Advertentie

Stella Maris: 'Iers Epos'

(tijd) - Halfweg de jaren 90 was het precies 150 jaar geleden dat een reeks mislukte aardappeloogsten aan bijna twee miljoen Ieren het leven kostte. 'The Great Famine', zoals deze catastrofe in Ierland genoemd wordt, werd dan ook uitvoerig herdacht met wetenschappelijke congressen en publicaties, maar ook met standbeelden, toeristische rondritten, films en romans. Dat ook Joseph O'Connor met het zopas vertaalde 'Stella Maris' een boek aan de hongersnood zou wijden, is echter bijzonder verrassend.

Anders dan zijn beroemde zus Sinead, heeft deze auteur zich steeds afzijdig gehouden van het Ierse republicanisme dat uit de geschiedenis van het eeuwenlang onderdrukte Ierland politieke munt wil slaan. Met boeken zoals 'Cowboys and Indians', 'Desperadoes' en 'The Secret World of the Irish Male' toonde O'Connor zich eerder een schrijver van de nieuwe 'Celtic Tiger' en beschreef hij op komische wijze de lotgevallen van de Ieren in een wereld van Guinness, Ryanair en Mary Robinson.

Met 'Stella Maris' vertelt O'Connor echter een heel ander verhaal. Het boek speelt zich af in 1847, aan boord van het gelijknamige schip dat enkele honderden half verhongerde Ierse boeren naar het beloofde land, Amerika, moet brengen. In de jaren 40 van de 19de eeuw alleen al zouden een miljoen Ieren naar Amerika emigreren, hoewel een deel daarvan nooit voet aan wal zou zetten. Ook in de Stella Maris krijgen elke dag enkele arme sukkelaars een zeemansgraf. Het tussendek waar ze verblijven is een broeihaard van ziektes en met een rantsoen van water en beschuit kunnen enkel de sterken overleven.

Naast de vele vluchtelingen die met hun laatste bezittingen de overtocht hebben betaald, verblijven ook enkele rijke passagiers in de luxueuze vertrekken op het bovendek. Onder hen David Merridith, oftewel Lord Kingscourt, die met zijn Engelse vrouw en hun twee zoons zijn bankroete landgoed in Connemara ontvlucht is om een nieuw leven op te bouwen in Amerika. Ze worden vergezeld van hun meid, Mary Duane, die in de hongersnood haar man en kind heeft verloren en over wie Lord Kingscourt zich - in meer dan een opzicht - heeft ontfermd. Aan boord zijn ook een Indische prins, een Ierse dokter, een Engels predikant en de Amerikaan Grantley Dixon, een columnist en journalist die ervan droomt romanschrijver te worden. Dixon is een typisch liberale Amerikaanse betweter die Anglo-Ierse grootgrondbezitters zoals Lord Kingscourt de schuld van de hongersnood in de schoenen schuift. Beide heren hebben dan ook geregeld vlijmscherpe woordenwisselingen, waarbij het meestal Dixon is die het onderspit moet delven.

Van de tussendekspassagiers krijgen naast de doden - die door de ingoede kapitein nauwkeurig opgetekend worden - slechts enkelen een gezicht. Zo is er Seamus Meadowes, lid van het zogenaamde bloedleger dat de protestantse landeigenaars uit Ierland wil verdrijven, en Pius Mulvey, die van datzelfde leger de opdracht krijgt Lord Kingscourt te vermoorden. Mulvey is een duistere figuur die overdag slaapt en 's nachts over de dekken rondwaart. Hij wordt vijandig bejegend door de andere passagiers en er wordt gefluisterd dat hij een gezochte moordenaar is. Dat ook aan boord een moord zal gebeuren staat van meet af aan buiten kijf, maar hoe, wanneer en door wie wordt hoe langer hoe minder duidelijk.

Terwijl de reis langzaam vordert, krijgen we immers meer informatie over de persoonlijke geschiedenis van elk van de personages. De stereotiepe figuren van de graaf, de meid, de journalist en de moordenaar winnen zo aan diepgang en overtuiging. Bovendien blijken de levens van de belangrijkste figuren op onverwachte wijze verbonden, wat het boek naar een spannende en verrassende ontknoping leidt.

'Stella Maris' is in alle opzichten een boek van epische dimensies. Joseph O'Connor - of beter nog: Grantley Dixon, die als auteur van het boek wordt opgevoerd - presenteert op de Stella Maris een miniatuurversie van de Engels-Ierse samenleving, met al haar ongeschreven tradities en onderhuidse spanningen. De verteller verplaatst zich moeiteloos van het Londense society leven, over de gevangenis van Newgate, naar Dublin en de geteisterde provincie Connemara. De bloemrijke en archaïsche stijl die Grantley Dixon hanteert, weerspiegelt opzettelijk die van Charles Dickens (die zelf ook een rolletje speelt in het verhaal). En de sensationele ondertitels van de verschillende hoofdstukken - 'De vierde avond van de overtocht: waarin wordt onthuld hoe de moordenaar zijn snode plannen beraamt; over zijn wreedaardige bedoelingen en genadeloze doortraptheid' - voeren de lezer moeiteloos binnen in de wereld van de Victoriaanse roman.

Zo overtuigend als O'Connor stijl en toon aan het Engelse realisme ontleent, zo speels en sluw combineert hij dat met de Ierse traditie van het experiment. 'Stella Maris' is immers samengesteld uit verschillende documenten: brieven, het logboek van de kapitein, ballades, wetenschappelijke traktaten en krantenartikels. Sommige documenten zijn authentiek, andere verzonnen. Allemaal dragen ze bij tot de epische dimensie en de bewonderenswaardige subtiliteit van dit boek. Door deze meerstemmigheid weet O'Connor de Ierse hongersnood van verschillende kanten te belichten. En het wordt snel duidelijk dat de catastrofe niet simpelweg de schuld was van de luie Ieren, maar evenmin van de gewetensloze grootgrondbezitters of van de hardvochtige Britten. O'Connor toont slechts dat de scheefgegroeide situatie in Ierland zowel rijk als arm beknot, waardoor een tragische afloop onvermijdelijk is.

'Stella Maris' is vele dingen tegelijk. Het is een nauwgezette historische roman, een tragisch liefdesverhaal, een spannende thriller, een komisch avonturenverhaal en een psychologische gevalsstudie. Maar het is ook en vooral het beste boek dat O'Connor tot op heden geschreven heeft. Toonde hij zich in zijn vorig werk vooral een scherp waarnemer van het hedendaagse Ierland, dan overstijgt hij in 'Stella Maris' de grenzen van onze tijd met een spannend epos over Ierland, Engeland en Amerika, maar ook over rijkdom en armoede, geweld en hypocrisie, liefde en haat.

Joseph O'ConnorUit het Engels vertaald door Harm Dammsma en Niek Miedema2003, Amsterdam, Nijgh en Van Ditmar, 22,5 euro, 479 blz., ISBN 90-388-5519-2

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud