Imre Kertèsz: 'Het lot als kans'

Vertaald door Henry Kammer. 2003, Antwerpen/Amsterdam, Van Halewyck/Van Gennep, 275 blz.,22,5 euro, ISBN 90-5515-359-1.

(tijd) 'Ik heb er nooit aan gedacht dat ik jood ben, behalve op momenten dat ik in gevaar was. Maar omdat ik een jood ben, heb ik een heel bijzondere ervaring gehad, en wel de meest absolute ervaring die denkbaar is van overgeleverd zijn aan het totalitarisme', schreef Nobelprijswinnaar Imre Kertész (1929) in 1975 in zijn schrijversdagboek. Dat dagboek is nu in het Nederlands vertaald, met als titel 'Dagboek van een galeislaaf'.

Het thema dat telkens terugkeert in Kertész' beschouwingen, die beginnen in 1961 en eindigen in 1991, is de conditie van de mens onder het totalitarisme. Die conditie kent hij uit eigen ervaring en verkent hij in de geschriften van schrijvers als Camus, Nietzsche en Kafka.

In zijn roman 'Onbepaald door het lot' beschrijft Imre Kertész, die zelf op vijftienjarige leeftijd naar Buchenwald werd gedeporteerd, op een intrigerend afstandelijke toon het concentratiekamp. Zijn romanheld, de eveneens vijftienjarige György Köves, gedraagt zich in dat boek schijnbaar onbevangen en naïef. Hij beseft juist heel goed dat hij midden in iets vreselijks is beland, maar benoemt dat niet als zodanig: hij verkiest het concentratiekamp te bestempelen als een macabere grap. Op het moment dat de jongen wordt gedeporteerd, laat Kertézs hem bijvoorbeeld beweren: 'Het belangrijkste argument voor mij om naar Duitsland te gaan was dat mij daar behoorlijke levensomstandigheden, interessante bezigheden, nieuwe indrukken en enig vermaak - kortom een zinvollere en aangenamere leefwijze dan in Hongarije - wachtten.'

Dat de schrijver zijn merkwaardige vertelstandpunt zorgvuldig heeft overdacht, uit afschuw voor de mogelijkheid dat hij in de val van de sentimentaliteit zou trappen, blijkt zonneklaar uit het schrijversdagboek dat hij bijhield in de periode waarin hij werkte aan 'Onbepaald door het lot'. 'Zal ik in staat zijn het concentratiekamp op de juiste manier te beschrijven', vraagt hij zich af in 'Dagboek van een galeislaaf'. En elders: 'Het is alleen de vraag hoe ik de achter elke stilering op de loer liggende dramatiek kan vermijden, die in die situatie eenvoudig niet aanwezig was maar door het terugblikken toch een rol gaat spelen.' De schrijver spreekt zichzelf zelfs vermanend toe: 'Wie de beschrijving van het concentratiekamp als een literaire triomfator - anders gezegd: 'succesvol' - doorstaat, is geheid een bedrieger en een leugenaar. Houd dit voor ogen als je je roman schrijft.'

Overigens betekent 'Onbepaald door het lot' bij Kertész iets totaal anders dan wat we er spontaan zouden kunnen onder verstaan. Het begrip 'lot' heeft voor Kertész niets te maken niets met de determinerende gebeurtenissen en ongelukken die in de loop van een mensenleven over iemand kunnen worden uitgestort. Bijna het tegendeel is waar. 'Lot' is in zijn visie het kenmerk van de tragische held, 'de zichzelf scheppende en ten onder gaande mens'. Enkel zo'n mens, die zijn eigen leven creatief in bezit neemt, kan worden beschouwd als iemand met een lot: 'zijn' lot. Onder het totalitarisme wordt juist zo'n lot als 'kans op een tragedie' tenietgedaan: 'Wanneer we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald.' Lees: maar door iets anders, door het 'systeem', dat ons uiteindelijk wil vermorzelen.

Kertész maant zichzelf voortdurend aan om creatief te zijn, om door te gaan met schrijven. Dat doet hij niet alleen om zo zijn leven 'in bezit te nemen', maar ook om te ontkomen aan de absurditeiten van het communistische Hongarije, na het nazisme het tweede totalitaire systeem waarin hij gedwongen is te leven. In het communistische Hongarije uit die absurditeit zich in het eindeloze in de rij staan voor winkels, in de vernederende formaliteiten om een handvol levensmiddelen te pakken te krijgen, in de 'armzalige, (staats)socialistische dood' van zijn moeder in het ziekenhuis van Boedapest, in het piepkleine schrijfkamertje - 'mijn hondenhok' - bij zijn tante in Angyalföld. Niet dat de schrijver zich in zijn dagboek uitput in het opsommen van de naar zijn mening tijdelijke en toevallige absurditeiten waarmee hij wordt geconfronteerd. Integendeel, Kértesz doet het terloops en met mate: zijn beschouwingen zijn, hoewel ze gebaseerd zijn op concrete ervaringen, abstract en tijdloos. Bovendien is Kértesz er de schrijver niet naar om klachten te formuleren. In 'Dagboek van een galeislaaf' zegt hij expliciet: 'De klacht als legitieme protestvorm kan worden verworpen en veracht.'

'Mijn leven is in elk opzicht afschuwelijk, behalve wat het schrijven aangaat. Ik moet dus schrijven, schrijven om mijn bestaan draaglijk te maken, of beter gezegd: te rechtvaardigen.'

Alleen schrijven is voor Kertész een remedie tegen de dictatuur van de absurditeit en de aanmatigingen van de macht: 'De onschatbare betekenis van het romanschrijven: een proces dat de mens in staat stelt zijn leven terug te winnen.' Hoewel hij niet bezweken is voor de verlokking van de emigratie uit het communistische Hongarije, rekent Kertész soms af met de vraag of hij door te blijven toch niet gecorrumpeerd is, in een beschouwing die verhelderend is voor het begrip van zijn opvatting van het concept 'lot'.

'Door hier te blijven heb ik me aan het tragische, dat wil zeggen aan het lot onttrokken, en me aan het komische, aan het van toevalligheden aan elkaar hangende massa-lot van de staat onderworpen. Is existentiële genialiteit, de intense ervaring van de eenmaligheid van het bestaan, het beleven van het leven, ook in het communistische Hongarije mogelijk?'

Onstuitbaar is Kertész bezig met de vreemdheid van het menselijk leven, dat geworteld is in de natuur en tegelijk bewust is, dat in zijn dagelijksheid schijnbaar 'zinvol' is, maar tegelijk volstrekt absurd want eindigend in de dood. Toch lijkt Kértesz overtuigd dat de mens geen alternatief heeft dan 'gewoon doorgaan met leven', want ook tegen zelfmoord zijn logische argumenten te vinden. 'Zelfmoord zou de openlijke erkenning zijn dat ik een leven zonder geluk niet kan verdragen.' En elders in het dagboek: 'Deze daad is onfatsoenlijk tegenover mensen die in erbarmelijke omstandigheden leven.'

Uit heel zijn schrijversdagboek komt naar voren dat Kértesz er niet bij kan dat de mensen om hem heen zo weinig acht slaan op de merkwaardige paradoxen van het menselijk leven. Die onbegrijpelijke achteloosheid klaagt hij aan nadat hij Pascals beschouwingen over het 'divertissement' heeft gelezen: 'Het leven is ondraaglijk voor de mensen, maar toch nemen ze hun leven niet serieus.' Kértesz' ijzingwekkende luciditeit gaat nog verder als hij een dag uit het leven van de doorsnee mens zo beschrijft: 'Opstaan, lichaamsverzorging, een vervoermiddel, acht uur lang werken, meestal een triviale activiteit die niets met het werkelijke leven te maken heeft, opnieuw een vervoermiddel, wat ontspanning, die waarschijnlijk evenmin veel met het ware leven te maken heeft.' De schrijver is overigens overtuigd dat de arbeid een soort equivalent is voor de verstrooiing, een koortsachtige bedrijvigheid die 'wordt gevoed door existentiële angst en angst voor de dood.'

Naast beschouwingen over het schrijverschap, de totalitaire staat en de paradoxen van het menselijk leven, bevat 'Dagboek van een galeislaaf' ook tal van kritische analyses van literaire werken. Kertész heeft het over 'A la recherche du temps perdu' van Marcel Proust, over de 'Vrolijke wetenschap' van Friedrich Nietzsche, over 'Het slot' van Franz Kafka en over 'L'homme revolté' van Albert Camus. Die geschriften doen dienst als een spiegel voor de lezer, die zich na afloop alleen maar vertwijfeld kan afvragen waar hij zelf eigenlijk zijn dagen mee vult.

Sofie MESSEMAN

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud