De Jeff Buckley Files

(tijd-cultuur) - Het is alweer ruim vijf jaar geleden dat Jeff Buckley na een ogenschijnlijk onschuldig zwempartijtje verdronk in de Mississippi. Verrast door de niets ontziende slipstream van een plezierboot volgde hij zo ongewild zijn vader Tim, de folklegende, die een kwarteeuw eerder overleed aan een overdosis heroïne. Intussen blijkt de muzikale nalatenschap van Jeff plots veel omvangrijker dan dat ene, gracieuze plaatje waar hij de wereld mee aan zijn voeten had gekregen.

Toen we Mary Guibert, Jeffs moeder, bij de release van de live-compilatie 'Mystery White Boy' vroegen of dat meteen ook het laatste Jeff Buckley-album was dat het daglicht zou zien, lachte ze betekenisvol om daarna meteen toe te geven dat er nog veel onuitgegeven materiaal in de kluis ligt. 'Ik vergelijk Jeffs liedjes soms met truffels. Niet iedereen houdt er van, maar het zijn wel delicatessen. Prachtig en zeldzaam. Maar voor er nieuw werk verschijnt, ga ik eerst de tijd nemen om het volledige songbook samen te stellen.'

Drie jaar later is het zover. Guibert verwerkt de dood van haar zoon op haar manier. Ze coördineert de officiële Jeff Buckley-website ( www.jeffbuckley.com ) en was de drijvende kracht achter de releases van 'Sketches (for my Sweetheart, the Drunk)', de dubbele compilatie waarop onafgewerkt materiaal van Jeff mits wat studiocorrecties toch kon worden uitgebracht, het eerder aangehaalde 'Mystery White Boy' en nu ook 'The Grace Ep's'. Het betreft een fraai geïllustreerde boxset die vijf ep's bundelt - waarvan twee nooit eerder commercieel verschenen - en vanaf deze week in de winkel ligt. Eentje, een VPRO-liveregistratie van drie songs uit zijn debuutplaat, hadden we al in onze platenkast staan. De andere bevatten nog meer liveversies van reeds verschenen songs, een cover die we nog niet hoorden (een mooie, op akoestische gitaar vertolkte versie van Hank Williams' 'Lost Highway') en met de bonustrack 'Tongue' ook een nooit eerder uitgebracht nummer. De ruim elf minuten durende instrumentale jamsessie werd 'live opgenomen op een reeds bespeelde cassette' tijdens een repetitie en was duidelijk nooit bedoeld om op cd te verschijnen.

Dan heeft 'Songs To No One 1991-1992' de verstokte Buckley-fan uiteindelijk veel meer te bieden. Op deze elf tracks tellende cd is het prille talent te horen van de jonge Jeff, die na enkele teleurstellende muzikale ervaringen in L.A. zijn draai vond in de avant-gardescene van New York en zich aan de zijde van de ex-Captain Beefheart-gitarist Gary Lucas verder ontbolsterde. Het geselecteerde materiaal, dat werd opgenomen tussen november 1991 en april 1992 en vooral bestaat uit studio- en repetitiesessies, is altijd rauw, soms onvolgroeid en het pendelt tussen de traditionele invloeden uit Jeffs jeugd en het muzikale avontuur dat hem in New York en de rest van de wereld te wachten stond.

Jeff Buckley werd geboren in Zuid-Californië, waar hij via zijn moeder, een klassiek geschoolde pianiste en celliste, in aanraking kwam met muziek. Ook zijn stiefvader, een automecanicien die van rockmuziek hield, had een grote invloed op de muzikale ontwikkeling van de jonge Jeff. Op zijn vijfde vond hij de gitaar van zijn grootmoeder en leerde hij zichzelf gitaar spelen; op zijn dertiende schreef hij zijn eerste song; op zijn zeventiende stopte hij met studeren en trok hij naar Hollywood. Daar zou hij de sfeer opsnuiven in een aantal rock- en reggaebands tot hij in 1991 besloot naar New York te verhuizen. Hij nestelde zich in de Lower East Side, waar hij zich verrassend vlug thuisvoelde.

Daar zorgde onder meer de gitarist Gary Lucas voor: 'Ik ontmoette Jeff voor het eerst naar aanleiding van een tributeconcert voor zijn vader Tim in St. Ann's Church in Brooklyn. Dat was in de lente van 1991. Hal Willner, een vriend van me die het eerbetoon organiseerde en recenter ook verantwoordelijk was voor de productie en de liedjesselectie op 'Songs To No One', dacht dat ik de geknipte persoon was om hem op te vangen. Ik nodigde hem uit bij me thuis, speelde hem iets voor en hij begon meteen te zingen. Ik was verbluft door zijn stem en zijn charisma. Hij vertelde me nog dat ik me niet hoefde voor te stellen. Hij kende mijn werk van Captain Beefheart en kon zich makkelijk terugvinden in mijn experimentele stijl. Hij wou zelf ook grenzen verleggen, zei hij me nog. In eerste instantie oefenden we een versie in van 'The King's Chain' (uit het Tim Buckley-album 'Sefronia'), maar niet veel later begonnen we zelf ook muziek te schrijven. We werkten op twee manieren. Ofwel improviseerde ik wat op mijn gitaar en begon Jeff er meteen over te zingen. Zo is 'Blue Bird Blues' ontstaan, een nummer dat spijtig genoeg nog niet is uitgebracht. Ofwel schreef ik instrumentale gitaarstukjes, die later de funderingen van songs werden. Ik gaf ze aan Jeff, die later kwam aanzetten met de melodie en de tekst. Zo zijn 'Mojo Pin' en 'Grace' ontstaan.'

Het zijn meteen ook de twee tracks die Jeffs debuut zouden halen. Lucas: 'Ik weet dat er nog enkele andere nummers waren waar Jeff zielsveel van hield, maar hij moest ook aan zijn eigen carrière denken, een band vormen, zelf songs schrijven.' Tijdens een van zijn soloperformances merkte een talentscout van Columbia Records hem op. Zijn debuut-ep 'Live At Sin-é' telt vier nummers en werd opgenomen in een koffiebar in East Village. Twee van de tracks waren covers. Versies van Edith Piafs 'Je N'en Connais Pas la Fin' en Van Morrisons 'The Way Young Lovers Do' zijn opnieuw te horen op de zopas uitgebrachte ep's. Nadat hij een contract met Columbia versierd had, scheidden de wegen van Buckley en Lucas, zonder dat ze elkaar daarom uit het oog verloren. Ze bleven contact houden en enkele maanden voor Jeffs tragische dood vroeg hij Lucas zelfs opnieuw enkele instrumentale stukjes te componeren. Lucas: 'Ik zag hem nog aan het werk tijdens een concert in de Knitting Factory. Hij riep me mee op het podium. Ik was gepakt. Daarna overhandigde ik hem een viertal nieuwe tracks, maar ik zou nooit te weten komen wat hij er mee zou doen, want enige tijd later was hij er plots niet meer.'

'Ik werkte na Jeff nog met vele andere zangers en zangeressen samen, maar met niemand kon ik dezelfde band smeden. Toen ik hem de fundering van 'Grace' aanreikte, heette dat nummer nog 'Rise Up To Be'. Dat was een boodschap van mij aan Jeff: 'Benut al je talenten zodat niet alleen ik, maar ook de rest van de wereld ermee in contact komt.' Omdat hij daar nu zelf niet meer voor kan zorgen, ben ik blij dat 'Songs To No One' eindelijk in de winkel ligt. Ik hoop innig dat het daar niet bij blijft en er ook nog een 'Songs To No One Volume II' verschijnt, want er zijn nog zoveel tracks die jullie niet kennen: zowel origineel materiaal - voor de vuist weg zie ik nog minstens vijf nummers uit onze gezamenlijke sessies die het waard zijn op cd uitgebracht te worden - als covers. Ik nam met Jeff naast een handvol Bob Dylan-songs, zoals 'Farewell, Angelina', bijvoorbeeld ook nog een prachtige versie van Van Morrisons 'Sweet Thing' op.'

Ten slotte: zou hij, die uiteindelijk slechts één langspeelalbum uitbracht tijdens zijn leven, het goed gevonden hebben om haast alles wat hij ooit opnam, ook al was het onvolkomen, uit te brengen? 'Ik kan natuurlijk niet voor hem spreken, maar ik weet dat hij achter deze songs stond en dat hij heel graag met me samenwerkte. Dus in dit geval denk ik het wel.'

'Songs To No One 1991 - 1992' is uit op Knitting Factory Records en wordt verdeeld door Bang!. 'The Grace Ep's' zijn uit op Columbia en worden verdeeld door Sony

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud