Advertentie

Amper nog Belgische aandelen op buitenlandse beurzen

(tijd) - Op de buitenlandse koerslijsten prijken nog nauwelijks Belgische aandelen. Alleen met Dexia in Parijs, Fortis in Amsterdam, Delhaize op de New York Stock Exchange, Agfa-Gevaert in Frankfurt en Icos Vision Systems op Nasdaq, haalt een Belgisch bedrijf de buitenlandse koerstabellen. Amper acht jaar geleden noteerden nog 26 Belgen in het buitenland.

Solvay zal zijn aandeel schrappen op de beurzen van Frankfurt, München, Düsseldorf, Zwitserland, Euronext Amsterdam en Euronext Parijs. De chemie- en farmagroep wil zijn aandelen nog enkel op Euronext Brussel laten noteren, schrijft de Franstalige zakenkrant L'Echo. Sinds Solvay in 1967 een eerste notering kreeg in Brussel en Parijs, zwermde het aandeel snel uit naar meer dan tien Europese beurzen. Nog steeds is Solvay de Belgische primus inzake buitenlandse noteringen, maar daar komt binnenkort dus verandering in.

Het is de trend. Steeds meer bedrijven kiezen voor een enkele notering op de thuismarkt. De twee traditionele redenen om ook elders te gaan noteren, gelden immers nog nauwelijks. Dankzij de huidige communicatietechnologie kunnen aandelen vanop afstand worden verhandeld en is naambekendheid niet langer een kwestie van lokale aanwezigheid. Voorts vallen nationale restricties een na een weg. Vandaag moeten bijvoorbeeld Belgische pensioenspaarfondsen nog beleggen in aandelen die in Brussel noteren, maar allicht binnenkort hoeft dat niet meer.

Het was ooit anders. Acht jaar geleden hadden 26 van de 155 beursgenoteerde Belgische bedrijven ook een notering in het buitenland. De toerismegroep Wagons-Lits was de eerste die haar vleugels uitsloeg, met een plaatsje op het Parijse koersbord vanaf 1882. Belgische iconen uit het verleden, zoals Petrofina en de Generale Maatschappij, volgden enkele decennia nadien. De buitenlandse piek situeert zich tien jaar geleden, toen met de uitbouw van de elektronische markt Seaq ruim een vijfde van de handel in Belgische aandelen in Londen gebeurde.

Vandaag speelt het buitenland geen rol meer, behalve voor een handvol uitzonderingen. Fortis en Dexia bijvoorbeeld, hebben twee thuismarkten. Voor de Belgisch-Nederlandse groep Fortis zijn dat Brussel en Amsterdam, voor het Frans-Belgische Dexia zijn het Brussel en Parijs. Voor Fortis is Brussel goed voor 25 procent van de omzet. Dexia komt in Brussel tot 40 procent. Ze hebben allebei een derde, vierde en vijfde noteringsmarkt, namelijk de beurzen van Luxemburg en Londen, en de Zwitserse elektronische markt Virt-X. Maar die stellen weinig of niets voor.

Delhaize is groot in Amerika, maar Brussel is zonder discussie Delhaizes thuismarkt. Het aandeel noteert sinds april 2001 op de New York Stock Exchange, waar het een tiende van de totale omzet haalt. Er is nog een Belgische aandeel in New York, namelijk Icos Vision Systems. De chipgroep realiseert via de Nasdaq-schermen circa 40 procent van zijn omzet.

En Agfa-Gevaert was groot in Duitsland. Bij de beursgang van de Mortselse beeldvormingsgroep in 1999 verdeelde het toenmalige moederbedrijf Bayer de helft van het kapitaal netjes tussen Belgische en Duitse beleggers. De Belgen waren happiger. Vandaag wordt nog 1 procent van de omzet in Frankfurt gerealiseerd.

Nogal wat Belgen worden sporadisch verhandeld op de Amerikaanse buitenbeursmarkt: onder meer Interbrew, UCB, Umicore, Solvay, Mobistar en Omega Pharma. De omzetten zijn verwaarloosbaar. De Vlaams-Brabantse aluminiumbewerker Coil noteert enkel in Parijs; de Wemmelse netwerkbeveiliger Vasco noteert enkel op Nasdaq.

Dat Belgische bedrijven hun buitenlandse noteringen niet echt belangrijk achten, blijkt uit de informatie hierover die op hun websites te vinden is: meestal onvolledig en hopeloos achterhaald.

Pierre HUYLENBROECK

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud