Voordelige punten van het huidig aanslagstelsel voor gehuwden

1. Huwelijksquotiënt en toekenning van meewerkinkomen

Een samenwonend éénverdienersgezin kan geen aanspraak maken op het huwelijksquotiënt, dat toelaat om tot maximum EUR 7.900 aan beroepsinkomsten af te toppen van de echtgenoot met de hoogste beroepsinkomsten en aan lagere belastingtarieven te laten belasten in hoofde van de andere echtgenoot. Anderzijds geldt ook de toekenning van meewerkinkomen enkel tussen echtgenoten. In deze omstandigheden, dient het huwelijk zich duidelijk als een fiscaal gunstiger alternatief aan.

Gezien de gelijkschakeling van gehuwden met wettelijk samenwonenden, kunnen deze laatsten vanaf aanslagjaar 2005 ook genieten van het huwelijksquotiënt en de toekenning van meewerkinkomen. Sedert aanslagjaar 2002 wordt het huwelijksquotiënt niet meer toegepast indien de toepassing ervan leidt tot een hogere belastingaanslag. De administratie zal in principe uit eigen beweging de meest voordelige aanslag toepassen. Dit is voornamelijk interessant wanneer één van beide echtgenoten buitenlandse vrijgestelde beroepsinkomsten heeft en waar de toepassing van het huwelijksquotiënt nadelig is.

2. Aftrekken en belastingverminderingen met betrekking tot onroerende goederen

Een ander fiscaal struikelblok voor samenwonenden is de toepassing van de regels inzake de aftrekken en belastingverminderingen voor de eigen woning. Voor een algemene uiteenzetting van de fiscale behandeling van onroerende goederen, verwijzen we naar de algemene uiteenzetting in dit verband.

De eigen woning wordt in principe belast op basis van het kadastraal inkomen. Dit kadastraal inkomen wordt echter vaak tot nul herleid door toepassing van de woningaftrek of door toepassing van de gewone interestaftrek (interesten van leningen specifiek aangegaan voor het verkrijgen of behouden van onroerende goederen).

Wanneer de bijkomende interestaftrek van toepassing is kan een gedeelte van de hypothecaire interesten onder bepaalde voorwaarden worden afgetrokken van het totale netto-inkomen (de samenvoeging van onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten). Kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies betaald met betrekking tot deze leningen kunnen recht geven op een belastingvermindering (bouwsparen en/of lange termijnsparen).

Een belastingplichtige die een woning zelf betrekt waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, heeft recht op een forfaitaire aftrek voor eigen woning ("woningaftrek" genaamd). Deze forfaitaire aftrek van EUR 3.953 (geïndexeerd) wordt verhoogd met EUR 329 voor de echtgenoot en voor iedere persoon ten laste en is enkel aftrekbaar van het kadastraal inkomen van de eigen woning.

Een belastingplichtige die om beroepsredenen (bijv. omdat het te ver verwijderd is van de plaats waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent) of om sociale redenen de woning niet zelf kan betrekken, heeft ook recht op de woningaftrek. Enkele voorbeelden van sociale redenen zijn de grote afstand tussen de woonplaats en de plaats waar de kinderen studeren of nog behoeften van huisvesting van de gezinsleden, ouderdom, ziekte, enz. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen (27 maart 2002) aanvaardt ook als sociale reden het feit dat een echtgenoot de woning waarvan hij eigenaar is niet zelf betrekt omwille van echtelijke moeilijkheden.

In het geval van samenwonenden waarbij slechts één van de partners eigenaar is van de woning, zal de partner die eigenaar is enkel de basisaftrek van EUR 3.953 in aanmerking kunnen nemen, en dus geen beroep kunnen doen op de verhoging voor de echtgenoot. Anderzijds zal deze partner zich uiteraard wel kunnen beroepen op de verhoging voor personen ten laste. Wanneer de andere partner ook een woning in eigendom heeft maar deze niet feitelijk betrekt (ook al is deze andere partner daar gedomicilieerd), kan hiervoor in principe geen woningaftrek in aanmerking genomen worden.

Indien beide samenwonende partners de woning in onverdeeldheid (mede-eigendom) bezitten, moet iedere eigenaar zijn of haar gedeelte in de onverdeeldheid aangeven als onroerend inkomen. Daartegenover staat dat iedere eigenaar in de onverdeeldheid recht heeft op de hoger vermelde (volledige woning)aftrek van EUR 3.953 die aan te rekenen is op zijn deel van het kadastraal inkomen van het huis, terwijl de woningaftrek voor gehuwde mede-eigenaars slechts eenmaal zal worden verleend.

a) Kapitaalaflossingen

Kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen komen binnen bepaalde grenzen in aanmerking voor een belastingvermindering indien deze hypothecaire lening is aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven, te bouwen of te verbouwen. Belangrijk hierbij is dat, om te genieten van de verhoogde vermindering voor bouwsparen, sedert aanslagjaar 2001 geen schuldsaldoverzekering meer vereist is om het belastingvoordeel te kunnen genieten in verband met kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen. Het moet nog wel steeds gaan om een hypothecaire lening die vóór 1 januari 1993 is aangegaan om uw eigen woonhuis te verwerven of te (ver)bouwen of vanaf 1 januari 1993 is aangegaan om uw enige woning, op het tijdstip van het aangaan van de lening, te verwerven of te (ver)bouwen.

Het totale bedrag van de aflossingen dat recht geeft op een belastingvermindering mag per belastingplichtige niet meer bedragen dan 15% van de eerste schijf van EUR 1.470 van de netto-beroepsinkomsten en 6% van de overige netto-beroepsinkomsten, dit met een absolute limiet van EUR 1.770 per echtgenoot. Bovendien moet eveneens een beperking worden toegepast in functie van het bedrag van de hypothecaire lening. Per woning komen slechts de kapitaalaflossingen in aanmerking die betrekking hebben op de eerste schijf van EUR 58.990 (leningen aangegaan in 2002). Ingeval het bouwsparen van toepassing is, wordt dit grensbedrag verhoogd in functie van het aantal kinderen dat ten laste is op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening.

Wat samenwonenden betreft, geldt ook hier het principe dat de kapitaalaflossingen slechts voor belastingvermindering in aanmerking komen in verhouding tot hun aandeel in de eigendom van de woning. De grensbedragen moeten eveneens worden beperkt in verhouding tot het aandeel mede-eigendom. Aangezien de verhoging van de grensbedragen op grond van kinderen ten laste wordt beoordeeld op 1 januari van het jaar volgend op het sluiten van de lening, kan een samenwonend koppel aan fiscale planning doen. Indien één van de kinderen slechts afstamt van één van beide partners en ook door die partner fiscaal ten laste wordt genomen, dient te worden nagegaan of het fiscaal niet interessanter is om de tenlasteneming over te hevelen naar de andere partner. Die andere partner kan immers een hoger beroepsinkomen hebben (nuttig voor de berekening van de EUR 1.770 grens) of een grotere lening afgesloten hebben, zodat juist die andere partner alle baat heeft bij een verhoging van het grensbedrag van EUR 58.990 voor kinderen ten laste. Die andere partner zal dan wel moeten aantonen dat hij het kind hoofdzakelijk ten laste heeft.

Gehuwden die samen hoofdelijk en ondeelbaar een lening aangaan, mogen het bedrag van de betaalde kapitaalaflossingen fiscaal optimaliseren en in een door henzelf gekozen verhouding onder elkaar verdelen. Alhoewel ongehuwd samenwonenden eveneens vaak een hoofdelijke en ondeelbare lening aangaan, kunnen zij enkel een belastingvermindering krijgen voor betalingen die door de belastingplichtige zelf zijn verricht voor de aflossing van zijn deel in het ontleende kapitaal en, zoals hierboven reeds vermeld, slechts in de mate waarin dat deel zijn aandeel in de eigendom van de verworven, gebouwde of verbouwde woning niet overtreft. Na hun huwelijk, verwerven zij evenwel het recht de gedane terugbetalingen vrij onder elkaar te verdelen.

Wanneer een echtgenoot vóór zijn huwelijk reeds persoonlijk een hypothecaire lening heeft gesloten voor een woning, heeft de andere echtgenoot na het huwelijk eveneens recht op een belastingvermindering voor kapitaalaflossingen vanaf het moment dat de woning in de huwelijksgemeenschap is gebracht en van zodra de bestaande lening is omgezet in een lening die hoofdelijk en onverdeeld door beide echtgenoten is aangegaan. Het louter inbrengen van de hypothecaire lening en de schuld in de huwelijksgemeenschap volstaat niet om recht te hebben op een belastingvermindering.

Ook ten aanzien van de belastingvermindering met betrekking tot premies betaald voor een individuele levensverzekering/schuldsaldoverzekering tot dekking van de bovenvermelde hypothecaire lening dienen samenwonenden aandachtig te zijn. Artikel 1459 WIB bepaalt immers dat deze vermindering alleen geldt indien de begunstigde bij overlijden de echtgenoot of een bloedverwant tot de tweede graad is. Indien bijgevolg de begunstigde de samenwonende partner is, voldoet de levensverzekering niet aan de nodige voorwaarden om voor een belastingvermindering in aanmerking te komen.

Het compenseren van het geleden verlies in hoofde van een echtgenoot met de door de andere echtgenoot behaalde inkomsten, waardoor een lagere belastingschuld in hoofde van het gezin ontstaat, is enkel weggelegd voor gehuwden.

Vanaf aanslagjaar 2005 wordt deze compensatie ook mogelijk voor wettelijk samenwonenden partners.

Bron: PriceWaterhouseCoopers

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud