Logo
Tijd Connect biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.

De winnaars en verliezers van de mondialisering

©shutterstock

De ongelijkheid op aarde is in de naoorlogse periode gestabiliseerd, en daarna beginnen te dalen. Branko Milanovic, econoom bij de Wereldbank, onderzoekt die verdeling van rijkdom. Hij stelt voor nationaliteit als een rente te beschouwen, omdat ze voor 50 procent het inkomen bepaalt.

Er zit ongeveer 20 jaar tussen de val van de Berlijnse muur en de financiële crisis. Wie zijn, in die periode waarin de globalisering op volle snelheid kwam, de wereldwijde winnaars en verliezers?

In Global Inequality by the numbers: in history and now bestudeert Branko Milanovic ongelijkheid op drie niveaus: in eenzelfde land, tussen inkomenscategorieën onderling en op geografisch niveau, dat zijn de verschillen tussen de gemiddelde inkomens per inwoner voor alle landen samen.

De cijfers van de Amerikaans-Servische econoom tonen aan dat de zeer rijken en de middenklasse (een derde van de wereldbevolking) in die periode het meest hebben geprofiteerd van de stijging van de rijkdom in de wereld. De 1 procent rijksten, of zo’n 60 miljoen mensen op aarde, zagen hun inkomen met 60 procent toenemen. De inkomens van de middenklasse stegen met 70 tot 80 procent. Dat was onder meer het geval voor 200 miljoen Chinezen en 90 miljoen Indiërs. Maar ook voor 30 miljoen mensen in zowel Egypte, Indonesië als Brazilië.

Het armste derde kon genieten van een verhoging van zijn inkomen tussen 40 en 70 procent. Maar de 5 procent armste mensen zagen hun inkomen stagneren. De Wereldbank spreekt in hun geval over ‘absolute armoede’. Hun gemiddeld inkomen per hoofd ligt lager dan 1,25 dollar (gemeten in koopkrachtpariteit).

Ook de hogere middenklasse, van Latijns-Amerika tot onze landen en het oude Oostblok, kon niet profiteren van deze periode. Hun inkomens zijn gestagneerd.

Als we dieper inzoomen op de nationale cijfers, zien we eens te meer dat China in die periode de grote winnaar was. In 1988 was een Chinees met een mediaaninkomen 10 procent rijker dan de wereldbevolking. Twintig jaar later maakt datzelfde mediaaninkomen hem rijker dan de helft van de wereldbevolking. Tegelijk zien we dat het mediaaninkomen van een Europeaan of Amerikaan hem indeelt bij de 80 tot 90 procent van de rijkste mensen op aarde. Maar zij gaan er niet meer op vooruit. Dat impliceert dat als de crisis in die gebieden aanhoudt, hun relatieve rijkdom zal afnemen.

De verliezers van die twee decennia bevinden zich vooral in Afrika, Centraal- en Oost-Europa en de gewezen Sovjet-Unie, en in mindere mate in Latijns-Amerika. Sindsdien zijn hun prestaties wel verbeterd.

In het licht van die gegevens merkt Branko Milanovic dat er nog een andere fundamentele beweging aan de gang is. In 1870 was twee derde van de ongelijkheid in de wereld te wijten aan de categorie waartoe iemand behoorde. Vandaag is die verhouding omgekeerd. Twee derde wordt nu bepaald door de plaats waar iemand woont.

Om de globale ongelijkheid te doen dalen moet men ervoor zorgen dat er in de arme landen een verhoogde groei komt, of dat er massale migraties plaatsvinden, of dat we een herverdeling van rijkdom op wereldschaal meemaken.
Branco Milanovic
econoom bij de Wereldbank

Het mediaaninkomen van de woonplaats van een persoon, en dat is voor 97 procent van de wereldbevolking ook hun geboorteplaats, bepaalt met andere woorden 50 procent van het inkomen. Dat is dus meer dan de sociale categorie waartoe iemand behoort. Een arme Amerikaan heeft een hoger inkomen dan 60 procent van de wereldbevolking. Hij is bijvoorbeeld rijker dan een Afrikaan uit de middenklasse. Marx was ervan overtuigd dat de belangen van de armen uit alle landen zouden samenkomen. ‘Dat was inderdaad zo in het midden van de 19de eeuw, maar vandaag is dat niet meer het geval’, voegt de auteur er met een vleugje humor aan toe. Die fundamentele economische ongelijkheid is de motor achter migratiestromen. En we kunnen nationaliteit als een soort rente beschouwen.

De volgende stap in Milanovics redenering gaat over de manier waarop we die ongelijkheid kunnen aanpakken. In eenzelfde land wordt het vermogen van leden van eenzelfde familie overgeërfd, van generatie op generatie. En bijgevolg ook de materiële en immateriële voordelen die daarmee gepaard gaan. Dat is een zeer essentiële factor die ongelijkheid in stand houdt. Die onrechtvaardigheid wordt door de meeste landen ook erkend. Zij trachten die te milderen door successierechten, gratis onderwijs, enzovoort.

De ongelijkheid tussen twee personen uit twee verschillende landen wordt dan weer niet als onrechtvaardig beschouwd. Het gaat nochtans wel over een overdracht van de voorwaarden van rijkdom, van middelen en van de positie op de wereldschaal van de inkomens, die uitsluitend wordt bepaald door je woonplaats.

Om de globale ongelijkheid te doen dalen moet men volgens Branco Milanovic ervoor zorgen dat er in de arme landen een verhoogde groei komt, of dat er massale migraties plaatsvinden, of dat we een herverdeling van rijkdom op wereldschaal meemaken. Dat laatste is moeilijk voor te stellen, als je weet dat de hulp aan ontwikkelingslanden nauwelijks 100 miljard dollar bedraagt, of het vijfvoudige van de bonussen van Goldman Sachs in crisistijd. ‘Er blijven dus twee mogelijkheden over: ofwel worden de arme landen rijk, ofwel migreren de armen naar rijke landen’, besluit Milanovic.

Logo
Tijd Connect biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.