Makelaar in kwetteren

(tijd) - 'Hajar en Daan', de nieuwe roman van Robert Anker, is het verhaal over de passionele liefde tussen Daan Hollander, leraar geschiedenis, en zijn leerlinge Hajar Nait Sibaha. De relatie tussen die twee wordt uitvergroot tot de verhouding tussen verschillende culturen, klassen en landen. Uitvergroot is een milde omschrijving, want alles in deze roman is schreeuwerig opgeblazen tot de allures van een zeepbel. Blinkend, hol, maar wel maatschappelijk relevant en allemaal heel ironisch.

Hollander - een subtiel symbolische naam - is vooraan in de dertig, Hajar is zeventien. Ze menen dat hun liefde grenzeloos is, maar ze moeten constateren dat er belemmeringen bestaan waar zelfs de grootste passie niet tegen op kan. 'Daan en Hajar' gaat heel nadrukkelijk over de tegenstelling tussen de grenzeloze liefde en de maatschappij die overal grenzen trekt. 'Ik wist wel dat er grenzen waren,' zegt Daan, 'maar dat waren niet de grenzen van de liefde want die is grenzeloos.' Hij vergist zich: de sociale tegenstellingen beperken wel degelijk de liefde. Ze heeft bovendien haar eigen grenzen, bijvoorbeeld in de bezitsdrang, die de vrijheid van de ander beknot.

De relatie tussen Daan en Hajar botst voortdurend op allerlei maatschappelijke kloven: tussen het Westen en de islam, tussen man en vrouw, leraar en leerling, Turks en Marokkaans, kapitalisme en communisme, Israël en Palestina. Al deze grote conflicten worden in de roman geïllustreerd en becommentarieerd. Dat gebeurt ten eerste in wijdlopige conversaties en monologen. De collega's van Daan vullen bladzijden met de bekende clichés over cultuurrelativisme, islamfundamentalisme en hoofddoeken. De ironie van de verteller, die het brabbeltaaltje van zijn personages letterlijk weergeeft, moet die banaliteiten enige literaire kwaliteiten geven. Ten behoeve van de lezer die het niet doorheeft, wil hij ook wel eens 'sic' met een uitroepteken gebruiken. Zo is er een discussie over de vraag 'Is de islam een bevrijding voor de vrouw?' 'Dat mannen zich in Arabische culturen als God zien', zegt Samira, 'heeft niets met Allahs woorden te maken maar met het zondege karaktar van de man.' Addi over het maagdenvlies dat in de eerste 'huwelijksmacht' (sic!) moet bloeden als je toevallig een dun vliesje hebt zet je man je de volgende dag op de stoep_'

De personages zijn wandelende illustraties van de grote conflicten. Daan is leraar geschiedenis, en dat is dubbel mooi: als leraar kan hij de verloedering van het onderwijs in de verf zetten en als historicus kan hij tonen dat mensen die blind zijn voor de geschiedenis (zo was hij zelf ook, vóór Hajar) de grote conflicten alleen maar verergeren. De vader van Daan is een salonmarxist, goed voor allerlei toelichtingen bij de tegenstelling tussen communisme en kapitalisme. Phreek, een collega van Daan, is homo, en hij krijgt daar problemen mee wanneer de school steeds meer homo-onvriendelijke allochtonen als leerling binnenhaalt. Brian is een 'geïntegreerde' Surinamer die pas na allerlei louche zaakjes ontdekt dat de ware dingen des levens in zijn geboorteland te vinden zijn. Jimmy is een jood die eerst veel geld wil verdienen, maar na een faillissement het belang van de Israëlische staat ontdekt.

De acties en gebeurtenissen zijn allemaal héél symbolisch. Hajar draagt een hoofddoek, niet als symbool van haar geloof, maar als camouflage, om niet herkend te worden in de buurt van Daan. Het kledingsstuk symboliseert de onverdraagzaamheid, die niet alleen van de islam uitgaat. Als Daan en Hajar elkaar na een lange breuk opnieuw vinden, is het zowaar elf september, en kijkt Daan toevallig ook nog eens naar CNN. Na heel wat gekus en gekreun spreekt Hajar indrukwekkende woorden: 'O Daan, Daan lieveling, dit gaat tussen ons in staan, dit gaat ons uit elkaar trekken.' Qua naturel kan dat tellen.

Je kunt natuurlijk zeggen dat dit boek een allegorie is, en dat kartonnen personages, symbolische gebeurtenissen en moraliserende conversaties bij dat genre horen. Dat zal best, maar het lijkt hier wel een verplicht nummertje. Alsof Anker een lijst van sociaal relevante topics afvinkt en daar gauw iets bij verzint wat op een plot lijkt. Voetbalvandalisme; zinloos geweld op de straat, in de disco en de school; verloedering van het onderwijs; corruptie in het stadsbestuur; het huwelijk van Máxima - het wordt hier allemaal bij elkaar geveegd en overgoten met wat ironie.

De ironie van de verteller zit in het spel van afstand en identificatie. Soms neemt hij afstand van zijn personages door ze spottend toe te spreken (als Daan naar de stad Fès trekt om Hajar te zoeken, vraagt de verteller: 'Waarom Fès, Daan? Intuïtie?'), of door de lezer erop te wijzen dat het slecht met hen zal aflopen: 'Over Jim hebben we later nog nieuws - slecht nieuws.' Ook de uitleggerige tussenkomsten wijzen op een breuk tussen verteller en figuur, bijvoorbeeld: 'Gebedsruimte, hoofddoekjes, integratie - voor die dingen interesseert hij zich toch helemaal niet? Nee, maar wat er aan het veranderen is, wat Daan voelt maar niet begrijpt, is dat 'die dingen' zijn begonnen zich voor hem te interesseren.'

Maar meestal neemt de verteller de tics van zijn figuren helemaal over. Zo kopieert hij het holle taaltje van Daan en zijn vrienden, vol nep-Engels. 'Er is ook een keer een meisje heel erg obvious op hem verliefd geweest, met flauwvallen en al - 'Bij mij valt ze nooit flauw', had de al wat oudere leraar Engels bluntly gezegd.' Het gevolg van deze imitatie-vertelling is, dat dit boek wemelt van de modetaal, al of niet in het Engels, al of niet in fonetisch weergegeven dialect. Misschien zijn er mensen die dat leuk vinden, maar voor mij blijft ironisch geciteerde flauwekul gewoon flauwekul. Of, om met Jimmy te spreken, 'Goed kut hoor.'

In scherp contrast met deze spot staat de verheven stijl die de liefde tussen Daan en Hajar bezingt in bijbelse gezangen uit het Hooglied of in stapelzinnen die afgekeurde producten lijken uit de 19de-eeuwse fabriek van sensitivisme en Tachtigers-retoriek. Hajar is 'zijn hinde, (_), zijn oogdoorborende, zijn hartbezetene, zijn braambos, zijn geurende ceder, zijn bloesemende meiboom, zijn moerbeitoppen_', langer dan een bladzijde.

Als complement van deze verheven pathos is er de banale sentimentaliteit die de gedachten, briefjes en gesprekken van Daan en Hajar omtovert tot smartlappen. Afgezien van de eindeloze reeks uitroepen à la 'Kom terug, liefste', en van de volstrekt idiote opeenstapeling van tranerige clichés (is er een homo, dan heeft hij natuurlijk een vriend die aan aids gestorven is), is er nog een hele batterij scènes die uit soaps overgenomen lijkt. Het weerzien van de twee geliefden, in slow motion: 'Zelf bewegen ze ook uiterst langzaam, Hajar en Daan, zo traag stroperig is de tijd nu geworden, kijk Daan, van wie de rechterhand op weg is een reikend gebaar te voltooien dat de uitdrukking wordt van het schreeuwen van zijn hart, en Hajar van wie de smartelijke lippen een O vormen om de klinkers van de naam die nooit een dag, zelfs geen uur is weggeweest uit haar gedachten_' O? Zoals in Daan? Of gewoon zoals in hallo?

Misschien is 'Daan en Hajar' het ultieme boek-als-product. Je zou haast gaan geloven dat deze roman geschreven is na een verkennend marktonderzoek: wat zijn de hot topics van today (ah, die stijl), en hoe kunnen we dat zo gauw mogelijk slijten? Wat mij betreft, is dit het soort literatuur dat nog sneller verslijt dan een dagblad. Alleen, en helaas, krijg je het niet zo gauw uitgelezen als een krant.

Hajar en Daan / door Robert Anker / 2004, Amsterdam, Querido, 287 blz., 17,5 euro, ISBN 90-214-5017-8

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud