Een stukje geschiedenis in brons

(tijd) - 'Een president van de Verenigde Staten uit de handen van Molenbeekse arbeiders', zo staat handgeschreven op een spandoek in een fabriekshal die betere tijden heeft gekend. Het gaat om een monumentaal plaasteren model voor een bronzen beeld van Abraham Lincoln dat de 'Lincoln National Life Insurance Company' in 1931 in Brussel bestelde. En zo mouleerde de Compagnie des Bronzes wel meer nationale helden. Een tentoonstelling toont die verbazende 125 jaar geschiedenis.

De rijkelijke geschiedenis van een onderneming tonen in de onderneming zelf, het kan in de voormalige Bronsfabriek. In de oude ateliers - of wat er nog van overblijft - zie je uitvergrote sfeerfoto's onder de blote hemel van de vroegere gieterij, authentieke brokstukken van het model van het ruiterstandbeeld van Koning Leopold II en het hele verhaal van een succesvolle nijverheid in de draaiershal, het enige bedrijfsgebouw dat - op de directeurswoning na - gerestaureerd werd. Een verhaal over een nijver Molenbeek dat in de 19de eeuw 'het kleine Manchester van België' werd genoemd: een plattelandsdorp dat door de verlenging van het kanaal naar Charleroi uit zijn voegen barstte en aan het einde van de 19de eeuw bijna 60.000 inwoners telde. Naast de autochtonen woonden er ook migranten uit Wallonië, communards uit Parijs, soldaten van Wellington, Italianen, Spanjaarden en vooral Vlamingen die hun honger kwamen stillen. De Molenbeeks-Vlaamse dokwerkers kregen de bijnaam 'vaartkapoenen', niet om hun guitige karakter maar wel omdat ze niet afkerig waren van kleine criminaliteit. Het plaatselijke gemeenschapscentrum draagt overigens nog steeds die geuzennaam.

Molenbeek groeide uit tot het meest geïndustrialiseerde deel van België. De rol van Brussel als hoofdstad van de nieuwe staat, de stadsontwikkeling en -verfraaiing, de burgerij die bouwde, decoreerde en status zocht, deden de vraag naar luxe-producten toenemen. Openbare werken en ruimtelijke ordening vroegen stadsmonumenten: een zieltogende middeleeuwse 't Serclaes onder de bogen van het huis De Zwaan op de Brusselse Grote Markt, Brabo in Antwerpen, het standbeeld van Jacob van Artevelde in Gent, John Cockerill in Seraing, de leeuwen van de Congreszuil, de bronzen deuren van het Justitiepaleis van Poelaert: het kwam allemaal uit de snelgroeiende Compagnie des Bronzes.

Toen Leopold II het Koninklijk Paleis uitbreidde en herinrichtte, zette de Algemene Ondernemingsraad van de Bronsfabriek een zwaar lobbyoffensief in bij architect Balat en de minister van Binnenlandse Zaken. Zo werd la Compagnie des Bronzes hofleverancier. In navolging van het hof kickten ook de adel en burgerij op bronzen kunstvoorwerpen en sierobjecten: pendules, lusters, bustes, schouwgarnituren, deurklinken, acanthusbladeren, scharnieren, kandelabers, snuisterijen. Het gamma bood voor elk wat wils, niet altijd even stijlvast. Een Louis XVI-handvat was niet altijd even zuiver, maar de eclectisch ingestelde cliënteel waardeerde het grote aanbod van een uitgebreide catalogus.

Schetsen met maatgegevens tonen het genie van anonieme tekenaars. Duizenden plaasteren modellen die her en der te grabbel lagen op het vergeten industrieterrein bewijzen de omvangrijke productie. Afgewerkte modellen verraden het vakmanschap van de hooggeschoolde arbeiders. Hun stielkennis werd gewaardeerd door kunstenaars: de beeldhouwer Jef Lambeaux liet in Molenbeek zijn 'Kus' vereeuwigen, Auguste Rodin vertrouwde zijn jeugdliefde 'La Suzon' aan de Molenbeekse fabriek toe.

'Het is die combinatie', zegt directeur Guido Vanderhulst, al 20 jaar de drijvende kracht achter dit initiatief, 'van een dynamische ondernemerszin en een sterke reputatie van het vakmanschap die het succes van de Bronsfabriek gedurende 125 jaar maakte. De vaklui stonden bekend voor hun degelijk werk. Alles werd in het bedrijf zelf gedaan, tot het smeden van het eigen gereedschap toe. En dat terwijl in Parijs, in de 19de eeuw toch het Mekka van de bronsgieterij, vaak met onderaanneming werd gewerkt. Niet altijd even betrouwbaar én trager. De controle over het hele productieproces was een troef die Brussel uitspeelde. Bovendien had de bedrijfsleiding een vinger aan de pols van het economische leven in het land, durfde het risico's te nemen en stelde het zich soepel op. Toen aan het einde van de 19de eeuw de gasverlichting vervangen werd door elektriciteit, bood de Bronsfabriek de mogelijkheid om de oude gaslampen om te bouwen tot elektrisch gevoede exemplaren.'

De technische knowhow en het 'savoir-faire' wierpen ook hun vruchten af in het buitenland. Op internationale exposities viel de 'Fabrique d' Art' geregeld in de prijzen. Bestellingen uit Noord- en Zuid-Amerika, maar ook India en Java stroomden binnen: het hek van de dierentuin van New York, de poorten van de brandweerkazerne van Rio, het standbeeld van Lord Leighton in Groot-Brittannië, dat van Stanley in Congo.

'Alle reden om trots te zijn op dit eens zo glorieuze verleden van een nu zo verkommerde kanaalbuurt', vervolgt Vanderhulst, die dit verleden wil delen met de buurtbewoners en daarom niet alleen opriep om hun bronzen 'bibelots' voor de tentoonstelling uit te lenen maar ook kiest voor een didactische aanpak van deze kunstige tentoonstelling.

Op de benedenverdieping van de draaiershal wordt het productieproces stap voor stap uitgelegd. De twee technieken om brons te gieten worden er getoond: de 'verloren was'-techniek ofwel het gieten in zand. Op de eerste verdieping staan de afgewerkte producten: dierenbeelden, petroleumlampen, herdenkingsplaten, kunstobjecten, het beeld van Idel Ianchelevici voor het kamp van Breendonk, enzovoort.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte brons uit de mode en stuikte de vraag ineen. De Bronsfabriek overleefde tot 1977. Toen kwam de stilte. Maar amper tien jaar later gonst het in de voormalige directeurswoning opnieuw van bedrijvigheid. Het Museum voor de Geschiedenis van de Industrie en de Arbeid, dat niet alleen de bronsgieterij maar alle economische bedrijvigheden van het Brussels gewest wil inventariseren, becommentariëren en in kaart wil brengen, vindt er een stek. Eliane van den Ende

tot 10 april in de vroegere Bronsfabriek, nu het Brusselse Museum voor de Geschiedenis van de Industrie en de Arbeid, Ransfortstraat 27 in Brussel, tel.: 02/410.99.50. Er zijn rondleidingen in het Nederlands en het Engels. Website: www.lafonderie.be

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect