Europese markt voor trackers kampt met groeipijnen

Trackers, de beursgenoteerde beleggingsfondsen die een index nabootsten, zetten ondanks het slechte beursklimaat hun groei door. Vooral institutionele beleggers maken gretig gebruik van trackers om snel in of uit een sector, land of regio te stappen. In Europa kampt de markt echter met groeipijnen. Europa telt evenveel trackers en dubbel zo veel beheerders als de VS, zelfs al is de Amerikaanse markt zeven keer groter. Kurt Vansteeland

Trackers zijn beleggingsfondsen die een beursindex schaduwen. Ze zijn beursgenoteerd en kunnen bijgevolg net als een gewoon aandeel continu worden verhandeld. Die combinatie van aandeel en beleggingsfonds maakt trackers aantrekkelijk voor particuliere beleggers. Net als bij een beleggingsfonds kan de belegger met een kleine investering een gediversifieerde portefeuille verwerven, bijvoorbeeld de volledige S&P500-index. En net als bij een aandeel weet de belegger op elk ogenblik van de dag tegen welke koers hij in of uit kan stappen. Dit in tegenstelling tot beleggingsfondsen, die slechts eenmaal per dag een inventariswaarde achter hun naam krijgen.

Telkens een bedrijf uit een index als de Euro Stoxx50 of de Bel20 een dividend uitkeert, komt die coupon meteen in mindering van de index. De impact kan soms behoorlijk groot zijn. Zo 'kostte' de ex-couponnotering van Fortis op 31 mei de Bel20 ruim 26 punten. Beleggers in een tracker, daarentegen, krijgen de dividenden niet onmiddellijk doorgestort. De beheerder van de tracker spaart de coupons van de indexcomponenten op en keert ze periodiek, doorgaans jaarlijks of halfjaarlijks, uit.

Dat laatste is niet onbelangrijk. Door de opgespaarde dividenden kan de intrinsieke waarde van de tracker tijdelijk afwijken van de theoretische waarde. Zo is de theoretische waarde van de Bel20 Master Unit, die de Brusselse beursgraadmeter Bel20 perfect nabootst, een honderdste van de Bel20-koers. Op 16 september sloot de Bel20 Master Unit af op 21,86 euro. Dat is 3,3 procent meer dan de theoretische waarde van 21,17 euro, een honderdste van de Bel20-koers van 2.117 punten.

Voor de Belgische particuliere belegger biedt een tracker ten opzichte van een gewoon beleggingsfonds zoals vermeld het voordeel van de gemakkelijke verhandelbaarheid op de beurs en de transparante prijsvorming. Ook de beheervergoeding, 0,5 procent per jaar voor de Bel20-tracker, ligt lager dan de meeste actief beheerde Belgische aandelenfondsen. Een nadeel in vergelijking met Belgische aandelenfondsen is evenwel de belasting op de dividenden. Aangezien trackers buitenlandse effecten zijn, is zowel in het land van herkomst als in België roerende voorheffing verschuldigd. In het geval van de Bel20 Master Unit, betaalt de Belgische particulier zowel in Frankrijk, het thuisland van de Master Unit-tracker, als in België 15 procent roerende voorheffing.

Precies die lappendeken van nationale fiscale stelsels en aandelenmarkten is één van de redenen waarom de trackers bij de Europese particuliere belegger nog niet echt doorgebroken zijn. Dat is in de VS anders. Daar hebben beleggers, institutioneel én particulier, de beursgenoteerde beleggingsfondsen enthousiast onthaald na een aarzelende start in 1993. Toen lanceerde de American Stock Exchange (Amex) de eerste tracker. Die bootste de S&P500-index na en kreeg de naam Standard & Poor's Depositary Receipt (SPDR of Spider) mee. Amex, dat voor de aandelenhandel steeds meer in de verdrukking kwam tussen de New York Stock Exchange en de Nasdaq, verzekerde dankzij de trackers zijn voortbestaan.

De echte doorbraak voor trackers kwam er in 1999. Toen startte Amex met de handel in de tracker op de Nasdaq100 (bekend onder de beursticker QQQ en bijgenaamd Cube), de index van de 100 grootste aandelen op Nasdaq. Eind 1998 was de Amerikaanse markt voor beursgenoteerde beleggingsfondsen, volgens berekeningen van het beurshuis Morgan Stanley, goed voor een beheerd vermogen van 15 miljard dollar. In nog geen vijf jaar is die markt verachtvoudigd. Eind augustus bedroegen de activa van Amerikaanse trackers 117 miljard dollar.

Wereldwijd raamt Morgan Stanley dat beleggers eind augustus 170 miljard dollar in trackers stopten. Dat is een stijging met 20 procent sinds begin dit jaar. In tegenstelling tot beleggingsproducten die het vooral van particuliere beleggers moeten hebben, zoals warrants, zetten trackers tijdens de beursmalaise hun groei onverstoord voort (zie grafiek).

De beurscapriolen van de voorbije jaren scherpten nog de beleggersinteresse voor trackers aan. Deborah Fuhr, een analiste bij Morgan Stanley, merkt op dat het aantal institutionele beleggers dat minstens één belegging in een Amerikaanse tracker rapporteert, het voorbije jaar met 15 procent is toegenomen, van 1.162 naar 1.336. Het aantal hefboomfondsen dat in trackers belegt, nam over dezelfde periode met 84 procent toe.

Institutionele beleggers als pensioenfondsen en verzekeraars maken gretig van trackers gebruik om snel in of uit of een welbepaalde regio, land of sector te stappen. Het meest extreme voorbeeld is de Semiconductor HOLDRS, het door Merrill Lynch beheerde fonds dat de invloedrijke en volatiele Philadelphia Semiconductor-index (SOX) nabootst. De Semiconductor HOLDRS telt een beheerd vermogen van 831 miljoen dollar, het gemiddeld dagvolume ligt met 7 miljoen stuks op 211 miljoen dollar. Dat betekent dat de gemiddelde belegger zijn Semiconductor HOLDRS nog geen vier dagen aanhoudt.

De populariteit van trackers is ingegeven door de hoge volatiliteit op de beurzen, maar wakkert tegelijk ook die volatiliteit aan. Immers, wie pakweg zijn tracker op de Europese verzekeringssector verkoopt, verkoopt onrechtstreeks ook alle onderliggende verzekeringsaandelen.

De twee oudste trackers zijn ook onverminderd de populairste. De Spider is met een beheerd vermogen van 35 miljard dollar in zijn eentje ruim dubbel zo groot als alle 119 Europese trackers samen. De gemiddelde dagomzet bedraagt 3,8 miljard dollar. Ter vergelijking: de Brusselse beurs haalt dagelijks zo'n 140 miljoen dollar omzet. De Nasdaq100-tracker is de nummer twee met ruim 20 miljard dollar activa. De QQQ is veruit het populairste vehikel om snel, desnoods voor enkele uren, een gokje te wagen op de technologiesector.

Dat is onder meer te danken aan de Amerikaanse financiële wetgeving. Die laat beleggers toe ook bij een dalende markt baisseposities in te nemen op trackers. Dat is niet zo voor individuele aandelen of afgeleide producten, waar de 'uptick rule' geldt. De belegger mag pas een aandeel in de wind verkopen bij een uptick, als de koers van de meest recente transactie in het aandeel hoger ligt dan bij de transactie er voor. Bij een verkoopgolf op de beurs is het vaak erg lang wachten op een uptick en bieden trackers een oplossing.

De QQQ staat bij handelaars bekend als het meest liquide aandeel ter wereld. Dagelijks verwisselen gemiddeld 68 miljoen Nasdaq100-trackers van eigenaar. Daarmee laat de QQQ zelfs Nasdaq-toppers als Intel, Microsoft en Cisco achter zich.

Bij het lijstje van de wereldwijd populairste trackers (zie tabel) vallen de kopposities van enkele trackers uit Japan en Hongkong op. Die sterke Aziatische positie heeft telkens een specifieke oorzaak. In Japan vormden de door beurshuizen Nomura en Nikko beheerde trackers een handig instrument om de afbouw van de kruisparticipaties van de banksector in goede banen te leiden. In Hongkong had de overheid na de steuninterventies van 1998 zo'n 7,5 procent van de totale beurswaarde in handen. De vermindering van die overheidsparticipatie verliep rimpelloos via een beursgenoteerd beleggingsfonds, de TraHK van State Street.

De Europese markt ontbeert vooralsnog liquiditeit. De grootste tracker, de CAC40 Master Unit van het SocGen-filiaal Lyxor, is wereldwijd slechts goed voor een 16de plaats. Europa kampt mede door het al vermelde lappendeken van fiscale stelsels en beurzen met een wildgroei. Morgan Stanley telt 119 beursgenoteerde beleggingsfondsen, die door 15 verschillende financiële instellingen worden beheerd en op elf verschillende beurzen worden verhandeld. Dat is duidelijk van het goede te veel. De Amerikaanse markt telt minder trackers (114), ook al is de totale markt zeven keer groter als in Europa. Bovendien zijn er in de VS slechts zeven aanbieders van trackers, die ook maar op vier verschillende markten worden verhandeld.

Bijgevolg mag het niet verbazen dat de wildgroei in Europa tot groeipijnen leidt. Beleggers raken niet langer wijs uit de iShares van Barclays, de LDRS van Merrill Lynch, de Master Units van SocGen, de IndEXchange van Hypovereinsbank, de Frescos van UBS, de streetTRACKS van State Street, enzovoort. Bovendien noteert dezelfde tracker om fiscale redenen vaak op meerdere beurzen, wat de liquiditeit nog meer versnippert.

Toch lijkt de consolidatie ingezet. Merrill Lynch, nochtans de Europese pionier in trackers, kondigde onlangs aan in Europa niet langer beurgenoteerde beleggingsfondsen aan te bieden. Het beurshuis doekt 13 sectortrackers op die met een te lage liquiditeit kampten. De twee populairste trackers, die de pan-Europese indexen Euro Stoxx50 en Stoxx50 nabootsen, draagt Merrill Lynch over aan zijn concurrent Barclays. Dat betekent dat de Belgische houders van de vroegere mini-Euro Stoxx50 alweer van beheerder veranderen. De Brusselse beurs stopte in oktober met het beheer van de mini's. Ze konden hun mini-Euro Stoxx50 inruilen voor de Euro Stoxx50-tracker van Merrill Lynch. Die schuift nu opnieuw het beheer door naar Barclays.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud