Roland Barthes: Massamedia, massamythe

(tijd-cultuur) - Van de beeldindustrie tot de metaforen uit de reclamewereld: stereotypen zijn overal aanwezig. Barthes probeerde ze te ontmaskeren. Met zijn 'Mythologieën' (1957), recent uitgegeven bij IJzer in een herziene vertaling van Kees Jongenburger, ontvouwt hij het raderwerk van de benauwde, kleinburgerlijke retoriek.

Over zeeppoeders en wasverzachters hoort men onwaarschijnlijke banaliteiten. Roland Barthes (1915-80) ontwaarde in het discours over consumptieproducten een vanzelfsprekend, mythologisch karakter. Wat historisch en veeleer toevallig is, wordt bij herhaling natuurlijk en eeuwig. Zeeppoeders 'verjagen' het vuil door hun dieptewerking. Wasverzachters suggereren 'lichtheid' en 'veerkracht'. De mythologie is dan ook voornamelijk een tweede taal, een metataal, die zich op een eerste tekensysteem komt enten.

Barthes toont bijvoorbeeld hoe de kapsels van de Romeinen in de film 'Julius Caesar' van Mankiewicz meer dan voorspelbare rekwisieten zijn. Wat oorspronkelijk alleen maar de keuze van de regisseur was - de Romeinen voorstellen met ponyhaar, naar een geijkt historisch patroon - wordt langzaam een verplicht attribuut. Ondanks enkele variaties, past de Romein met weinig haar na Mankiewicz niet meer in het beeld dat de mythe wenst over te dragen: 'Bij sommigen krullend, bij anderen touwachtig, in een kuif, geolied, bij allen keurig gekamd; kalen zijn niet toegestaan hoewel die in de Romeinse geschiedenis veel voorkwamen.' Aldus Barthes.

Toch is de mythologie niet zondermeer leugenachtig. Men kan niet beweren dat de getoonde voorstellingen niet tot de historische werkelijkheid behoren. Zeeppoeders kunnen het vuil verdelgen, wasverzachters maken het linnen meestal soepel en in de eerste eeuw voor Christus beantwoordde de haargroei van de Romeinen wellicht aan de normen die Mankiewicz vooropstelt, enz. Maar meer nog dan de waarheid te verduisteren, leidt de mythe tot verarming en reductie. Wat afwijkt van de burgerlijke retoriek past niet langer in de beeldvorming. 'Heel Frankrijk baadt in die anonieme ideologie: onze pers, onze films, ons toneel, onze meest verbreide literatuur (_) alles in ons dagelijks leven heeft te maken met de voorstelling die de bourgeoisie voor zich en voor ons vormt over de relatie tussen de mens en de wereld. Deze genormaliseerde vormen zijn weinig opvallend, juist doordat ze zo verbreid zijn.' En zo komt het dat het kapsel van de Romeinen onberispelijk blijft, zelfs bij nacht en ontij: men leeft in een wereld 'waar de Romeinen Romeins zijn door het overduidelijke teken van het haar op hun voorhoofd'.

In tegenstelling tot moralisten zoals La Bruyère of La Rochefoucauld ontmaskert Barthes niet de schijn achter de werkelijkheid. Hij laat eerder zien hoe vervreemding optreedt wanneer men het personage of het object van zijn diepgang berooft. Een mythologisch discours is in essentie pleonastisch of tautologisch. Het zweet dat bij close-ups de Romeinse gezichten bedekt is een zelfgenoegzaam teken. Het toont met een grote evidentie zowel de kracht van hun inspanning als de hardheid van hun bestaan. Het kleinburgerlijke bewustzijn van deze voorstelling mist door deze duidelijkheid van tekens subtiliteit. Het wil overduidelijk intenties aangeven (zweet als inspanning), maar ook een spontane vorm aannemen. Het is kunstmatig aangebracht, maar wil zich ook als natuurlijk doen gelden.

Ten aanzien van deze beelden en hun 'overstelpende duidelijkheid' heeft de mytholoog, hij die de mythes ontcijfert, een moeilijke taak. Hij kan deze mythologieën enkel bestrijden door een 'tegenmythe', een tegentaal te ontwerpen. Deze activiteit vergt een juiste inschatting van de werkelijkheid. Het komt er niet op neer een betere of zuiverdere taal te ontwikkelen, die verschilt van de massacultuur, maar wel een correctie aan te brengen door middel van taal. De mytholoog moet de 'doksa', de publieke opinie, aan een kritisch discours onderwerpen. Barthes richt zijn pijlen altijd op dezelfde tegenstanders: de intimiderende ideologie in de rechtbank of tempel, de verwaterde christelijke moraal, de clichés in vrouwenbladen.

Het werk van de mytholoog is niet enkel een talige aangelegenheid. Hij moet zijn kritische evaluatie coherent opbouwen met oog voor zijn persoonlijke waarheid. Ten slotte vraagt deze ontmaskering ook om een 'menselijke' juistheid. Hij die mythologieën beschrijft, moet de ander zien in zijn 'anders zijn'. De burgerlijke spraak herleidt de ander te gemakkelijk tot een kopie van het ik: het marsmannetje is, op zijn groene kleur na, vergelijkbaar met de aardbewoner, reclame voor speelgoed toont hoe het kind voor vele consumenten een miniatuurvolwassene is. Mythologieën produceren dubbelgangers, creaties die identiek zijn aan het zelfbeeld.

De analyse van mythes lijkt een moeilijke evenwichtsoefening. De rol van de mytholoog is enigszins ambigu, omdat hij enerzijds gevormd is door een cultuur waarvan hij de waarden en smaken overneemt en anderzijds, van een zekere afstand, de rol van kritische lezer moet vervullen. Barthes gebruikt hetzelfde vocabularium, dezelfde taal als de media die hij beschrijft. De ontmaskering kan dus niet plaatsvinden buiten de retoriek van de mythe. Ze kan slechts ontstaan door de wereld opnieuw te benoemen, door de juiste woorden en visie in de plaats te stellen van reductie en verarming.

'Mythologieën' van Roland Barthes in een vertaling van Kees Jongenburger, 2002, Utrecht, IJzer, 2002 (1957 Le Seuil), 272 blz., ISBN 90-74328-53-9.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud