Gerard Reve: een balans

(tijd) - De Nederlandse schrijver Gerard Reve wordt tachtig. Oud genoeg om een balans op te maken, zoals zijn personages onophoudelijk doen. Voor die figuren is het saldo altijd negatief. Maar wie het oeuvre van Reve kent, komt tot een andere conclusie. Het futiele bestaan wordt hier uitgedrukt op een manier die allerminst futiel is: volmaakt gestileerd, wrang en grappig, verheven en vulgair, eerbiedig en ontluisterend. Geen paradox zo groot of Reves stijl blijkt groter.

'Oud en eenzaam', nog altijd een hoogtepunt in een oeuvre dat geen dieptepunten kent, begint zoals zovele boeken van Reve met een exacte tijdsaanduiding. Reve vindt dat de chaos te allen tijde bevochten moet worden. Na die tijdsaanduiding volgt een typische formulering van de futiliteit: 'Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en ik zie nergens in dat leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid en geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.'

Het hele werk van Reve is een poging zin en duiding te geven aan een leven dat, ondanks alles, zinloos blijft. Dat is een vrij traditionele poëtica. Hoewel Reve zichzelf als een romantisch-decadent schrijver afficheert, streeft hij in zijn werk naar orde, structuur en helderheid. Voor hem geen experimenten, geen surrealisme. 'Ik houd niet van onwaarschijnlijkheden', zegt hij aan het begin van 'Tien vrolijke verhalen'. Zijn probleem is dat die onwaarschijnlijkheden tóch in zijn werk opduiken, gewoon omdat ze tot de werkelijkheid behoren. 'De werkelijkheid herken je aan hare onwaarschijnlijkheid', is een zin die in tientallen variaties bij Reve opduikt. Zijn poging om via de literatuur de chaos en het onwaarschijnlijke te bezweren, stoot altijd op nieuwe zinloosheden. Dat blijkt in de virtuoze uiteenzetting over 'Onrechtmatige Penetratie Van Zinloos Feit, of, voortaan, kortweg Zinloos Feit', opgenomen in 'Op weg naar het einde'.

In zijn strijd tegen het zinloze feit, gebruikt Reve de dwangmatig precieze formulering. Die obsessie woekert al in 'De avonden'. Frits, de hoofdfiguur, probeert de verschrikkingen te temmen door ze zo exact mogelijk te beschrijven. 'Goed beschreven', feliciteert hij zichzelf als hij een wrat of een stuk speelgoed met bijna pijnlijke precisie heeft gedefinieerd.

Goed beschreven lijkt half gewonnen. Maar is ook half verloren. De taal, hoe virtuoos ook, is nooit in staat datgene te zeggen waar het écht om draait. Op het einde van 'De avonden' bedenkt Frits: 'Nu moet ik het zeggen', maar na veel uitstel en voorbereiding komt hij niet verder dan de loze opmerking: 'Vader, zei hij, alleen mensen kunnen zingen'.

In elk boek van Reve staat die onzegbaarheid centraal. Vandaar het eindeloze geouwehoer over futiliteiten. Enerzijds kán een Reve-figuur niet anders dan lullen, want het essentiële is voor zo iemand onbereikbaar. Anderzijds wíl hij ook niet anders, want als hij het onuitsprekelijke toch zou formuleren, zou het geheim worden geschonden. Dan wordt het kitsch, nog zo'n vast Reve-ingrediënt, en dan zou alles pas goed zinloos worden. Nu is er tenminste nog de illusie - of het geloof - dat er iets is dat zin geeft en dat zo diepzinnig en geheim is dat het zich niet in woorden laat vatten.

Reve begint zijn romans dan ook vaak met de aankondiging dat hij niets te vertellen heeft. 'Het Boek Van Violet En Dood' werd al van in zijn beginperiode aangekondigd als het werk waarin alles zou worden gezegd. Het verscheen in 1996 en de eerste regels geven aan dat het nergens over gaat. 'Dit is geschreven door een zoekende en zwervende ziel. Houdt het hierna volgende zo lang mogelijk geheim. Het gehele verhaal gaat eigenlijk niemand iets aan, maar moet toch zo spoedig mogelijk opgeschreven worden. Neen, veel komt er niet in voor: ik zie iemand, ik zie die iemand nog één of twee keer, en daarna verdwijnt hij op tragische wijze.' Het is een schitterend begin, een ondermijning van alle literaire pretenties, terwijl het tegelijkertijd de ultieme pretentie huldigt: een boek schrijven over niets. In de Nederlandstalige literatuur heeft niemand dit flaubertiaanse ideaal dichter benaderd dan Reve.

Ouwehoeren gebeurt in de romans van Reve vaak in bed, waar de omcirkelende verhaaltjes niet alleen de zinloosheid weghouden en het mysterie suggereren, maar ook moeten bijdragen tot de geilheid van de luisteraar. Taal is verleiding. Reves vertellers dagen uit en stellen uit, ze zijn preuts en vulgair, beloven veel maar laten het beloofde bij voorkeur in het ongewisse. In zijn brievenboeken verliest het gelul over pietluttigheden meestal de functie van verleiding en wordt het de directe verwoording van een leeg en routineus bestaan. Maar die grauwheid wordt gecounterd door de delirante humor, de opeenstapeling van clichés en onzinnigheden. Zoals: 'Ik ben totaal gegarandeerd krankzinnig, maar ik blijf er gewoon mede doorlopen.' Of: 'Als ik geen man was, zou ik een vrouw willen zijn.'

Over de humor van Reve is al veel geschreven, maar zeker voor dit fenomeen geldt dat het niet onder woorden te brengen is. Stijlbreuken, verhaspelingen van clichés, parodieën, registerwijzigingen - het zijn termen die wel kloppen, maar die niet verklaren waarom ze bij Reve zo perfect functioneren terwijl ze bij zijn epigonen vaak slaapverwekkend zijn. Ik heb nog nooit een boek van Reve gelezen - en ik denk dat ik ze wel allemaal heb gelezen - zonder te bulderen. In het boekje 'Zelf schrijver worden' geeft hij wat wenken voor de beginnende humorist, maar je kunt beter zijn creatief werk lezen. Bijvoorbeeld het hoofdstuk 'Zwaarder Dan De Lucht' uit 'Lieve Jongens' - letterlijk een scheet in een fles, of liever een glas wijn. Maar technisch perfect opgebouwd en in al zijn banaliteit tegelijkertijd diep tragisch.

Tragisch is het hele werk van Reve, omdat het telkens opnieuw laat zien dat een mens niet aan zijn lot kan ontsnappen. Wanneer de vertellers van Reve hun verhaal doen, ontdekken ze in de terugblik dat hun hele leven al van in het begin voorbestemd was. Alles wat ze hebben meegemaakt, past in één groot complot, dat van de dood en de doem. Als schrijven ordenen is, is het vooral de ontdekking van de Ultieme Orde, die van het lot. De figuren van Reve voelen dat aan: 'Iets ongehoords dat te gebeuren stond was, hoewel het zich nog moest voltrekken, reeds onherroepelijk geworden.' Achteraf, als de lotgevallen van die figuren op papier gesteld worden, blijkt pas goed hoezeer alles voorbeschikt is.

Tussen humor en tragiek laveert de befaamde ironie van Reve. Je weet nooit of hij iets meent. Achter die dubbelzinnigheid heeft hij zich vaak verscholen om politiek foute uitspraken te doen, onder meer over de arbeiders ('Dood aan de arbeiders!'), Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid ('Zuid-Afrika heeft gelijk') en over onze 'gekleurde broeders' van wie hij zich moeilijk kon voorstellen 'dat zij er gevoelens en gedachten op na zouden kunnen houden die enige overweging waard zouden zijn'. Shockeren hoort bij zijn werk en vooral bij zijn publieke persoon. Zo kuste hij - op een niet-hoofse manier - de vrouwelijke minister die hem in 1968 de P.C. Hooft-prijs uitreikte. Hij schreef over God die hij als een ezel langs achter zou penetreren - wat hem op een proces kwam te staan.

Het verlangen naar een geheim dat de werkelijkheid betovert en zin geeft, gaat terug op de kinderlijke ervaring van de realiteit als betovering. Vandaar dat Reve vaak een sprookjesstijl hanteert. In 'Brieven aan Wimie' schrijft hij zelfs: 'Misschien moeten we inderdaad de sprookjesvertellerij afschaffen voordat het mijnerzijds een verslaving wordt.' 'Wolf' is zo'n sprookje - lieflijk en gruwelijk, met een merkwaardig openhartige behandeling van de pedofiele neigingen die Vos (matroos Vos, alias Joop Schafthuizen) koestert en die hem onderscheiden van Wolf (alias Reve).

Er zit dan ook een flinke dosis infantiliteit in de wereld en de stijl van Reve. 'Geen man, ik, maar een levensbang jongetje, dat het zonder volwassen bescherming niet kon stellen', luidt het in 'De Vierde Man', een spannend verhaal met detective-allures. Sommige psychologen beweren dat we ons hele leven een gezin in onszelf meedragen, en dat klopt alvast voor de personages van Reve. In de homoseksualiteit zoeken zij naar een Broertje, in hun zeldzame heteroseksuele contacten naar een Zusje. In de kerk hopen zij de Moeder te vinden en in God de Vader. Neem dat gezin bij elkaar, en je hebt de combinatie van seks en religie, die in elk werk van Reve steeds dwingender wordt.

In die combinatie zoekt Reve de verlossing, die hij zelf het ultieme thema van zijn oeuvre noemt. Zijn bekering tot de katholieke kerk - weergaloos beschreven in 'Moeder en zoon' - heeft niet alleen gezorgd voor de meest kritische én grappige stukken die onze letteren gewijd hebben aan het katholicisme; ze heeft ook de tragische grondtoon van Reves oeuvre uitgediept. De verlossing heeft hij nooit gevonden, maar net daardoor heeft hij steeds opnieuw geschreven aan een oeuvre dat tot het allerbeste van de Nederlandstalige literatuur behoort.

Bart VERVAECK

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud