Bankier en kunstliefhebber Paul Tanghe schrijft boek over zin, onzin en waanzin van hedendaagse kunst

(tijd) - Als hoofd van Cera Foundation is hij de grondlegger van een belangrijke Belgische hedendaagse private kunstcollectie, waarvan een groot deel dit weekend nog te zien is het Antwerpse MuHKA. Hij is de man achter de beeldende kunstmanifestatie 'Vlucht over België', met tentoonstellingen en lezingen rond hedendaagse kunst die de voorbije maanden overal in ons land konden worden bezocht. En zopas verscheen zijn boek 'Toeternitoe. Zin, onzin en waanzin van de hedendaagse beeldende kunst' bij Lannoo. Daarin legt de bankier en kunstliefhebber Paul Tanghe (°1942) een getuigenis af over zijn passie en schrijft hij over de precaire fase waar de hedendaagse beeldende kunst vandaag in gekomen is.

Het gesprek heeft plaats in de kantoren van Cera Holding, gehuisvest in de gloednieuwe, prestigieuze Philipssite in Leuven. In het kantoor van Paul Tanghe staan of hangen normaal heel wat beeldende kunstwerken, maar de meeste zijn weg, naar een of andere tentoonstelling. 'Vond u mijn boek niet te moeilijk?', begint hij het gesprek zelf als vraagsteller. Moeilijk zeker, maar ook boeiend, antwoord ik. Want Paul Tanghe haalde, naast studies rechten en economie ook een licentiaat in de filosofie en dat loopt als een rode draad door het boek.

Paul Tanghe: 'Toen ik 52 was, ben ik opnieuw filosofie gaan studeren, zes jaar lang. Dat was niet vanzelfsprekend in mijn job, maar ik volgde zoveel mogelijk lessen en legde examens af in september. Ik vond dat ik met de filosofie een betere onderbouw kreeg voor mijn kunstervaring. Tegelijk zag ik de malaise rondom mij: ik had veel contact met ongelukkige kunstenaars, maar ook collega's in mijn werkomgeving plaatsten vraagtekens bij de hedendaagse kunst. Het was duidelijk dat er een probleem was. Toen heb ik gezegd: bon, ik ga neerschrijven wat ik in mij heb. Omdat ik nu al 40 jaar gepassioneerd ben door kunst.'

Wat u in uw boek zegt, is vrij duidelijk: wie zich niet wil inspannen voor de kunst, begint er beter niet aan. De inspanning van de toeschouwer is te vergelijken met de zware inspanning die de kunstenaar levert bij de creatie van een kunstwerk.

Tanghe: 'Dat klopt. Het veronderstelt een vorm van onthaasting. Ik moet bekennen: als ik in Brussel ben en ik heb een half uurtje tijd, loop ik een tentoonstelling binnen. Ik gedraag me dan een beetje zoals een cowboy: ik schiet van het ene naar het andere. Maar ik noem dat een verkenning, en ik zie snel of het de moeite is of niet. En als het de moeite is, kom ik terug. Ik bereid me er dan op voor, ook mentaal, met mijn vrouw eventueel, met vrienden. Het vraagt dus inspanning en concentratie, en dat is in deze tijd niet vanzelfsprekend. Overigens, als ik naar een tentoonstelling ga, zal ik nooit met mijn vrouw de hele tijd 'samen kijken'. Ik moet alleen tegenover een werk staan, naakt tegenover de kunst. Je verbergt je niet, je moet je zonnebril afzetten. Je moet gegrepen worden door de blik van en op het werk.'

Is een zekere vorm van elitarisme in deze niet onvermijdelijk en zelfs gewenst?

Tanghe: 'Ik zou niet durven zeggen dat dat wenselijk is, maar het zal altijd zo zijn dat niet iedereen daarvoor openstaat. Niet iedereen kan en wil die tijd, die ontvankelijkheid opbrengen. Kunst maken voor de massa is een contradictio in terminis. Als je de kunst te veel populariseert, ga je naar entertainment. En daar heb ik een hekel aan, tenminste als het om kunst gaat. Want uiteraard hou ik van plezier en ontspanning, maar dan op die plaatsen waar ik het verwacht. Ik heb zeven kleinkinderen, ik ga graag met hen eens naar een pretpark, ik ken ze bijna allemaal in België. Maar daar verwacht ik ook entertainment. Als ik naar een tentoonstelling ga, verwacht ik iets anders.'

In het eerste deel van uw boek legt u uit waar hedendaagse kunst vandaan komt. En u maakt een frappante opmerking: 'Kenmerkend is dat hedendaagse beeldende kunst het fotografische beeld, zoals de fotografie, video of film volledig heeft geïntegreerd in de artistieke productie. Achteraf beschouwd zou dit wel de belangrijkste revolutie en innovatie kunnen geweest zijn.' Waarom is er in die jongste 40 jaar zo'n aandacht gekomen voor het fotografische beeld?

Tanghe: 'Ik ben altijd gefascineerd geweest door fotografische beelden. Ik was een vriend van Marcel Broodthaers, ik ging Jean-Luc Godard opzoeken in Parijs: het waren kunstenaars die daar intensief mee bezig waren. Ik hou van schilderkunst, maar ik moet zeggen dat ik dikwijls veel meer getroffen word door fotografische beelden. Onlangs zag ik nog een foto van de vrouw van Dalí in een tijdschrift en daarnaast het schilderij dat hij van haar had gemaakt: ik vond die foto veel aangrijpender dan het schilderij. Een van de hedendaagse gevoeligheden is, denk ik, dat men op een zeer directe manier naar de realiteit wil, zonder veel metaforische tussenstappen zoals dat heet. Die directheid is veel groter in de fotografische kunst dan in de schilderkunst of de beeldende kunst.'

Is het ook niet een vorm van hedendaagse intellectuele luiheid? Om sneller tot de kern te komen?

Tanghe: 'Tja, kijk naar de publiciteit van het kledingmerk Benetton bijvoorbeeld. Vandaag probeert men instantervaringen te creëren, beelden die op het netvlies blijven hangen. Ook mij overkomt het. Het is die snelheid van ervaren en van leven die wellicht aanleiding is om naar het fotografische te gaan. Dat speelt zeker mee, het is een eigentijdse uitdrukking van ons gebrek aan onthaasting. Daarom is het ook zo moeilijk in de fotografie, de video of de film het kaf van het koren te scheiden. Het effect is sneller verdwenen dan wat je ervaart bij het bekijken van een schilderij van Raoul De Keyser, om maar iemand te noemen.'

U zegt in uw boek dat omgaan met kunst meer is dan een spel of een rite, u maakt een vergelijking met de religieuze ervaring.

Tanghe: 'Ja, maar dat heeft niks met geloof te maken, als u dat bedoelt. Ook vrijzinnige denkers als Leo Apostel verdedigen de religieuze ervaring vanuit een niet-theïstisch standpunt. Neem een zonsondergang. De ene zal zeggen: de zon is rood, morgen krijgen we wind. Maar de andere wordt erdoor getroffen, wordt door dat beeld geconfronteerd met zijn eigen eindbestemming - de dood dus - en voelt een soort verbondenheid met een kosmische eenheid. Daarmee kom je in het religieuze. Als een ervaring een sterke existentiële dimensie heeft, kom je al snel in wat ik de religieuze ervaring noem. Dat is veel ruimer dan de geloofservaring.'

Essentieel is volgens u het sublieme in de kunst. Het is een begrip dat verschillende filosofische interpretaties kent. Hoe legt u dat uit ?

Tanghe: 'Het eerste gevoel van het sublieme in de kunst is het gevoel van vergankelijkheid, het breekbare. Het is een broze vorm van blijheid om het schone. Het tweede is een verlangen naar volmaakte schoonheid. Maar dat is een verlangen waaraan nooit voldaan wordt. Wat schoon is, kan pijn doen. Dat kan zelfs dramatische dimensies aannemen, bijvoorbeeld in de abjecte kunstvormen, zoals het werk van Robert Morris (Morris maakte kunstwerken met afval, MR). In het abjecte wordt de bescherming van de vorm doorbroken. Vormloosheid, chaos, het doorbreken van regels, het opgaan in de roes van de absolute vrijheid. Maar onvermijdelijk komt dat verlangen naar orde terug, en tegelijk die angst voor het eindige, de dood. Dat is allemaal bijzonder intens.'

U verbindt daar ook, en dat vind ik wel mooi, de notie van de kwetsuur mee.

Tanghe: 'Absoluut. Voor mij heeft het sublieme te maken met een existentieel gemis, uiteindelijk met de angst voor de dood en de kwetsuur die die angst meebrengt. Deze dagen zie je die kleine bloempjes uit de grond komen, de krokussen. Je zou ze graag willen vasthouden, maar na een week zijn de bloempjes verwelkt. Hetzelfde gebeurt als je jarig bent: er wordt gefeest, maar je voelt je toch een jaar ouder, het is een onbehaaglijk gevoel. Die kwetsuur breekt telkens weer door.'

Toch bent u, als we het laatste deel van uw boek mogen geloven, redelijk ontgoocheld in de hedendaagse kunst, omdat die te veel in de spektakelsfeer zit. U rekent er zelfs op dat er een tegencultuur opstaat.

Tanghe: 'Het spektakel neemt zeer zeker toe, maar ik ga geen voorbeelden geven, want ik wil geen kritiek uitoefenen op individuele kunstenaars. Op de jongste biënnale van Venetië was het ook weer goed raak. Maar tegelijk liep niet ver van ons hotel een tentoonstelling van twee Zwitsers in een kerk, echt een sublieme installatie. Mijn vrouw en ik zijn daar iedere morgen een uur naartoe geweest, voor we de boot namen naar de biënnale. Het is jammer dat kunst meer en meer tot entertainment herleid wordt. Er zijn nu al vernissages met fuif, ook al zie ik daar nooit iemand dansen. Ik heb niets tegen dansfuiven, integendeel. Maar ik ben dikwijls ontgoocheld over de kwaliteit van de kunst vandaag. Ik denk natuurlijk dat ik er iets van ken, u zal dat ook wel van uzelf denken. En dat hoort ook zo te zijn. Als je iets goed vindt, dan kom je er ook voor uit, doe je ook uitspraken en getuig je daarvan. Jongere kunstenaars zoals Honoré d'O of Joëlle Tuerlinckx bijvoorbeeld vind ik goed. Ik blijf hen volgen. Ik ga ook zeker naar Den Haag, om de tentoonstelling van Hans Op de Beeck te zien. Daar zie ik toch voorzichtige signalen van een nieuwe tegencultuur.'

Is er in die optiek geen behoefte aan een sterker beeldendekunstenbeleid vanuit de overheid? Of zegt u, als man van de privé-sector: de overheid moet zich daar niet mee bemoeien?

Tanghe: 'Nee, de overheid moet zich daar zeker mee bezighouden. Maar dan wel in samenspraak met de andere actoren. Museumdirecteurs, curatoren, verzamelaars, mecenassen, critici, allemaal moeten ze een rol spelen. We moeten ons verzetten tegen de verloedering, tegen de zucht naar entertainment. Ik heb zelfs nu en dan schrik van die massacultuur, het is in naam van de zogeheten massacultuur dat onder de culturele revolutie van Mao alle intellectuelen vermoord zijn in China. Hetzelfde is gebeurd in Cambodja of onder Stalin en Hitler.'

Uit het initiatief 'Vlucht over België' van de Cera Foundation is het boek 'Decennium' voortgesproten, dat in twee delen is uiteengevallen. De opzet was een beeld te schetsen van de Belgische kunst van de voorbije tien jaar. De interessantste tekst, waarin Koen Brams en Dirk Pültau een scherpe analyse maken van die periode, is een beetje weggemoffeld in dat tweede deel, dat in alle stilte is uitgebracht. Is dat niet jammer?

Tanghe: 'Achteraf beschouwd had ik wellicht beter één boek gehad, maar bon. De bedoeling was in feite een artistiek beeld te schetsen van een generatie kunstenaars die op kruissnelheid gekomen is na de Documenta IX in 1992, geleid door Jan Hoet. De tekst van Brams en Pültau was zeer scherp. Ik zou niet dezelfde analyse hebben gemaakt. Maar ik vond hem zeker goed genoeg om te publiceren. Het probleem was dat het vooral een cultuursociologische tekst was, en dat was niet de hoofdbedoeling. Het cultuursociologische richt zich vooral op mensen die werkelijk op het terrein actief zijn. En het artistieke heeft toch wel een ruimer publiek. Dus hebben we een aantal andere mensen gevraagd meer specifiek het artistieke veld van de jongste tien jaar te belichten én ook het zuiden van het land te behandelen. Want de tekst van Brams en Pültau ging enkel over Vlaanderen. Het bleek niet mogelijk dat nog allemaal in één boek te krijgen, dus werden het er twee. Jammer, want zoiets bevordert de verkoop natuurlijk niet.' (lacht)

De kunstcollectie van de Cera Holding is er nu, u bent er de vorige maanden sterk mee naar buiten gekomen. Wat nu? En wat met u?

Tanghe: 'Wij zijn er de eigenaar van, dus moet die collectie professioneel worden beheerd. Dat gebeurt dan ook. Maar we hebben niets liever dan dat de kunstwerken gezien worden, liefst in een interessante context. Als een curator een aanvraag doet, gaan we daarop in, tenminste als de kunstenaar in kwestie toestemming geeft. De ondersteuning van de hedendaagse beeldende kunst door de Cera Foundation blijft overigens de volgende vijf jaar voortgaan. Maar het zal meer gestructureerd verlopen dan nu. Dat heeft te maken met het feit dat ik het bedrijf verlaat per 1 juli. Ik wil dat de continuïteit verzekerd wordt.'

Paul Tanghe, 'Toeternitoe. Zin, onzin en waanzin van de hedendaagse kunst', Lannoo, 2004, 272 blz., 14,95 euro, ISBN90 209 5623

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud