'Ik vind Kafka de meest enigmatische schrijver van de twintigste eeuw'

(tijd) - De Italiaanse auteur Roberto Calasso heeft naam gemaakt met zijn analyses van geloofssystemen. In 'De bruiloft van Cadmus en Harmonia' onderzocht hij de Griekse mythen die aan de basis van onze cultuur liggen; in 'Ka' beschreef hij het verderafgelegen pantheon van de Indische goden. Dat zijn jongste boek, 'K', over iets heel anders gaat, betwist de auteur. Hij mag in 'K' de wereld van Franz Kafka bestuderen, vooral dan zoals die tot uiting komt in 'Het proces' en 'Het slot', tegelijk is ook de mythologie - zowel de Indische als de Griekse - nooit veraf. Of hoe een schrijver vanuit zijn eigen achtergrond naar zijn thema kijkt.

Roberto Calasso: 'Toen ik aan mijn cyclus over mythologieën begon, was het mijn opzet drie boeken te schrijven. Ik had geen plannen om wat dan ook over Kafka te schrijven. Dat het toch gebeurde, was ook voor mij een verrassing. Tegelijk moet ik bekennen dat Kafka voor mij altijd een essentieel referentiepunt is geweest, in die mate dat ik er zeker van was dat ik nooit over hem zou schrijven. Dat ik er uiteindelijk toch aan begon, kan ik achteraf wel verklaren. Kafka is de enige moderne schrijver in wie ik de machten aan het werk zag waarover ik in mijn vorige boeken heb geschreven.'

Hoe kwam u ertoe mythologie toe te passen op een moderne schrijver als Kafka?

Calasso: 'Ik geloof niet dat ik mythologie 'toepas' op Kafka, maar ik beschouw zijn werk wel als een complex en mysterieus landschap, net zoals de Griekse mythologie dat is. Ik moest er mijn weg in zien te vinden. In 'K' refereer ik aan mythen, maar niet zo heel vaak. Ik wilde me houden aan de termen die Kafka zelf gebruikte. Hij was een meester in de omissie, in het niet zeggen van dingen. Wie Kafka bestudeert, moet ook die lijn volgen, vind ik.'

'In feite draait mijn hele boek rond een soort vraagteken, dat verband houdt met de protagonist van 'Het slot', wiens naam K. is, en de protagonist van 'Het proces', wiens naam Joseph K. is. Tussen mijn jongste boek en mijn vorige boek over de Indische goden bestaat er een verband. Prajapati is de voorouder van alle Indische goden. De relatie tussen die eerste god en het hele pantheon van Indische goden is vergelijkbaar met de relatie tussen het personage K. in het werk van Kafka en de personages van andere grote schrijvers. Dat kan enigmatisch klinken, maar ik heb er dan ook een heel boek voor nodig gehad om het uit te leggen. Het woord 'Ka' in het Sanskriet betekent 'wie?' De ware naam van de eerste god Prajapati is dus 'wie?' Het is een vraagteken wie hij is. Iets vergelijkbaars is er aan de hand met het personage K. Dat personage is een beeld van de potentialiteit zelf, van alles wat mogelijk is. Het klinkt vreemd om iets uit het Sanskriet op Kafka toe te passen, maar volgens mij zit dat in het werk van Kafka zelf.'

Wat bedoelt u als u beweert dat Kafka altijd schrijft vanuit de locus van de 'onzichtbare rechtbank'?

Calasso: 'Hijzelf gebruikt die uitdrukking vaak. In het hele oeuvre van Kafka zit achter alles wat wordt gezegd ook iets onzichtbaars. Er zijn als het ware twee werelden. In 'Het slot' wordt dat een expliciet thema. Het dorp van het slot ligt zelfs topografisch gezien op de grens tussen zichtbaar en onzichtbaar. Op een bepaald moment zegt de schrijver dat er verschillende wegen naar het slot lopen. Het is niet ver, je kan het slot zien vanuit het dorp ernaast. Maar als je die wegen volgt, blijkt spoedig dat ze weer van het slot weg lopen, zodat je nooit bij het slot kan komen. Dat is een heel precieze manier om te zeggen dat je je op de grens bevindt van iets wat tot een heel andere wereld behoort. De eerste regels van mijn boek gaan over het oversteken van de brug naar het dorp van het slot. Dat verwijst voor mij naar het overgaan van de brug naar die andere realiteit. Vanaf dat vertrekpunt kan je naar het hele werk van Kafka kijken.'

In 'K' stelt u dat 'Het slot' kan worden beschouwd als Josef K.'s 'Bar-do'. Wat bedoelt u daarmee?

Calasso: 'Bar-do is een Tibetaans woord. Het verwijst naar het tussenstadium dat volgt na de dood. Het beroemde Tibetaanse dodenboek is een gids door de wereld die ze 'Bar-do' noemen. In mijn visie is 'Het slot' het vervolg van 'Het proces'. In zekere zin is het zo dat Josef K. sterft in 'Het proces' en na zijn dood verdergaat met leven in 'Het slot'. Als dat zo is, beschrijft Kafka in 'Het slot' een soort wereld voorbij deze wereld. Het is een plek waar je niet makkelijk terechtkomt en van waaruit je niet kan ontsnappen, iets wat heel dicht ligt bij het 'Bar-do' uit het Tibetaanse dodenboek.'

In welke zin gebruikte Kafka 'het scheermes van Ockham'?

Calasso: 'Volgens Ockham moet je niet meer entiteiten gebruiken dan nodig is. Dat past Kafka consequent toe. Zijn algemene procedure als schrijver bestaat erin dat hij de dingen reduceert tot hun minimale elementen. Eigenlijk is dat het tegendeel van wat in India gebeurt. Toen ik met 'Ka' bezig was, ontdekte ik dat in de Indische kosmogonie een voortdurend proces van expansie aan de gang is. Letterlijk alles wordt vermenigvuldigd. Het aantal goden is veel groter dan bij de Grieken en de 'Mahabharata' beslaat veel meer pagina's dan de 'Illias'. Kafka daarentegen reduceert alles. Tegelijk hebben de elementen die hij overhoudt een enorme kracht.'

In welke zin gaan 'Het proces' en 'Het slot' over het typisch joodse uitverkoren zijn?

Calasso: 'In het hele werk van Kafka heb je een mysterieuze, nauwe connectie tussen uitverkoren zijn en straf. In 'Het proces' vind je iemand die uitgekozen is om berecht te worden, hoewel hij niet weet waarom. In 'Het slot' gaat het om iemand die gelooft dat hij is uitverkoren. Want we komen er nooit achter of K. echt een uitnodiging heeft gekregen om naar het slot te komen of dat hij gelooft dat dat zo is. Dat is misschien wel het enige duidelijke punt waarop er een diep verband is tussen Kafka en de joodse traditie: het uitverkoren zijn.'

Over 'Het slot' bestaan al talloze commentaren. In welke zin is uw interpretatie verschillend?

Calasso: 'De literatuur over Kafka is immens, het is een industrie geworden. Sommige commentaren zijn heel nuttig, denk maar aan het onderzoek naar zijn leven en naar de culturele kringen waarin hij vertoefde. Dat moet elke onderzoeker natuurlijk kennen. Maar er is ook veel overbodigs in de interpretaties van Kafka. Vaak worden denkkaders op Kafka toegepast, die misleidend zijn. Een voorbeeld zijn de talloze sociologische analyses die in 'Het slot' of 'Het proces' profetieën van de totalitaire maatschappij zien. Al even onzinnig is het Kafka in religieuze denkkaders te proberen in te passen, wat ook nogal eens gebeurt. Ik vind Kafka de moeilijkste en de meest enigmatische schrijver van de twintigste eeuw. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat veel dingen die over hem zijn geschreven zo ontgoochelend zijn.'

De 19de-eeuwse roman ging ertoe over de gruwelen in het gezin en het huwelijk te onthullen, beweert u in 'K'. In welke zin gaat Kafka nog een stap verder?

Calasso: 'De doorbraak van Kafka als schrijver, was het verhaal 'Het vonnis'. Het begint op het eerste gezicht heel banaal: een jongeman schrijft een brief aan een vriend. Hij gaat naar zijn vader en ze beginnen over die vriend te praten. Tot dan toe lijkt alles heel normaal, zelfs vervelend. Maar dan ga je beseffen dat er een vreselijke spanning groeit. De vader beschuldigt de zoon ervan dat hij die vriend heeft verzonnen. Het wordt meer en meer grotesk en eindigt ermee dat de zoon het huis uitrent en zelfmoord pleegt. Kafka's verhaal gaat voor twee derde over iets wat ook voorkomt in andere verhalen uit de 19de- en 20ste-eeuwse literatuur: spanningen in het gezin. Maar vanaf een bepaald moment verandert de scène. Het wordt zo gewelddadig dat het niet meer behoort tot dat soort van patroon. Kafka's eenvoudige familieverhaal eindigt vreselijk. Er is altijd een punt in zijn werk waarop je in een andere wereld belandt, die geen verband meer heeft met die van andere Europese schrijvers.'

Waar komt Kafka's bizarre gedachte vandaan, dat hij niet 'de aandacht van de goden wil trekken'?

Calasso: 'Hij was, onder meer in zijn brieven, voortdurend bezig met de angst om te veel de aandacht van de goden te trekken. Als hij het over schrijven heeft, gaat het telkens weer over demonen, spookbeelden die iemand obsederen. Schrijven is voor hem hoofdzakelijk afrekenen met die spookbeelden. Aan de ene kant beseft hij dat hij ze als schrijver niet kan vermijden: dat is waar literatuur van gemaakt is. Aan de andere kant weet hij dat de demonen een enorme kracht hebben: ze kunnen je doden. Er bestaat een prachtige brief van Kafka, waarin hij het heeft over de Grieken. Hij schrijft daarin dat de Grieken zoveel wisten over demonen, dat ze verkozen zich op een afstand van hen te houden. Dat is ook waar Kafka, vooral in de laatste jaren van zijn leven, mee bezig was: zijn demonen verjagen.'

U schrijft dat bij Kafka een mengvorm tussen de sociale en de kosmische orde aanwezig is.

Calasso: 'In de tijd van Kafka gebeurde iets merkwaardigs. De mens beschikte niet meer over goden aan wie hij goddelijke krachten kon toeschrijven. Maar dat betekende niet dat die drang uit de mens was verdwenen. Je zou kunnen zeggen dat de maatschappij in de moderne tijden als het ware de macht van de goden heeft overgenomen. Als één schrijver dat proces heeft verhelderd, is het wel Kafka. 'Het proces', bijvoorbeeld, speelt zich af in wat eruitziet als een moderne stad en hanteert alle procedures van een moderne rechtbank. Ogenschijnlijk draait het dus allemaal om de sociale orde, maar tegelijk wordt die voortdurend overstegen. Ik geloof dat het gaat om occulte krachten, die eertijds aan de goden toebehoorden, maar onderhand door de maatschappij zijn opgeslorpt.'

'Wanneer de joodse familie het sjtetl verlaat en in de stad gaat wonen, wordt de psychologie vlijmscherp', schrijft u. Wat heeft dat met Kafka te maken?

Calasso: 'Je moet kijken wat er is gebeurd in de Centraal-Europese literatuur van het begin van de 20ste eeuw. In een paar generaties hebben geassimileerde joden als Sigmund Freud, Joseph Roth en Arthur Schnitzler vlijmscherp afgerekend met hun verleden. Het waren allemaal geassimileerde joden, die zich op een ambivalente manier aangetrokken voelen tot de joodse stadjes in Centraal-Europa waar ze vandaan komen. Ze wilden tegelijk heel burgerlijk zijn. Dat proces van assimilatie is door die schrijvers op een verschrikkelijk nauwkeurige manier beschreven. Volgens mij heeft Kafka het daar ook over in het verhaal van Amalia in 'Het slot'. Dat is de saga van de geassimileerde joden die proberen te integreren in de grote stad. Maar tegelijk voelen ze zich onzeker, ze zijn niet precies gelijk aan de anderen. Als Amalia weigert in te gaan op een voorstel van een ambtenaar, wordt de hele familie uitgespuwd. Kafka vertelt daar heel direct een modern joods verhaal. Hij was heel opmerkzaam over zijn situatie. Kafka heeft zich altijd een buitenstaander gevoeld. Dat is een algemeen menselijk fenomeen, maar je kan er toch een speciaal accent in hebben, dat is beïnvloed door maatschappelijke factoren. Kafka bevond zich in een situatie waarin het buitenstaandergevoel als het ware werd gefavoriseerd: hij was een geassimileerde jood in Praag.'

Roberto Calasso - 'K' - Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm, 2005, Amsterdam, Wereldbibliotheek, 304 blz., 28,9 euro, ISBN 90-284-2098-3

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud