de grensbedragen van de belastingvermindering bij bouwsparen en lange termijnsparen en de verhoogde interestaftrek.

De belastingvrije som voor kinderen ten laste (inkomstenjaar 2002) bedraagt EUR 1.160 voor het eerste kind, EUR 1.840 voor het tweede, EUR 3.720 voor het derde, EUR 4.140 voor het vierde kind en EUR 4.150 vanaf het vijfde kind.

Eén of meer kinderen ten laste van een belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast geven bovendien recht op een bijkomende belastingvrije som van EUR 1.160, hetgeen wederom een voordeel inhoudt ten opzichte van gehuwden. Vanaf aanslagjaar 2003 (inkomsten 2002) kunnen dus ook uit de echtgescheiden of ouders die fiscaal als feitelijk gescheiden worden beschouwd genieten van deze verhoging van de belastingvrije som, ook als de kinderen niet na de echtscheiding zijn verwekt.

Onder bestaansmiddelen van een persoon ten laste dient men al de inkomsten - al dan niet belastbaar - van die persoon te verstaan, met uitsluiting van de inkomsten die worden samengevoegd met die van de belastingplichtige omdat deze laatste er het wettelijk genot over heeft (bijv. onroerende en roerende inkomsten van de minderjarige kinderen dienen in principe bij de inkomsten van de ouders te worden gevoegd). De volgende inkomsten worden nooit als bestaansmiddelen beschouwd: studietoelagen, wettelijke kinderbijslagen, kraamgeld, adoptiepremies, onderhoudsgeld dat reeds voor een vorig jaar verschuldigd was, maar pas in 2002 werd uitbetaald op grond van een rechterlijke uitspraak met terugwerkende kracht, premies van voorhuwelijkssparen, enz.

De fiscus houdt steeds rekening met het netto-bedrag aan bestaansmiddelen. In principe dient er rekening te worden gehouden met een forfaitaire aftrek van 20% om rekening te houden met kosten. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten bedragen de aftrekbare kosten ten minste EUR 330. Er gelden andere regels voor onroerende inkomsten en roerende inkomsten.

De grens van de netto-bestaansmiddelen die door kinderen ten laste niet mag worden overschreden houdt echter weer een verschil in tussen alleenstaanden en gehuwden. Voor inkomstenjaar 2002 ligt de grens van de maximum netto-bestaansmiddelen voor kinderen ten laste van alleenstaanden op EUR 3.480, en op EUR 2.410 voor kinderen van gehuwden.

Sedert vorig inkomstenjaar worden de door kinderen ontvangen onderhoudsgelden in bepaalde mate niet langer als bestaansmiddelen aangemerkt. Voor inkomstenjaar 2002 bedraagt de grens in dit verband EUR 2.410.

Bron: PriceWaterhouseCoopers

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud