Nadelige punten van het huidig aanslagstelsel voor gehuwden

Samenwonenden worden nu fiscaal als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg wordt bij de belastingberekening ook de belastingvrije som voor een alleenstaande toegekend. Deze bedraagt voor aanslagjaar 2003 (inkomsten 2002) EUR 5.480 per persoon. Een samenwonend koppel heeft in totaal bijgevolg recht op een belastingvrije som van EUR 10.960. Gehuwde belastingplichtigen hebben elk recht op een belastingvrije som van EUR 4.350. Een eenvoudige rekensom toont aan dat hier reeds een verschil in verschuldigde belasting ontstaat van EUR 565 (2 X het verschil tussen (5.480 X 25%) en (4.350 X 25%), zonder rekening te houden met de gemeentebelasting en crisisbelasting of EUR 610,2 bij 7% gemeentebelasting en 1% crisisbelasting.

Volgens het Arbitragehof (arrest van 6 november 2001) bestaat er wel een redelijke verantwoording om aan alleenstaanden een hogere belastingvrije som toe te kennen dan aan gehuwden: "De vaste kosten voor levensonderhoud van gehuwden liggen namelijk lager dan die van een alleenstaande." Maar volgens het Arbitragehof bestaat er geen enkele redelijke verantwoording om aan ongehuwd samenwonenden een hogere belastingvrije som toe te kennen dan aan gehuwd samenwonenden. Luidens het Hof is deze discriminatie niet te wijten aan het fiscale wetsartikel waarin de belastingvrije sommen staan vermeld. Het Hof vindt dat de discriminatie haar oorzaak heeft in het feit dat er geen specifieke wetsbepaling voorzien is voor ongehuwd samenwonenden. Bijgevolg dienen op hen de bepalingen voor alleenstaanden te worden toegepast.

De nagestreefde gelijkschakeling op vlak van de belastingvrije sommen wordt geleidelijk gerealiseerd. Vanaf aanslagjaar 2004 (inkomsten van 2003) wordt de belastingvrije som voor gehuwden per echtgenoot opgetrokken tot EUR 4.610 (index 2003), terwijl vanaf het daaropvolgende aanslagjaar (inkomsten 2004) de belastingvrije som voor iedere belastingplichtige (ook voor de niet-wettelijk samenwonenden) EUR 5.570 (index 2003) zal bedragen.

Ook de fiscale behandeling van vervangingsinkomsten is nadelig voor gehuwden. Wanneer de belastbare inkomsten uitsluitend bestaan uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten hebben de echtgenoten samen slechts recht op één belastingvermindering van maximaal EUR 1.852,08. Deze is evenwel hoger dan de vermindering in hoofde van een alleenstaande (EUR 1.586,19), maar de toepassing ervan wordt beperkt in functie van de gecumuleerde inkomsten van beide echtgenoten, terwijl deze van een ongehuwd samenwoner enkel op zijn eigen inkomsten wordt berekend.

Vanaf aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004) zal de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten en pensioenen niet meer per echtpaar worden berekend, maar per individu. De regeling geldt echter niet voor de werkloosheidsuitkeringen en brugpensioenen nieuw stelsel.

Onder de huidige regeling geldt de zogenaamde decumul van de inkomsten (d.i. de afzonderlijke belastingheffing) enkel voor de beroepsinkomsten. Bijgevolg worden de onroerende, roerende en diverse inkomsten van de echtgenoten samengevoegd met de inkomsten van de echtgenoot die de hoogste beroepsinkomsten heeft behaald. Deze samenvoeging 'cumul' van de inkomsten heeft tot gevolg dat de gehuwden tegen een hogere marginale aanslagvoet worden belast dan de samenwonenden waar deze cumul achterwege blijft.

De regels inzake volledige decumul zoals ingevoerd door de belastinghervorming zullen pas inwerking treden vanaf aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004).

De bijkomende intrestaftrek laat toe de werkelijk betaalde intresten met betrekking tot hypothecaire leningen met een looptijd van ten minste 10 jaar die door de belastingplichtige zijn aangegaan om in België zijn enige woning te bouwen, in nieuwe staat te verwerven of volledig of gedeeltelijk te vernieuwen, onder bepaalde voorwaarden en limieten af te trekken van het totale netto-inkomen. Elke besparing door deze intrestaftrek gebeurt aan het marginale belastingtarief (met andere woorden, deze intresten worden afgetrokken van de hoogst belaste inkomsten).

Het nadeel voor gehuwden is dat het moet gaan om de enige woning van beide echtgenoten. Bij samenwonenden wordt de voorwaarde van enige woning enkel getoetst in hoofde van de partner/schuldenaar van de interesten. De andere partner kan dus andere woningen in eigendom hebben zonder het recht op verhoogde interestaftrek van de eerste partner in gevaar te brengen. Of een belastingplichtige meerdere woningen bezit, wordt jaarlijks op 31 december beoordeeld en daarbij wordt ook rekening gehouden met een in het buitenland gelegen buiten- of vakantieverblijf dat hij in eigendom heeft.

Wanneer een woning door twee samenwonenden in onverdeeldheid wordt aangekocht en zij hiervoor samen of afzonderlijk een hypothecaire lening zijn aangegaan, heeft elk van hen afzonderlijk recht op de bijkomende intrestaftrek in verhouding tot zijn of haar aandeel in de onverdeeldheid, voor zover het voor hem of haar om de "enige" woning gaat. Zowel het bedrag van de interesten (in geval van een gezamenlijke lening) als de toepasselijke maximumgrenzen (bijv. de eerste schijf van EUR 58.990) worden beperkt in verhouding tot het aandeel in de onverdeeldheid. De in de wet vooropgestelde grenzen worden voor elk van beide partners afzonderlijk vastgesteld, rekening houdend met zijn of haar kinderlast. Het aantal kinderen ten laste wordt definitief beoordeeld op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening.

In principe (behoudens uitzonderingen) kan bij feitelijke scheiding de belastingschuld van één van de echtgenoten niet alleen ingevorderd worden op diens eigen goederen en de gemeenschappelijke goederen, maar ook op de eigen goederen van de andere echtgenoot. Indien daarentegen ongehuwde samenwoners beslissen om feitelijk gescheiden te gaan leven, kan de ene partner niet aangesproken worden voor de belastingschulden van de andere.

De juridische situatie van een feitelijk gescheiden echtgenoot die wordt aangesproken voor de belastingschulden van de andere echtgenoot werd echter al verbeterd doordat hem/haar een bezwaarrecht werd toegekend, doordat de voorafgaande ingebrekestelling van de belastingschuldige echtgenoot verplicht werd en door het invoeren van een procedure waarbij een echtgenoot kennis krijgt van de aanslag die tegen de ander echtgenoot is gevestigd. Deze maatregelen bleken echter onvoldoende in de praktijk Daarom heeft de belastinghervorming de invorderingsmogelijkheden tussen feitelijk gescheiden echtgenoten verder beperkt: de belasting door een echtgenoot verschuldigd op zijn inkomen verworven vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding kunnen sedert inkomstenjaar 2001 niet meer verhaald worden op de andere echtgenoot.

Vanaf de gelijkschakeling met gehuwden, gelden voor wettelijk samenwonenden dezelfde invorderingsregels als voor gehuwden.

6. Huwelijksquotiënt en toekenning van meewerkinkomen

Een samenwonend éénverdienersgezin kan geen aanspraak maken op het huwelijksquotiënt, dat toelaat om tot maximum EUR 7.900 aan beroepsinkomsten af te toppen van de echtgenoot met de hoogste beroepsinkomsten en aan lagere belastingtarieven te laten belasten in hoofde van de andere echtgenoot. Anderzijds geldt ook de toekenning van meewerkinkomen enkel tussen echtgenoten. In deze omstandigheden, dient het huwelijk zich duidelijk als een fiscaal gunstiger alternatief aan.

Gezien de gelijkschakeling van gehuwden met wettelijk samenwonenden, kunnen deze laatsten vanaf aanslagjaar 2005 ook genieten van het huwelijksquotiënt en de toekenning van meewerkinkomen. Sedert aanslagjaar 2002 wordt het huwelijksquotiënt niet meer toegepast indien de toepassing ervan leidt tot een hogere belastingaanslag. De administratie zal in principe uit eigen beweging de meest voordelige aanslag toepassen. Dit is voornamelijk interessant wanneer één van beide echtgenoten buitenlandse vrijgestelde beroepsinkomsten heeft en waar de toepassing van het huwelijksquotiënt nadelig is.

Bron: PriceWaterhouseCoopers

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud