Caesar over Caesar

2003, Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 34,95 euro, ISBN 90-253-0657-8.

(tijd) De populaire Franse biograaf Max Gallo bracht in april een historische roman uit over het leven van Julius Caesar. Volgens Gallo is Caesar de meest actuele van alle antieke figuren. 'Burgeroorlog', Caesars eigen verslag van zijn opmars naar de top, maakt in ieder geval duidelijk dat Caesar, net zoals huidige wereldleiders, de kunst verstond om de 'media' te gebruiken.

Caesar was de eerste generaal die besefte dat hij door schriftelijk verslag uit te brengen van zijn veldtochten de publieke opinie in Rome naar zijn hand kon zetten. Tijdens zijn acht jaar in Gallië slaagde hij erin aanwezig te blijven in Rome, het politieke centrum. Met zijn perscommuniqués avant la lettre hield hij de Romeinen een zeer flatterend beeld van zichzelf voor. Details over de slachtoffers aan eigen kant liet hij wijselijk achterwege.

Caesar schetste zichzelf als een briljante tacticus en onoverwinnelijke legeraanvoerder, op handen gedragen door zijn manschappen en door zijn vijanden gerespecteerd. Hij was de man die door het annexeren van talloze gebieden Rome groot maakte. De commandant die door zijn 'celeritas' (snelheid) succes na succes behaalde en door zijn 'clementia' (vergevensgezindheid) dankbaarheid afdwong. Ook het vervolg op zijn 'De Bello Gallico', het verslag van zijn campagne tegen de Romeinse senaat en zijn voormalige bondgenoot Pompeius, diende als propaganda-instrument. Ook in 'Burgeroorlog' schrijft Caesar over zichzelf in de derde persoon, wat alweer dat vals gevoel van objectiviteit creëert. Als lezer zou je bijna vergeten dat het Caesar is die over Caesar rapporteert.

Julius Caesar was ambitieus. Hij beweerde dat hij veel liever de eerste man wilde zijn in een klein gehucht ergens op het platteland dan de tweede in rang te Rome. Die eerste rang in Rome was de inzet van zijn strijd tegen Pompeius. Het werd een oorlog waar hij niet omheen kon, vond Caesar. Zijn tegenstanders in Rome hadden een proces tegen hem aangespannen waarin hij aangeklaagd werd wegens machtsmisbruik in de periode voor zijn veldtochten in Gallië.

Caesars relaas begint wanneer zijn troepen vanuit de provincie Gallia Cisalpina doorsteken naar het Romeinse grondgebied. De beroemde 'alea iacta est'-scène vermeldt hij niet. Van in het begin is de toon gezet: Caesar had geen andere keus dan het bestel in Rome aan te vallen én dit was legitiem. '(Hij) _ wees erop dat hij zijn ambtsgebied niet verlaten had om kwaad aan te richten, maar om zich te verdedigen tegen de smadelijke behandeling door zijn vijanden, om de volkstribunen die daarbij uit de stad verdreven waren weer in hun oude aanzien te herstellen en om zichzelf en het Romeinse volk van de onrechtmatige onderdrukking door de partijpolitiek te bevrijden.' Een oorlog uit zelfverdediging dus. Bij de eerste grote confrontatie in het Griekse Dyrrachium leed Caesar grote verliezen. Een overmoedige Pompeius reageerde - volgens Caesar - als volgt: '(Hij had) brieven gestuurd naar alle provincies en gemeenten over het gevecht bij Dyrrachium waarin hij de feiten sterk had overdreven en opgeblazen, en had zo het gerucht verspreid dat Caesar was verslagen en na verlies van bijna al zijn troepen op de vlucht was.'

Ondanks hun grote numerieke overwicht werden de Pompeianen in 48 voor Chr. door Caesar in Pharsalus overwonnen. In zijn verslag laat deze niet na zijn vergevensgezindheid t.o.v. Pompeius' manschappen nog eens goed in de verf te zetten. 'Hij wees hen met enkele woorden op zijn mildheid om hun angst ter verminderen, schonk ze allemaal genade en droeg zijn soldaten op ervoor te zorgen dat niemand van hen gemolesteerd werd en ze niets van hun bezit kwijtraakten.' Pompeius was ondertussen naar Egypte gevlucht waar hij koelbloedig werd afgemaakt. Heel koel en zoals steeds zonder emotie, doet Caesar daarvan verslag. Hij laat er geen twijfel over bestaan dat hij er voor niets tussenzat en behandelt het lijk van zijn rivaal met respect. In de voetnoten lezen we nochtans dat Caesar gehuild zou hebben bij het zien van Pompeius' afgehakte hoofd en de blik zou hebben afgewend. Wilden antieke leiders net zo min als hedendaagse leiders blijk geven van 'zwakheid'? Ze slapen niet, ze zijn nooit ziek, ze vrijen niet - of toch niet buiten het echtelijke bed - en huilen doen ze zeker niet.

Wat er ook van zij, Caesar heeft in Egypte na zijn overwinning op Pompeius er alleszins Cleopatra als bonus bijgekregen. Of was zij het die door hem te veroveren haar plaats op de Egyptische troon bemachtigde? De bonus die Caesar thuis te wachten stond, een jaar na het binnenrijven van de ultieme almacht in 45 vr. Chr., was de dolk van Brutus.

Annemie SMEKENS

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud