Jan Fabre over 'Parrots and guinea pigs': Perverte knuffeldieren

Jan Fabre verkeert blijkbaar in topvorm. Het is hem nauwelijks aan te zien dat hij zowat gelijktijdig in het Gentse S.M.A.K. een overzichtstentoonstelling van zijn filmwerk opbouwde, de laatste hand legde aan het kunstwerk voor de Spiegelzaal in het Koninklijk Paleis in Brussel en de nieuwe theatervoorstelling 'Parrots and guinea pigs' in elkaar bokste. Een gesprek, te midden van de hectische drukte op het Troubleyn-kantoor.

Voor deze voorstelling schreef Jan Fabre vooraf een nieuwe tekst, maar helemaal tevreden was hij niet. 'Mijn eerste teksten kwamen er in een keer uit, als een gulp. Later ging het schrijven mij heel wat moeilijker af, omdat ik er veel zelfbewuster mee omging. Dat werkt soms remmend. Voor deze voorstelling had ik een eerste tekst gemaakt, maar ik ben die tijdens de repetities voor de voorstelling gaan herwerken. De gebeurtenissen tijdens de dag vormden een voedingsbodem voor mijn nachtelijke schrijfwerk en omgekeerd. Zo ben ik tot de essentie kunnen gaan van waar het in deze voorstelling om draait. Dat vormt een belangrijk verschil met eerdere voorstellingen. 'As long as the world needs a warrior soul' was gebaseerd op een tekst van Dario Fo, en die wilde ik ten volle respecteren. Dat geeft een heel andere verhouding tussen enscenering en tekst. In 'Je suis sang' had ik de tekst op voorhand volledig uitgeschreven. Ook daar speelde het respect voor de tekst, al was het dan mijn eigen tekst, een doorslaggevende rol. Nu ging het om een wisselwerking.'

'Parrots and guinea pigs' herneemt heel wat motieven en ervaringen van vroeger werk. 'De voorstelling gaat om te beginnen terug op een vroegere ervaring met papegaaien. Voor 'Theater zoals te verwachten en te voorzien' probeerde ik twee papegaaien de titel te leren zeggen. Eindeloos zei ik hun de titel en het jaartal voor, maar uiteindelijk kwamen ze niet verder dan 't is theater'. Ik voelde me op de duur meer papegaai dan de papegaaien zelf. Meestal gaat een papegaai door voor het symbool van de gedachteloze herhaling, maar dat klopt niet, want die dieren herhalen iets alleen wanneer het hen zint. Daardoor wordt hun herhaling ook steeds een commentaar op het verleden. Je zou kunnen zeggen dat een papegaai daarom gelijkt op de kunstenaar, die ook steeds herhaalt wat voor hem gedaan is, maar daar tegelijk commentaar op geeft. Als ik papegaaien gebruik, verwijs ik natuurlijk ook naar het werk van Marcel Broodthaers. 'Iedereen is Marcel de mosselman' luidt het in de tekst. Maar ik neem daarin ook een positie in. In deze voorstelling heb ik van de papegaai een soort god gemaakt, maar dan een met een minder ambitieus project dan de gebruikelijke god. Hij gaat een mens kopen.'

'Een ander aanknopingspunt was de voorstelling 'Wie spreekt mijn gedachte', waarin Mark 'Moon' Van Overmeir, gehuld in een reusachtig konijnenpak, zich met elektrische schokken liet testen. Hetzelfde beeld van het knuffeldier zit ook al in mijn 'Wetskamer', een plastisch werk waarin ik inmaakpotten, 'weckpotten', vulde met pluchen beesten en insecten. Wat mij bezig houdt is de dubbelzinnigheid, zelfs perversie van knuffeldieren. Die dingen zijn bedacht als een soort pleister voor de grote wonden die volwassenen kinderen aandoen. Je weet dat president Roosevelt behoorde tot een club rijke berenjagers. Toen het protest tegen die berenjacht te grote vormen aannam bedacht zijn omgeving de teddybeer, die zijn voornaam draagt, als een afleidingsmanoeuvre om het publiek te sussen. Rond knuffels hangt overigens veel vals sentiment: als je ziet wat kinderen hun knuffeldieren aandoen, dan zie je ook daar een perverse instelling. De acteurs dragen in deze voorstelling dus grote knuffeldierpakken.'

Daarmee is een belangrijk thema van de voorstelling aangesneden. 'Ik ben gefascineerd door de theorieën van Conrad Lorenz. Je zou hem de eerste dierenfilosoof kunnen noemen. Hij vergeleek het gedrag en de rituelen van mensen met die van dieren, en merkte op dat er minder onderscheid is dan we gewoonlijk denken. Deze voorstelling vraagt zich af waar het onderscheid tussen mens en dier ligt, zonder te vervallen in de moralistische lezing als zou een mens schuldig zijn en een dier onschuldig. Ik gebruik daarvoor twee sleutelbegrippen. Het brein van een dier zou je kunnen omschrijven als een boot met 25 kapiteins, 25 instincten, die door elkaar bevelen schreeuwen. Die verzameling van kapiteins noem ik het 'parlement van de instincten', het eerste begrip. Bij de mens is het nauwelijks anders, met dat ene grote verschil dat de kapiteins op de mensenboot wel overleg plegen, en zich vragen stellen over de rol en het gevolg van hun instinctieve handelen. Dat overleg noem ik het 'circus van emoties'. Bij kinderen merk je dat dat circus van emoties nog niet ontwikkeld is, zodat zij op louter dierlijke wijze verschillende instincten door elkaar kunnen botvieren, zonder besef van moraliteit. Ze vallen ook veel makkelijker terug op primitieve instincten om zichzelf te handhaven. Het is pas als we het kind schaamte opdringen dat het dierlijke terugtreedt. Dan wordt het plots afkerig van zijn eigen uitwerpselen en lichaamsvocht. Dat gaat gepaard met een besef van het gelaat. In extreme noodsituaties komen die primitieve instincten echter terug. Joden die bij hun deportatie soms dagenlang opgesloten werden in overvolle wagons dronken hun eigen urine en zweet om te overleven. Een verdrongen animistisch lichaam dient zich plots in alle hevigheid terug aan. Je gaat je eigen lichaam gebruiken om te overleven. Je ontdekt terug het vermogen tot zelfgenezing, dat alle dieren spontaan kennen. Hetzelfde heb je met carnaval: als het gelaat onzichtbaar wordt gemaakt, dan vervallen tegelijk ook alle remmingen. Je wordt terug dier.'

'De vraag waarmee ik naar de acteurs toestapte bij het begin van de repetitieperiode was: wie is een proefkonijn? Door improvisaties kwam de essentie van die vraag steeds scherper in beeld. De acteurs beginnen zichzelf als schietschijf, als proefkonijn te gebruiken om die vraag op te lossen. De dierenpakken spelen daarin een kapitale rol. Ze zijn heel zwaar en log om te dragen. Op die manier dwingen ze de acteurs tot een metamorfose, waarin ze haast organen van hun pak worden. De vraag wat het dier voor hen betekent, wordt zo zeer concreet. Ik dwong ze ook om langdurig in dat pak te blijven, omdat ik weet dat die beklemming een bijzondere geestestoestand uitlokt. Ik heb dat zelf ervaren bij mijn 'Sanguis Mantis'-performance in 2001 in Lyon. Gedurende vijf uur was ik opgesloten in een hermetisch afgesloten harnas. Ondertussen tapte ik mijn bloed af om te tekenen. Op de duur ga je van pure uitputting en dorst je eigen zweet drinken: je valt terug op je animistische lichaam. Dat overkwam ook de acteurs hier. Ik liet ze niet toe om te drinken of te eten tot ze door de grens gingen waarbij ze hun eigen zweet gebruikten om hun dorst te lessen. Ik heb in mijn vroegere voorstellingen al vele toestanden van het lichaam onderzocht: het fysieke lichaam in 'Sweet Temptations', het spirituele in 'Universal Copyrights', het erotische in 'Glowing Icons'. En nu dus het animistische lichaam.'

'Parrots and guinea pigs' beleeft zijn Belgische première in de Brugse Magdalenazaal op 5 november om 20u30 en is op dezelfde plaats, zelfde uur nog te zien op 6, 7, 13, 14 en 15 november. Tickets en informatie on line via www.tinck.be .

Vanaf het begin van zijn carrière inspireerde het werk van Jan Fabre veel auteurs met naam en faam tot belangwekkende teksten. Vaak werden die teksten ook gebundeld in boeken die verschenen naar aanleiding van een of ander project. Kort na elkaar verschenen nu weer twee boeken over het werk van Fabre. 'Heaven of delight' is volledig gewijd aan het werk dat Fabre ontworpen heeft voor het plafond van de spiegelzaal van het koninklijk paleis. 29 jonge kunstenaars en restaurateurs waren, onder leiding van Fabre, maandenlang bezig om de pantsers van meer dan een miljoen juweelkevers op het plafond en de luster van deze zaal te kleven. In de over elkaar krioelende reflecterende schildjes lichten allerlei motieven op, waardoor het werk de herinnering oproept aan oude plafondschilderingen met voorstellingen van het uitspansel. Even goed verwijst het werk ook naar Fabres vroegere bictekeningen: ook daar doken uit de wemeling van lijnen in het reflecterende bicblauw vele fantastische figuren op. In een begeleidend essay verbindt Stefan Hertmans dit werk met alle eerdere motieven uit Fabres plastisch werk. Tegelijk toetst hij Fabres demarche aan de geschiedenis van de schilderkunst, in het bijzonder de traditie van de plafondschildering. Hij plaatst hem echter ook nadrukkelijk binnen de postmoderne kunstopvatting.

Ook Roger H. Marijnissen alludeert in zijn nogal wijdlopige bijdrage op Fabres herdefiniëring van klassieke beeldmiddelen. Hij verbindt die met zijn onder hedendaagse kunstenaars haast uitgebannen passie voor de idee van Schoonheid. Marijnissen roemt de spiritualiteit in Fabres werk en legt zonder verpinken een verband tussen 'Heaven of Delight' en laat-middeleeuwse meesterwerken als Bosch' 'Tuin der lusten'.

De opmerkelijkste bijdrage aan het boek komt echter zonder twijfel van fotograaf Dirk Braeckman. Hoe moeilijk het ook is om het spel van licht op de keverschilden in foto's te betrappen, met zijn (bijzonder fraai afgedrukte) foto's van het werk en van de voorbereidende arbeid slaagt Braeckman er toch in om de magie ervan op te roepen.

'Engel van de metamorfose' is een bundeling van teksten die Stefan Hertmans de afgelopen acht jaar schreef over het werk van Jan Fabre. Deze teksten zijn ten dele gelegenheidsteksten, ten dele zelfstandige essays die op diverse plaatsen en in verschillende talen verschenen. Ze bestrijken zowel het theatrale als het plastische oeuvre van Fabre, en reveleren daardoor de vele kruisverbanden maar ook verschillen die tussen beiden bestaan. Met zijn grote eruditie trekt Hertmans vele, soms onverwachte, verbindingslijnen tussen het werk van Fabre en de kunstgeschiedenis. Door deze teksten in een bundel samen te brengen komt Hertmans' specifieke benadering van het oeuvre beter tot zijn recht dan in de afzonderlijke, soms ook moeilijk vindbare, oorspronkelijke uitgaven. De herhalingen die onvermijdelijk optreden neem je dan ook voor lief. Het voorlaatste essay, 'There's no getting used to art' is overigens een nieuwe tekst die nader ingaat op het belang van de tekening in Fabres ontwikkeling. Deze tekst biedt veel aanknopingspunten met de thematiek van 'Parrots and guinea pigs', in het bijzonder waar Hertmans het heeft over de 'Sanguis Mantis'-performance in Lyon in 2001 en het onderliggende idee van het animistische lichaam.

'Heaven of delight' is een uitgave van het Mercatorfonds en is te bestellen

via www.fondsmercator.be .

'Engel van de Metamorfose' van Stefan Hertmans is een pocketuitgave van Meulenhoff.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud