'Can Stock Market Forecasters Forecast?' van Alfred Cowles (1933)

(tijd) - 'Wetenschap is meten.' Dat is het levensmotto van Alfred Cowles III, de uitgever van het vermaarde tijdschrift Econometrica, de oprichter van het al even vermaarde Cowles-onderzoeksinstituut en de man die als eerste de prestaties van beleggers en beursadviezen onderzocht. Hij publiceerde zijn vaststellingen in 1933 in zijn artikel 'Can Stock Market Forecasters Forecast?' Zijn antwoord: 'Ik betwijfel het.'

Louis Bachelier was de eerste die mathematisch aantoonde dat de beurs niet te kloppen is. Alfred Cowles was de eerste die dat op een empirische manier duidelijk maakte.

Alfred Cowles III was steenrijk. Zijn vader en grootvader waren succesvolle beursmakelaars. Sinds 1926 nam Cowles het beheer van het familiefortuin op zich. Hij abonneerde zich op een reeks adviesbladen voor de aankoop van aandelen. Hij merkte snel dat hij voor al die - vaak tegenstrijdige - adviezen veel geld uitgaf, zonder het gevoel te hebben dat hij daar veel baat bij had. Daarom besloot hij vanaf 1928 de kwaliteit van de adviezen van 24 nieuwsbrieven na te trekken: stijgen de koersen wel na een koopaanbeveling en omgekeerd? Het beste beleggingsblad zou getrakteerd worden op een langetermijnabonnement, hield hij zichzelf voor.

Een jaar nadien crashte Wall Street. Net als miljoenen gewone stervelingen en die andere financiële meesters Irving Fisher en John Maynard Keynes, verloor Alfred Cowles erg veel geld tijdens die paniekverkopen. 'Hoe komt het toch dat de markt zovelen tegelijk in de luren kan leggen?', vroeg hij zich af. En vooral: waarom waren zowat alle adviesbladen even verrast als de argeloze belegger?

Econometrie

Cowles besloot zijn onderzoek fors uit te breiden. Hij ging erg professioneel te werk. Met de steun van Irving Fisher richtte hij begin 1932 de Cowles Commission for Research in Economics op. Dat zou het belangrijkste onderzoekscentrum voor econometrie en beleggingsleer worden: het gros van alle Nobelprijswinnaars kwam er langs. Vervolgens lanceerde hij 'Econometrica', nog steeds zowat het meest gerespecteerde tijdschrift in de wereld van de beleggingstheorie. Tot slot kocht hij de krachtigste ponskaartrekenmachine.

Toen toog hij aan het werk. Hij analyseerde duizenden koop- en verkoopadviezen van de belangrijkste beurshuizen over de periode 1928-1932. Hij vergeleek de koersbewegingen van de aanbevolen of afgeraden aandelen met de gemiddelde marktbewegingen. Hij deed nog tal van andere onderzoeken, soms met cijfergegevens sinds 1903.

Ontnuchterend

Zijn vaststellingen waren ontnuchterend. Beleggers die braafjes de aanbevelingen van de beursexperts volgden, presteerden jaarlijks tot 1,4 procent slechter dan het marktgemiddelde. Bovendien bleek slechts een enkele adviseur in staat te zijn beter te presteren dan de spreekwoordelijke 'blinde aap' die lukraak aandelen koopt en verkoopt. En dan nog. 'Zelfs die prestatie is eerder toe te schrijven aan geluk dan aan bekwaamheid.' Dat alles schreef hij neer in het artikel 'Can Stock Market Forecasters Forecast?' dat in 1933 in Econometrica verscheen. Wall Street was er niet mee opgezet. Begrijpelijk, want het was de allereerste keer dat de beurswereld op een dergelijke empirisch onderbouwde manier in haar hemd werd gezet.

Dit artikel past in dit prestigieuze lijstje, precies omdat Cowles, onder het motto 'wetenschap is meten', een werkwijze invoerde die een massale navolging zou krijgen. Vandaag wordt amper nog een financieel-wetenschappelijk artikel gepubliceerd waarin niet minstens een of andere empirische meting werd opgenomen.

Beursindex

Na 1933 was Cowles nog lang niet uitgemeten. Hij creëerde een beursindex die de gemiddelde prestatie van alle aandelen van de New York Stock Exchange berekende en dus een veel getrouwer beeld van de prestaties van Wall Street gaf dan bijvoorbeeld de Dow Jones. En in 1944 deed Cowles zijn onderzoek over voor de beursjaren 1929-1944. Die periode was barslecht voor aandelen: de Dow Jones noteerde aan het eind op amper de helft van zijn startpeil. Desondanks stelde Cowles vast dat de analisten vier keer meer koop- dan verkoopadviezen gaven. Voorts waren de conclusies uit zijn pionierswerk vergelijkbaar: alweer rendeerde het niet het beursadvies op te volgen.

Het harde oordeel van Cowles luidt dat beursvoorspellers volstrekt nutteloos zijn. Hij wees terloops op het inherent absurde van betaald beursadvies. 'Dat is een paradox. Iemand die het echt weet, zal het heus niet vertellen. Waarom zou hij? Als hij het geheim van de beurstoekomst voor zich houdt, is hij binnen vijf jaar de rijkste mens ter wereld.'

Ook Cowles deed overigens een voorspelling. 'Beursgoeroes zullen nooit verdwijnen. Beleggers hebben marktvoorspellers nodig. Zelfs indien er na mij nog 1.000 andere onderzoekers tot dezelfde conclusie komen, blijven de vele adviesbrieven populair. Mensen willen geloven dat iemand echt het antwoord op hun vragen weet. Een wereld waarin niemand het antwoord kent kan behoorlijk angstwekkend zijn.'

Pierre HUYLENBROECK

Waarom is dit een meesterwerk?

  • Het eerste empirische onderzoek van de prestaties van beursanalisten.
  • Cowles introduceerde econometrie en 'meten' als studiemethode in de financieel-economische wetenschappen.
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud