Een gesprek met Anthony Swofford over 'Jarhead'

(tijd) - Met zijn haar in pieken rechtop, een baard en een bril en zijn buik die onder het loshangende hemd vervaarlijk begint te welven, lijkt Anthony Swofford niet meer op de 'jarhead' die elf jaar geleden ten strijde trok tegen Saddam Hoessein. Na de eerste Golfoorlog heeft de scherpschutter jarenlang geworsteld met het feit dat hij niemand heeft gedood. Nu is hij er blij om. Dat bevestigt hij in Antwerpen naar aanleiding van de vertaling van 'Jarhead', zijn succesboek dat ook door de Amerikaanse troepen in Bagdad gretig gelezen wordt.

Anthony Swofford is een telg uit een militair geslacht: niet alleen zijn vader, die een Vietnamveteraan is, maar ook zijn opa, zijn oom en zijn oudere broer dienden het vaderland. 'Biologisch en cultureel was ik inderdaad voorbestemd om soldaat te worden. Ik groeide op in een wereld die me die kant uit stuwde. Met 17 wilde ik, ondanks het verzet van mijn vader, dan ook per se rekruut worden. Ik smachtte ernaar een echte killer te zijn. Doordat ik doordrongen was van de militaire cultuur liet ik me de mishandeling door een drilinstructeur welgevallen. Ik wist niet beter of dat hoorde erbij om van mij een betere marinier te maken.'

Maar leest de modale Amerikaanse marinier Céline, Hemingway en de Ilias? 'Ik las meer en andere boeken dan mijn maten, dat is waar. Maar dat maakte me niet tot een buitenstaander omdat ik voor de rest helemaal een product van de militaire cultuur was. Ik bekeek de wereld vanuit het kamp van de krijger. Het leger indoctrineert jonge soldaten door hen in te prenten dat ze anders en beter zijn dan de burgers. En burgers mijden soldaten omdat ze getraind zijn om gewelddadig te handelen. De kloof tussen krijgers en burgers in de maatschappij is heel diep.'

Dat die scheiding problemen oplevert als een marinier na de oorlog naar het civiele leven wil terugkeren, laat zich raden. In 'Jarhead', dat in de Nederlandse vertaling de Engelse titel behield - een scheldwoord dat verwijst naar het opgeschoren soldatenkapsel - schrijft Swofford: 'De droevige waarheid is dat als je eenmaal jarhead bent, je niet meer in staat bent om géén jarhead te zijn. Je bent een symbool (...) en dus word je geassocieerd met het wangedrag van iedere jarhead die slempend en vechtend over straat slentert.' Het lag niet alleen aan de vooroordelen van de burgers, geeft Swofford toe: 'Uiterlijk onderging ik een metamorfose, ik liet mijn haar groeien en cultiveerde een baard, maar met mijn geest zat ik nog in het gareel van het korps. Het heeft me verschillende jaren gekost om me daaruit te bevrijden. Toen ik zover was, zat ik er ook niet meer mee dat ik tijdens de operatie Desert Storm geen kans heb gehad om vijanden te doden, integendeel ik was en ben nog altijd opgelucht dat ik niemand gedood heb.'

Dat vele militairen na hun dienst in een zwart gat vallen, heeft ook te maken met de hechte kameraadschap die plotseling wegvalt. Swofford: 'Het verleidelijke van het marinierskorps is dat het je nooit geborgenheid ontzegt. Al je dronkenschappen en al je stommiteiten worden je telkens weer vergeven. Als sommige mannen zeggen dat ze meer van het korps houden dan van hun moeder of hun vrouw dan komt dat omdat aan de liefde voor het korps geen complicaties verbonden zijn.'

Het is een stoere, mannelijke kameraadschap die de mariniers verbindt, maar Swofford beschrijft ook een paar momenten van tederheid. Zoals net voor de aanval op de Iraakse troepen. 'Toen hebben alle jongens van mijn eenheid elkaar geknuffeld in het besef dat het de laatste keer kon zijn dat we elkaar levend zagen. We hielden ook echt van elkaar. De herinnering aan dat afscheidsmoment viel me vreemd genoeg pas te binnen toen ik al aan het schrijven was.'

Doden hoeft scherpschutter Swofford tijdens de opmars in Koeweit niet te doen, bunkers ruimen en dode Irakezen tellen in platgebombardeerde en uitgebrande voertuigen in de woestijn doet hij des te meer. De beschrijving van hoe ze door de vijandelijke stellingen banjeren, behoren tot de meest hallucinante pagina's van het boek. Met een cynische ondertoon bericht Swofford over de expressieve houdingen van de ontbindende lijken. Bij infanteriestellingen van de Irakezen vinden ze ook talloze lijken die geen letsel vertonen, alleen wat opgedroogd bloed rond de open mond, de ogen, de neus of de oren. 'Deze stellingen waren duidelijk gebruikt als proeftuin voor de 'Daisy Cutter'', zegt Swofford. 'De zogenaamde 'madeliefjesschaar' is een fragmentatiebom die ook al in Vietnam gebruikt werd; op een meter boven de grond stort hij bijna zesduizend kilo aluminiumpoeder uit.'

Tegen de algemene code van de militaire rechtspraak in doorsnuffelt Swofford de persoonlijke spullen van de doden en neemt hier en daar een identiteitsplaatje mee als 'souvenir'. Een andere marinier is geobsedeerd door een lijk met een arrogante grijns dat hij herhaalde keren schendt. Swofford begraaft de verminkte dode om de ontering te stoppen maar begrijpt toch wat de lijkenschender drijft. 'Maanden training en paraatheid, eenzaamheid, verveling, vermoeidheid, op statische doelen afgevuurde kogels, nachten wachtlopen, de apotheose die een anticlimax werd, de makkelijke overwinning waarmee de oorlog eindigde voordat hij goed en wel begonnen was: het zijn allemaal frustrerende, bijna ondraaglijke kanten van onze oorlog, ons 'conflict'. Hebben we wel gevochten? Noem je dit een gevecht?', vraagt hij zich in het boek af.

'Het beeld van de cleane oorlog met de precisiebombardementen die zo weinig mogelijk slachtoffers maakten, klopte allerminst', zegt Swofford. 'De antiseptische oorlogvoering bestaat trouwens niet. De essentie van de oorlog zal altijd dezelfde blijven: jonge mensen die andere jonge mensen doden. De evolutie van het wapentuig zal daar maar weinig aan veranderen.'

Swofford maakte zich ook als marinier al geen illusies over de inzet van de eerste Golfoorlog. 'Terwijl we daar in de woestijn zaten te wachten, wist ik dat de komende oorlog alles te maken had met olie en met de belangen van mensen als Dick Cheney en Bush en weinig of niets met de bevrijding van de bevolking van Koeweit. De huidige golfoorlog en de bezetting van Irak is minder simpel. Het gaat erom een grote westerse voetafdruk achter te laten in het Midden-Oosten. De arrestatie van Saddam Hoessein is geen gebeurtenis waar ik me persoonlijk bij betrokken voel, maar ik vind het wel een goede zaak en hoop dat het het proces naar zelfbestuur kan versnellen. De arrestatie betekent ook een rechtvaardiging voor deze oorlog die met een bedenkelijk voorwendsel in gang is gestoken. Ik denk ook dat Saddam Bush nu ook de presidentsverkiezingen cadeau heeft gedaan. Ik ben geen aanhanger van Bush, nee. Ik ben veeleer links en sociaal maar ik zie bij de democraten nog geen kandidaat die me kan bekoren.'

Zullen de Amerikaanse soldaten die momenteel in Irak vechten later een nieuw soort Vietnamveteranen worden die alle moeite van de wereld hebben om opnieuw in de burgermaatschappij te integreren? Swofford ziet een belangrijk verschil met de situatie van de Vietnamveteranen. 'Jonathan Shay heeft daar uitgebreid onderzoek naar gedaan voor zijn boek 'Achilles in Vietnam'. Volgens hem is het zeer belangrijk dat de cohesie in de eenheid bewaard wordt, wat in Vietnam niet het geval was. Door het rotatiesysteem kreeg je daar altijd anders samengestelde eenheden, terwijl nu hele eenheden tegelijk worden afgelost. Dat heeft alles te maken met vertrouwen. Een van de belangrijkste factoren in de strijd is dat je op je makkers kan vertrouwen. Als dat vertrouwen er in extreme oorlogssituaties niet is, zoals in Vietnam, kan je ook daarna niet meer leren om in een burgerlijke maatschappij andere mensen te vertrouwen, wat een voorwaarde is om sociaal te kunnen functioneren.'

Moeder Swofford zei dat haar zoon als een lieve, vriendelijke jongen naar de oorlog is vertrokken en dat hij teruggekeerd is als een getormenteerde man. 'Ik ben alleszins niet dagelijks getormenteerd. Ik ben nu een schrijver (Swofford doceert de ene helft van het jaar Engels en de andere helft schrijft hij) en dat is een eenzame bezigheid. Ik ben soms nog wanhopig als ik alleen zit te schrijven, alleen weet ik nu dat ik niet zal sterven.'

Heeft hij als kind ooit gedacht schrijver te worden? 'Dat kwam wel even in me op maar ik groeide op in het verkeerde milieu. Als ik in een andere omgeving was opgegroeid was ik wellicht schrijver in plaats van marinier geworden. Ik zie mezelf nu als een schrijver die marinier geweest is, maar niet als een ex-marinier die een boek heeft geschreven.'

Bij de vraag of hij als schrijver gewoonten heeft overgehouden uit zijn marinierstijd, blijft het even stil. 'Discipline', zegt hij dan, 'mijn discipline om te schrijven is wellicht een overblijfsel uit die tijd. Ik schrijf dagelijks duizend woorden en de rest van de tijd gebruik ik om mijn teksten te redigeren.' Misschien is er nog iets meer overgebleven uit zijn jarhead-tijd: Swofford gebruikt namelijk niet meer woorden dan nodig is. Niet dat hij een stuurse kerel is, wel integendeel, maar zodra hij ziet dat zijn gesprekspartner hem begrijpt, stokt hij. Dat is een beetje vervelend voor de interviewer die instemmende geluiden voortbrengt die eigenlijk bedoeld zijn als aanmoediging om door te gaan. Om hem verhalen en gevoelens te ontrukken die hij niet in zijn boek verwerkt heeft, zouden we beter samen gaan hijsen in Antwerpen, om elkaar vervolgens voor de lol wat kopstoten te verkopen en ten slotte, als de stamgasten zich tegen ons hebben gekeerd, het café kort en klein te slaan. Maar zelfs aan dat baldadig jarhead-gedrag heeft Anthony Swofford allang verzaakt. 'Dan ben ik de volgende dag geen cent waard en kan ik niet schrijven. Ik wil dat mijn volgende roman, over de kinderen van Amerikaanse militairen die in de jaren tachtig op een basis in Japan wonen, wat opschiet. Nee, het is niet autobiografisch al gebruik ik natuurlijk herinneringen aan de tijd dat ik als kind op de vliegbasis in Tachikawa woonde. Dat was in de jaren zeventig en toen had je nog niet die anti-Amerikaanse mentaliteit die het Japan van de jaren tachtig kenmerkte. Maar het wordt zeker geen nieuw oorlogs- of soldatenboek.'

'Jarhead' is dus meer dan het therapeutisch boek van een getormenteerde marinier. Het is het debuut van een veelbelovend schrijver die ook al bijdragen schreef voor The New York Times en Harper's.

Anthony Swofford, 'Jarhead, kroniek van een golfoorlogveteraan', 2003, Amsterdam/ Antwerpen, Het Spectrum/Manteau, 282 blz., 18,5 euro, ISBN 90-712-0606-8.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud