Jongeren vinden dat Vlaamse films niet thuis horen in de bioscoop

(belga) - De Vlaamse film wordt niet als echte bioscoopfilm beschouwd, maar is eerder iets voor op televisie. Dat stelt Philippe Meers van de Universiteit van Gent in zijn doctoraatsstudie, waarin gepeild werd naar de filmbeleving van leerlingen van het vijfde en zesde jaar uit het secundair onderwijs.

Dinsdag start in Gent een themaweek onder de titel "Hollywood, Europa en Vlaamse film", georganiseerd door de werkgroep Film- en Televisiestudies van het departement Communicatiewetenschappen van de RUG in samenwerking met Film-Plateau. Het thema is de houding van jongeren tegenover Hollywood-cinema en tegenover Vlaamse film. Dinsdagavond stelt Meers Universiteit er de resultaten van zijn nog lopend doctoraatsonderzoek voor en op donderdag 31 oktober debatteren filmmakers Vincent Bal en Jan Verheyen over dit thema.

De onderzoeksresultaten van Philippe Meers zijn gebaseerd op een dertigtal diepte-interviews (voorjaar 2001) en een enquête (voorjaar 2000), waarbij Meers gepeild heeft naar de filmbeleving van een duizendtal Vlaamse jongeren uit de twee laatste jaren van het middelbaar onderwijs.

Daaruit blijkt dat "film kijken" voor jongeren een bijzonder populair tijdverdrijf is. Het komt op de vierde plaats, na "muziek beluisteren", "vrienden bezoeken/ontvangen" en "naar een fuif of een discotheek gaan". Meer dan de helft van alle jongeren gaat minstens 1 keer per maand naar de bioscoop.

Meestal bezoekt de jongere alleen "grote bioscopen": Metropolis, UGC, Decascoop, Supercity. Slechts één vijfde gaat ook naar "alternatieve" bioscopen zoals Studioskoop (Gent) of Cartoons (Antwerpen), maar slechts "zelden". Meestal zijn dit ook de cinema's waar ze met school naartoe moeten en valt er overigens weinig te zien dat hen aanspreekt.

4 op 5 jongeren zegt een voorkeur te hebben voor Amerikaanse films, die door de band geassocieerd worden met "sterke, mooie, snelle, gemakkelijke, spannende, dure films", de zogenaamde Hollywood-blockbusters.

"Bioscoop is voor hen ook een sociaal gebeuren", zegt Philippe Meers. "4 op 5 gaat gewoonlijk met vrienden naar de bioscoop - slechts 1 op 20 gaat alleen - en de avond eindigt niet met het bioscoopbezoek: 4 op 5 gaat nadien op café". Naar de film gaan wordt ook niet lang op voorhand gepland. "De helft beslist de dag zelf om naar de film te gaan en 4 op 5 beslist aan de ingang welke film ze gaan zien, meestal na overleg met de vrienden".

De Europese film doet het dus niet erg goed bij scholieren, althans niet op het grote scherm. En meer dan 50 procent vindt Vlaamse film wel "iets voor jongeren", maar komt er zijn zetel niet voor uit. "Ruim de helft zal voor een Vlaamse film nooit naar de bioscoop gaan en 4 op 5 vindt het eerder iets voor tv dan voor de cinema". Dat op school meestal Europese films aan bod komen, maakt ze nog minder geliefd bij heel wat jongeren. Meers wijst wel op een licht verschil tussen de verschillende studierichtingen: "Jongeren uit het ASO zijn iets minder negatief over Europese films dan leerlingen uit het TSO. BSO-leeringen zijn het negatiefst".

Toch zegt 1 op 3 scholieren "eerder graag" Vlaamse films te bekijken en 1 op 10 zelfs "heel graag". Maar qua populariteit moet de Vlaamse film het nog steeds afleggen tegen de Amerikaanse en de Britse film, uitzonderingen als "Team Spirit" niet te na gesproken.

Het onderzoek van Meers levert verrassende resultaten op wat betreft het kijkgedrag thuis. Zo zegt ruim de helft van de jongeren op tv meerdere films per week te kijken en beschikt 2 op 5 jongeren over een eigen televisietoestel; 1 op 4 heeft ook een persoonlijke videorecorder.

Televisie is uitgegroeid tot het grootste medium voor de verspreiding van film, stelt de onderzoeker. Bijna 1 op 3 gezinnen heeft een eigen videocollectie met meer dan dertig speelfilms, opgenomen van televisie, en bijna 1 op 5 gezinnen is geabonneerd op betaaltelevisie.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud