Logo
Tijd Connect biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.

Patatten, vlees en groenten – hoe onze eetcultuur behouden en toch duurzamer eten?

‘Als we evenveel vlees blijven consumeren als vandaag is er op aarde gewoonweg niet genoeg plaats om 100 procent bio te produceren.’ - Hendrik Slabbinck, professor consumentengedrag UGent ©Shutterstock

‘Ja, ik eet ook graag vlees’, bekent Hendrik Slabbinck. De economieprofessor onderzoekt hoe we duurzamer kunnen eten. Minder vlees consumeren is zowat de belangrijkste opgave. ‘Vanuit ecologisch standpunt zou alle vlees van het menu geschrapt kunnen worden, maar dat gaat maatschappelijk misschien een brug te ver.’

‘Door mijn werk heb ik kikkererwten leren kennen. Ik vind ze bijzonder lekker, bovendien zijn ze voedzaam, gezond en duurzaam. Helaas zijn mijn vrouw en onze drie kinderen geen fan. We eten ze dus niet zo vaak.’ Privé staat Hendrik Slabbinck voor afwegingen die ook andere consumenten elke dag maken: wat gaan we eten? ‘Kiezen voor uw gezondheid is daarbij een individuele keuze die u iets oplevert. Kiezen voor duurzaamheid levert veel minder directe persoonlijke winst op.’

Kiest u voedingsmiddelen op basis van verpakking? Of kijkt u eerder naar de impact van het hele productieproces, het transport en het gebruik? Bekijk de video en ontdek hoe verpakking bedrijven aanzet tot bijzondere innovaties.

Als professor consumentengedrag aan de UGent en researcher aan het onderzoekscentrum Be4Life weet hij maar al te goed of de consument bereid is meer te betalen voor duurzame voeding. ‘Maar wat is duurzame voeding precies? Dat is een moeilijke vraag: wat is de definitie van duurzaam? Wie louter kijkt naar de ecologische voetafdruk, merkt dat biologische voeding vaak net niet duurzamer is, omdat die meer land nodig heeft, het rendement lager is en de kweektijden langer zijn. Dat geldt zeker bij het kweken van dieren: biologische dieren “kosten” meer voeding.’

Meer betalen voor duurzaam?

Zijn kippenbatterijen of megavarkensstallen dan duurzamer dan kippen in vrije uitloop of varkens die ook buiten mogen lopen? ‘De productie van dieren in een gecontroleerde, gesloten omgeving heeft vaak minder impact op bijvoorbeeld de lucht- en waterkwaliteit omdat aan- en afvoerstromen beter gecontroleerd kunnen worden, het rendement hoger is, er minder land wordt gebruikt en/of minder pesticiden of mest nodig zijn. Maar daar wil ik meteen een kanttekening bij maken: er moet ook aan het ecosysteem gedacht worden. Willen we dieren kweken in een hermetisch afgesloten doos? Als ze opeengepakt zitten, breken veel meer ziektes uit en moet er massaal antibiotica ingezet worden. De langetermijneffecten voor de volksgezondheid zijn nog niet helemaal duidelijk. Bovendien is er nog het aspect dierenwelzijn. Als dat ook een parameter wordt, krijgt u een ander verhaal. Dan staat bio misschien wel voor duurzaam, maar ook dit perspectief moet genuanceerd worden: als we evenveel vlees blijven consumeren als vandaag, is er op aarde gewoonweg niet genoeg plaats om 100 procent bio te produceren.’U

‘Vóór de Tweede Oorlog was dagelijks vlees eten minder alomtegenwoordig dan we vaak aannemen.’ Hendrik Slabbinck, professor consumentengedrag UGent

En willen consumenten nu meer betalen voor duurzame voeding? ‘Uit alle onderzoeken blijkt van wel. Ze willen tot een kwart extra ophoesten als dat de smaak, de kwaliteit of hun gezondheid vooruithelpt. Helaas, eens ze in de supermarkt staan, blijft van die bereidheid weinig over. Dan kiezen ze meestal voor de vertrouwde merken, of merken die in promotie staan.  De prijzen van de minst duurzame producten optrekken, zou natuurlijk een oplossing kunnen zijn, maar naar wie gaat die marge dan? De boer, de agro-industrie, de retailer? En worden de laagste sociale klassen daar niet het slachtoffer van?’

Culturele identiteit

Volgens Hendrik Slabbinck kijken de vele actoren vooral naar elkaar en kan alleen de overheid het voortouw nemen. ‘Ze kan campagnes opzetten, bijvoorbeeld met influencers om ons minder vlees te laten eten. Ook subsidies zijn belangrijk en sectorfederaties zoals Fevia en Comeos kunnen voedingsinnovatie meer stimuleren. En waarom zouden we niet terugblikken naar het verleden? Vóór de Tweede Oorlog was dagelijks vlees eten minder alomtegenwoordig dan we vaak aannemen. Traditie en innovatie sluiten elkaar niet uit. We kennen in België een lange traditie in voedingsinnovatie, denk maar aan de Vlaamse asperges of Brussels sprouts. Er bestaat nu al en onbewust een grote markt voor hybride producten waarbij vlees vooral een smaakmaker is. Een vleesbroodje of boudin hoeft niet veel vlees te bevatten.’

‘En zo blijven we ook dicht bij onze cultuur, want laten we wel wezen, voeding is een van de grote bouwstenen van onze culturele identiteit. Belgen zijn gehecht aan bijvoorbeeld hun stoofvlees met frieten. Samen met de Vlaamse overheid zijn we de eiwit-eetcultuur in kaart aan het brengen. Het valt op dat er een grote gehechtheid bestaat bij symboolmomenten. Met de feestdagen of bij verjaardagen houden we van traditionele vleesgerechten. Jongeren zijn wel sneller bereid hun eetpatroon aan te passen, maar ook zijn denken vooral nog in een klassiek, traditioneel eetpatroon.’

Marketingmateriaal van de laatste kans

Hendrik Slabbinck hoedt zich voor polarisatie. ‘Ik denk dat we niet radicaal moeten inzetten op géén vlees, bijvoorbeeld. Bovendien komen er interessante producten op de markt als kweekvlees. Tegelijk stel ik vast dat de machtsconcentratie van grote spelers toeneemt. Concerns als Nestlé en Unilever leveren rechtstreeks aan de grote retailers waardoor we amper nog weten waar onze voeding vandaan komt. Ik hoop dat bijvoorbeeld de traditionele slagers, die tegenwoordig vaak meer traiteur zijn, een sterk antwoord kunnen bieden aan de macht van de grote voedingsconcerns en retailers en ook met eigen vegetarische en hybride producten op de markt komen. Daar ligt een belangrijke rol voor de horeca opleidingen.’

Tot slot heeft Hendrik Slabbinck nog een tip voor de overheid: hou de verpakkingen eenvoudig. ‘Het heeft geen zin om die vol te zetten met nummers en cijfers. Een initiatief als de Nutriscore met vijf letters werkt wel. Helaas hebben nog niet alle producten een score gekregen en is het systeem niet perfect, maar als een product een lage score krijgt, werkt dat afradend voor de consument. En misschien zal de producent aan zijn receptuur werken om beter te scoren. Hopelijk wordt ook de Ecoscore in de toekomst breder uitgerold en vooral transparanter.

‘Maar laten we wel wezen: vaak hebben we de keuze al gemaakt voor we het product in het winkelkarretje leggen. Verpakking is marketingmateriaal van de laatste kans. Het is belangrijker om vooraf na te denken over wat we eten en dat is niet alleen een taak van de consument, maar van de maatschappij in het algemeen. Trouwens, (plastic)verpakking is zeker niet altijd slecht’, besluit Slabbinck. ‘Het lijkt tegenstrijdig, maar als bijvoorbeeld groente in plastic verpakt wordt, blijft die langer vers waardoor we minder voedsel verspillen. De negatieve impact van voedselverspilling is vaak groter dan deze van verpakking.’

Logo
Tijd Connect biedt organisaties toegang tot het netwerk van De Tijd. De partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud.