'Architectuur is geen kunst'

(tijd) - 'Ik besefte al snel dat ik geen architectuur studeerde om de rest van mijn leven villa's in Brasschaat te bouwen, maar om maatschappelijk iets te betekenen', zegt Vlaams Bouwmeester bOb Van Reeth. De voorbije jaren hielp hij de Vlaamse overheid, maar ook heel wat steden en gemeenten, bij de keuze van goede architecten voor hun gebouwen. Na meer dan zes jaar draagt Van Reeth eind volgende week het Vlaams Bouwmeesterschap over aan Marcel Smets.

'Uitbollen? Nee gij, ik bol niet uit', zegt bOb Van Reeth (62). 'Ik ga eerst een maand op reis en dan ga ik weer voltijds aan de slag bij mijn architectenbureau AWG.' Want architectuur blijft een virus dat hem niet los laat. 'Het is een fantastisch beroep. Je bent eigenlijk een klein beetje God de Vader: je ontwerpt dingen die een hele tijd zullen meegaan. Dat geeft echt wel een kick.'

Van het moment dat hij in de vierde Latijnse zakte - 'omdat ik alleen maar basketbal en tennis speelde' - wist Van Reeth dat hij architect wou worden. 'Toen vroeg mijn broer mij wat ik wou worden. We fietsten voorbij gebouwen op het Kiel en ik zei: dat wil ik doen, van die hoge gebouwen maken. Ik begon artistieke humaniora en ik bleek ineens een genie te zijn.'

Van Reeth studeerde verder architectuur, maar merkte al snel dat hij een andere richting op wou dan zijn leraren. 'Wij kregen les van aanhangers van de nieuwe zakelijkheid, tenminste dat verkondigden ze in de les, want zelf bouwden ze helemaal anders. In mijn opleiding kreeg ik met weinig overtuigde grote figuren te maken. Op een zeker moment heb ik ingezien: wat heeft dat nog met wonen te maken? Alles werd in zelfstandige naamwoorden gezet, terwijl ik wonen een werkwoord vond.'

'Ik wilde het allemaal zelf ontdekken, soms tot mijn schade en schande. De Antwerpse architect Renaat Braem schreef in die tijd een boekje, waarin hij verkondigde dat België het lelijkste land ter wereld was. Ik zei: meneer Braem, dat is zo, maar u kijkt alleen naar de voorkanten, die zijn allemaal gemaakt door architecten. Je moet naar de achterkanten gaan kijken, naar wat de mensen zelf doen. Al die koterijen, dat is de folkmuziek van de architectuur, dat is wat interessant is. Ik heb toen heel hard gepleit voor de poëzie van het verkeerd gebruik.'

Intussen geeft Van Reeth zelf les, aan de Universiteit van Delft. 'Opleiding is heel belangrijk. Ze drukt toch wel haar stempel op een beginnende architect.'

Met zijn architectenbureau AWG werkt Van Reeth 80 tot 90 procent van zijn tijd in Nederland. 'Hoe dat komt? Omdat wij zo uitzonderlijk goed zijn', lacht de bouwmeester. 'Nederland is echt een ander land. Als je in België iets doet, is de kans groot dat men bij het volgende project zegt: ja maar, die heeft al eens iets gedaan. In Nederland is het omgekeerd. In het begin dat we daar werkten, zo'n 15 jaar geleden, kwam een project van ons in Utrecht heel positief in de media. Die week werden we door zes andere Nederlandse gemeenten of steden opgebeld om bij hen ook iets te komen doen.'

Het is voor een architect veel prettiger werken in Nederland, vindt Van Reeth. 'Er wordt een stuk professioneler gewerkt en de opdrachten zijn veel groter. Nederland is een land van collectiviteit, van woningbouw op grotere schaal. Wij doen vaak stedenbouwkundige projecten van een paar honderd tot een paar duizend woningen. Vijftig woningen is echt een heel klein project in Nederland. In Vlaanderen is dat al enorm.'

Terwijl Van Reeth juist erg geïnteresseerd is in dergelijke projecten, zegt hij. 'Toen ik in het derde jaar van mijn opleiding zat, dacht ik: ik zit hier toch niet te studeren om heel mijn leven villa's te moeten bouwen voor mensen in Brasschaat. Ik wou maatschappelijk iets betekenen. Dus wou ik absoluut sociale woningbouw maken, grote massa's. Dat is de relevantie van ons vak. Wat heb je er nu aan individuele woningen te bouwen, daar heb je zelfs geen architect voor nodig.'

'Ik heb heel veel geschiedenis van architectuur en stedenbouw gestudeerd', zegt Van Reeth. 'Je moet weten dat je deel uitmaakt van een grote traditie van voortgang. Je moet weten wat er je voorafgaat van ideeën om te weten waar je zelf mee bezig bent. Ik heb veel grote voorbeelden, ik heb van iedereen gepikt en doe dat nog constant.'

Maar zijn grootste voorbeeld en inspiratiebron is toch Bob Dylan, 'om de poëzie van wat hij bracht en de manier waarop hij dat heeft gebracht. Ik vind Bob Dylan de grootste kunstenaar van de voorbije eeuw. Wat hij met muziek deed, wou ik met architectuur doen.' Toch ziet Van Reeth architectuur niet als kunst. 'Architectuur kan geen kunst zijn omdat ze niet kan of moet provoceren. Kunst moet u een trap onder uw kont geven. Dat doet architectuur niet.'

Niet schoonheid is voor de eerste Vlaamse Bouwmeester het belangrijkste in architectuur, ook niet functionaliteit, wel culturele duurzaamheid en de mogelijkheid tot verandering. 'Schoonheid, dat zal er wel bijkomen. Culturele duurzaamheid, dat is mijn houvast. Bij stedenbouw en architectuur kun je vijf lagen onderscheiden. Je hebt als eerste de footprint van wat er gaat komen, het stedenbouwkundig bezetten van het gebied met een gebouw of met gebouwen. Dat is een geste die zo goed als eeuwig is. Een tweede laag is de structuur van het gebouw, de gevels. Daarvan zeg ik, zeker als het om de overheid gaat: wij bouwen voor vierhonderd jaar. Als steden zich toeristisch aanprijzen, is dat altijd met gebouwen die vierhonderd jaar oud zijn en dus al honderden keren van functie veranderd zijn. Dat zijn de twee lagen die cultureel duurzaam zijn. En dan heb je installaties in gebouwen, dertig jaar, de indelingen van gebouwen, vijftien jaar, de afwerking van gebouwen, vijf jaar. Die zijn maatschappelijk veel minder belangrijk.'

'Verandering en veranderbaarheid is wat mij bezighoudt in architectuur. Dat je vandaag gevraagd wordt om een functioneel programma te vertalen, is eigenlijk het alibi om verder te denken en ervoor te zorgen dat wat je ontwerpt voor meer dingen bruikbaar is dan datgene waarvoor je het vandaag maakt. Het gebruik van een gebouw verandert constant. Mijn kantoor in Antwerpen is een woonhuis geweest toen ik het ontwierp. We woonden hier met drie kinderen. Nu is het een kantoor voor dertig architecten. De structuur van wat je bouwt, moet die verandering inhouden. Herenhuizen kunnen vaak op een prachtige manier hergebruikt worden als woning of kantoor. Maar veel van wat de jongste vijftig jaar gebouwd is, is zodanig eenduidig gebouwd, dat je er nog weinig anders mee kan doen dan afbreken.'

Als Vlaams Bouwmeester moest bOb Van Reeth, naar het voorbeeld van onder meer Nederland, de overheid helpen een kwalitatief patrimonium te ontwikkelen. Daarbij gaat het in eerste instantie om de Vlaamse overheid. 'Maar heel snel kwamen ook de lokale overheden vragen om hen te helpen. Daar ben ik heel blij mee: steden en gemeenten bouwen veel meer dan de Vlaamse overheid, en die gebouwen - een nieuwe bibliotheek of gemeentehuis - zijn veel zichtbaarder. De bevolking ziet veel meer goede architectuur doordat we ook lokale overheden helpen in hun selectie.'

Van Reeth ontwikkelde voor die selectie het systeem van de open oproep: het team van de Vlaamse Bouwmeester maakt samen met de bouwheer een voorselectie van vijf bureaus, die hun visie mogen omzetten in een maquette of een project en daar ook voor vergoed worden. Uit die vijf wordt dan diegene gekozen die het best aan de neergeschreven verwachtingen en ambities van de bouwheer beantwoordt.

'Wat mij opvalt, is dat architecten vaak een heel verkeerde mening over mijn job hebben', zegt Van Reeth. 'Ze zien de Vlaams Bouwmeester bijna als een vakbondsafgevaardigde, die moet zorgen voor hun job. Maar het is absoluut niet mijn taak om te zorgen dat alle architecten aan bod komen.'

'Ik sta voor de bouwheer, niet voor de architecten. Het responsabiliseren van de bouwheer is het belangrijkste. Ik moet zorgen dat de opdrachtgevers niet alleen een programma van eisen opstellen, maar dat ze ook hun ambities of hun missie op papier zetten, en hun verwachtingen bekendmaken van wat ze gebouwd willen zien. Voordien waren het vaak gewoon ontwikkelaars die gebouwen maakten en die dan verhuurden of verkochten aan de overheid. En de opdrachten gingen lukraak nu eens naar de een, dan weer naar de ander. Wij ontwikkelden een systeem om goede architecten te selecteren, en dat hebben we toch een paar honderd keer kunnen doen.'

Na meer dan zes jaar is Van Reeth lang genoeg Vlaams Bouwmeester geweest, vindt hij. 'Ik werd aangesteld voor een periode van vijf jaar. Vorig jaar heb ik toegezegd om nog een jaar langer te blijven, omdat er nog geen opvolger was en om de verkiezingsperiode te overbruggen. Maar nu is het genoeg geweest, anders zou er toch een zekere vermoeidheid optreden. Soms moet je echt tegen mensen ingaan, en dat is vermoeiend. Je zou er cynisch van kunnen worden, en dat mag niet.'

Ook de lange dagen kruipen in de kleren. 'Het zijn soms dagen van 14 tot 16 uur. Vroeger kookte ik elke dag, dat heb ik de jongste zes jaar bijna niet meer gedaan. Ik ging 's avonds vaak spreken voor groepen. Dat hoorde bij de job: ik moest sensibiliseren en communiceren.' Echt missen gaat hij het niet doen. 'Maar ik heb wel zes jaar aan de andere kant van de tafel gezeten natuurlijk, aan de kant van de bouwheren, en dat vond ik best interessant.'

Gaat hij nu als architect op een andere manier met bouwheren om? 'Ik denk dat ik nog wat meer autoritair geworden ben. Ik heb een stukje van de macht geproefd en ben nu minder geneigd zomaar van gedacht te veranderen. Als ontwerper vond ik het vaak een uitdaging als een bouwheer mij vroeg om, zonder af te doen aan de kwaliteit, bijvoorbeeld toch economischer te werken. Het zou wel eens kunnen dat ik daar nu niet meer zo snel aan toegeef.'

Wat niet wil zeggen dat hij weigerachtig staat tegenover bouwheren die duidelijke beperkingen opleggen. 'Het is een misvatting dat je een architect zoveel mogelijk moet vrijlaten. Je moet hem juist zoveel mogelijk beperkingen meegeven, anders kan hij niet creatief zijn. Ik heb één keer gewerkt voor een man die absoluut niet wou zeggen hoeveel hij uit te geven had en die mij absoluut wou laten doen. Het moest een enorme villa zijn, het kon niet op. Dat is een ramp geworden. Hoe meer gegevens je hebt, hoe beter.'

Als Bouwmeester staat bOb Van Reeth zowel in voor kleinere als voor heel prestigieuze projecten. Grote projecten als het Muziekforum in Gent of het Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen, is daar nood aan? Van Reeth vindt van wel. 'Een stad maakt voor een stuk haar identiteit met de monumenten die ze heeft en maakt. Het is dus belangrijk voor de identiteit van een stad dat ze pregnante en exclusieve gebouwen heeft, die opvallen tegenover de banaliteit van het wonen. De architectuur van het wonen zou best in mijn ogen een onzichtbare architectuur zijn. En dat is het meestal ook, gelukkig. Het vormt de achtergrond van die monumenten die maken dat Gent Gent is en dat Antwerpen Antwerpen is. Prestigieuze projecten als het MAS en het Forum kunnen daar in grote mate toe bijdragen. Het MAS bijvoorbeeld verschijnt in een buurt die aangejaagd moet worden om zich verder te ontwikkelen en kan daar een belangrijke rol in spelen.'

Maar zelf is hij niet meteen de architect van dergelijke prestigieuze projecten? 'Ik heb wel een aantal dingen gemaakt, zoals het Zuiderterras en het Huis van Roosmalen aan de Antwerpse Scheldekant, daar hebben we een hele kaai mee ontwikkeld. In twee jaar tijd waren de prijzen vertienvoudigd in die buurt.'

'Ik zeg altijd, ik zou wel eens graag een kerk bouwen of een museum. Alleen zijn stedenbouw en stadsreparaties op dit moment het voornaamste. Ineens een heel stuk stad aanpakken, zoals we in sommige steden in Nederland doen, dat zijn trouwens best boeiende opgaven. Dat is eigenlijk van groter belang dan een groot gebouw maken. Wij werken in feite altijd ook aan de publieke ruimte, aan de democratische ruimte, wat we ook doen. Daar gebruik je gebouwen voor. Maar wat mij echt motiveert, is dat architectuur altijd deel uitmaakt van die openbare ruimte, zelfs al gaat het om een rijhuisje. Van Roosmalen is een gewoon hoekhuis, maar wel op een moment gemaakt dat heel die buurt uit krotten bestond. Het heeft een aanzet gegeven tot het vernieuwen van heel die kaai. Zo'n schreeuwerig gebouw met zwarte en witte lijnen - dat doe je normaal niet, maar op die plek was het een stunt, want de stad zelf had geen beleid. Daarmee wilden we eigenlijk zeggen: dit is een hoog te waarderen gebied. En men heeft dat ook gezien.'

'Als Bouwmeester moet je weten wat er bestaat aan architectuuropvattingen. Er zijn veel interessante manieren om met architectuur bezig te zijn. Die moet je kennen, en die moet je ook allemaal kansen geven. Ik denk niet dat je zult kunnen zeggen: in de tijd dat Van Reeth er was, was er dat soort architectuur. Ik heb ervoor gezorgd dat alle soorten architectuur aan bod konden komen.'

'Ik heb altijd geprobeerd iedereen rond de tafel te krijgen. Ik heb ook altijd geweigerd om in die functie een potlood vast te pakken. Als anderen met plannen kwamen, was mijn techniek altijd vragen stellen: waarom, waarom, waarom? Daar kun je heel veel mee doen. En soms moet je wel zeggen: nee, dat willen we niet met zijn allen. Dat helpt wel: als je dat zegt, is er niet rap iemand die zegt dat hij dat wel wil. (lacht) Maar dan moet je natuurlijk ook wel zeggen waarom je dat niet wil. Het betekent niet dat ik geen eigen overtuiging heb, verre van. Maar de manier waarop je het doet, is heel belangrijk. Een beetje charisma helpt wel.'

Tot slot: is bOb Van Reeth tevreden met de keuze van Marcel Smets als zijn opvolger? 'Ja, schitterend, dat is het beste wat kon gebeuren. Ik had niet verwacht dat Marcel Smets zich kandidaat zou stellen, maar hij heeft zijn kandidatuur heel goed gemotiveerd. Hij wil consolideren wat ik begonnen ben, en heeft daar ook de nodige deskundigheid en maturiteit voor.'

'Natuurlijk zal hij ook zijn eigen accenten leggen. Hij is in eerste instantie stedenbouwkundige. Ik heb ook altijd oog gehad voor het stedenbouwkundige aspect, maar hij zal waarschijnlijk alles wat daarmee te maken heeft nog meer in de verf willen zetten.'

bOb Van Reeth en Marcel Smets zijn geen onbekenden voor elkaar. 'Ik heb 35 jaar geleden vaak met hem samengewerkt. We hebben ook samen een actiegroep opgericht in Mechelen, tegen de afbraak van een oud stadsdeel. Ik heb alle vertrouwen in hem.'

Saskia VEREENOOGHE

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud