Jaarboek Architectuur Vlaanderen: interactie essay en project

Het vijfde Jaarboek Architectuur Vlaanderen getuigt volgens zijn samenstellers van "kentering en continuïteit". Een nieuwe werkwijze is de manier waarop geselecteerde projecten tussen de essays zitten geweven, waardoor een dialoog ontstaat tussen theorie en praktijk, object en argument, tekst een beeld.

Inhoudelijk staat de vijfde edite uitgebreid stil bij de architectuur van bedrijfsgebouwen en voorbeelden van "duurzame" architectuur, die een oude "schelp" nieuw leven inblaast. In deze hoofdstukken rendeert de nieuwe aanpak optimaal en wordt het essayistisch vertoog opgebouwd uit een vergelijkende kritiek van het opgenomen architectuurwerk. Daarnaast bevat het Jaarboek ook de "klassieke" hoofdstukken over het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, sociale woningbouw en stadsontwerp.

In vorige edities van het jaarboek hanteerden de samenstellers een strikte dichotomie tussen een tekstdeel en een projectendeel. In het eerste deel konden naar hartelust strategieën en argumentaties worden ontwikkeld, in het tweede werden foto's, plannen en korte beschrijvingen van geselecteerde bouwwerken geacht voor zichzelf te spreken.

Die aanpak was het gevolg van een "oud tweespalt tussen een programmatische en een objectgerichte visie op kwaliteit", zo legde redactielid prof. André Loeckx dinsdag uit bij de voorstelling van het Jaarboek. Vlaamse juryleden wilden wel eens de voorkeur geven aan een bouwwerk dat misschien niet architecturaal briljant was, maar een exemplarisch voorbeeld van een gewenste strategie. Buitenlandse juryleden, minder vertrouwd met het terrein, vielen noodgedwongen terug op meer objectsgerichte kwaliteitscriteria van de internationale architectuurscène.

Die steriele tegenspraak heeft in dit jaarboek plaats geruimd voor een spannende "mélange" in negen hoofdstukken. Nieuw is de aandacht voor het bedrijfgebouw dat zich blijkbaar in een "staat van genade" bevindt. Bedrijven ontdekken architectuur als middel om uitdrukking te geven aan hun "corporate identity", wat voor de architect resulteert in een strijd tussen het eigen ontwerp en de verwachtingen van de opdrachtgever. Soms levert dat niet meer dan een modieus logo voor het bedrijf op, in andere gevallen een door de firma gewenste anonimiteit. Heel af en toe haalt de eigenheid van de architectuur de bovenhand.

Auteur Maarten Delbeke wijst op de intieme verwantschap die er in KMO-Vlaanderen bestaat tussen steenweg, bedrijf en villa, die soms zelfs aanleiding geeft tot een gemeenschappelijke vormentaal: "Het bedrijfsgebouw blijkt zich steeds beter te voelen in de precieuze en minimalistische jas van zijn buren uit de naastgelegen verkaveling".

Die Vlaamse villa is intussen een "verdacht genre" geworden. Het jaarboek bevat enkele sublieme exemplaren, die echter niet altijd even stedebouwkundig correct zijn. De ontwerpers moeten het overigens steeds vaker stellen met kavels van mindere kwaliteit: slecht gelegen of benepen restpercelen, wat leidt tot verrassende resultaten.

Een oud zeer is volgens het jaarboek de kwaliteit van de sociale woningbouw, die er maar niet in slaagt de "genormaliseerde banaliteit" te overstijgen. Om stigmatisering van de sociale huurder of koper te voorkomen, springen onopvallende "kameleonwoningen" vooral niet uit de band, wat zelden leidt tot architecturale hoogstandjes. Bovendien blijft er een nijpend tekort waardoor de sector het huisvesten van kansarmen, vreemdelingen of grote gezinnen moet overlaten aan de private markt.

(bron: Belga)

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud