Bazille: vergeten tijdgenoot van Renoir en Cézanne

PARIJS (tijd) - De Franse schilder Frédéric Bazille stierf jong en schilderde in totaal zestig doeken. Een derde daarvan is te zien in het Parijse Musée Marmottan Monet. Bazille behoort tot de generatie van 1840, net zoals grootheden als Auguste Renoir, Paul Cézanne en Claude Monet.

Hoewel ze uit verschillende streken en klassen afkomstig waren, wilden Renoir, Cézanne, Monet en Bazille onder het keizerrijk van Napoleon III (het Second Empire) schilder worden. Het volstond voor hen niet een goede schilder en vakman te worden. Ze hoorden ook de lokroep van de kunst.

De vakman leerde in een goed gerodeerde traditie hoe hij een doek moest vullen en tot een fuik voor het oog moest maken. De vakman-schilder moest veel vertellen en de kijker veel te zien geven. Wie goed naar het werk van deze schilders kijkt, ziet dat hun beelden uiteenvallen in details. De kijker ziet het doek niet als geheel, maar verliest zich in de details. De 'echte' schilders misten in deze werken de inzet. Voor hen moest het doek als vlak een geheel zijn, geen optelsom. Eugène Delacroix, Gustave Courbet en Eduard Manet slaagden erin het beeld opnieuw tot een eenheid te maken. Deze schilders waren de referentiefiguren voor de generatie die in 1860 studeerde en buiten de grenzen van de opleiding wilde breken.

Wie het doek als geheel ziet, erkent dat het een vlak is. Hij benadrukt kleur, veeleer dan de lijn. Hij wantrouwt perspectief en modellering. Dat zijn allemaal technieken om in het doek te geraken en het het doek zelf niet meer te zien. Tot aan de oorlog van 1870 tastten de jonge Franse schilders de hypotheses af. Donker of licht schilderen? Met of zonder figuren? In het atelier of in open lucht?

Frédéric Bazille geraakte nooit verder dan 1870. De gefortuneerde hugenotenzoon uit Montpellier minachtte de oorlog, maar meldde zich uiteindelijk toch als soldaat. Hij bekocht het met zijn leven. Het zegt iets over Bazille dat hij zijn leven niet vrijwaarde voor de kunst. Die lag hem ondanks alles niet zo na aan het hart. Bazille was veeleer een amateur voor wie het genereuze enthousiasme zwaarder woog dan het oeuvre.

In de zeven jaar dat hij schilderde, maakte Bazille enkele van de verrukkelijkste doeken van het Second Empire. Doeken waarin geen verbetenheid doorklinkt maar een genereuze en verwende verfijndheid. De burgerlijke sereniteit maakt de doeken mooi, maar tegelijk wat oppervlakkig en doelloos.

In 1864 en 1868 schilderde hij tweemaal een meisje in de schaduw op een heuvel, met een zonovergoten dorp op de achtergrond. Ze draagt in beide werken een lichte jurk met roze streepjes. In het oudste doek kijkt het meisje weg van ons, naar het dorp; in het tweede kijkt ze ons nadrukkelijk, maar weinig sprekend aan. Bazille is geen mensenkenner. Het meisje zit er in beide doeken meer decoratief dan gemotiveerd bij. Toch is die afstand tot de vrouwelijke psyche aandoenlijk. Zelfs de rug van het meisje in het doek van 1864 lijkt eindeloos meer te weten dan de jonge schilder.

Blijkbaar merkte Bazille niet dat hij voor- en achtergrond in twee tegengestelde stijlen uitwerkte. Vooraan schilderde hij volgens een klassieke formule: een mooi afgelijnd hoofd, detaillering in de stof, een warm gevoel van modellering, een heel gevoelig en genuanceerd licht. Op de achtergrond maakte hij daarentegen gebruik van hoge striemende gelen, knallend licht, een aantoetsend penseel. Hier krijgen we veeleer een globale indruk met weinig aflijning en detaillering. De figuur benadert een perfect burgerlijk portret, het landschap is avant-garde. Het effect is even mooi als inconsistent.

Bazilles vriendschappen trokken hem de vernieuwing in, zijn burgerlijkheid trok hem naar het verleden en naar de gevestigde waarden. Hij schilderde enkele prachtige mannelijke naakten waarin hij zich weer in dubbelzinnigheden manoeuvreerde. Uiterst intrigerend zette hij neoklassieke - haast schoolse - anatomieën in een overtuigend hedendaags groen. Maar wat in Manets 'Le Déjeuner sur l'Herbe' een virtuoos vertelde paradox is waarin geen enkele gêne de absurditeit van de situatie verraadt, slaagde Bazille er niet in zijn creatie werkelijk op te spannen. En toch, juist die esthetische onhandigheid maakt de doeken weer onvergetelijk.

Omdat Bazille in amper zestig werken (we zien een derde ervan in het Musée Marmottan) niet verder geraakte dan 1870 en dus ten hoogste een pre-impressionist genoemd kan worden, zie je duidelijk onder welke druk zijn generatie stond. Iedere vijf werken kwam Bazille op zijn stappen terug, keek achterom en probeerde een nieuwe route uit: een vis op tafel à la Courbet wordt gevolgd door een landschap in de voetsporen van de school van Barbizon en mannelijke naakten in een pastorale afgekeken van Puvis De Chavannes. Het is duidelijk, hij zocht een oplossing, maar forceerde er geen. Monet, Renoir en Cézanne wisten dat het alleen zo kon. Maar aan iedere hypothese wijdde Bazille zoveel liefdevolle concentratie dat zijn liefde voor de kunst juist niet verdwijnt achter het verblindende succes.

Een van zijn laatste werken is een klein wonder. In 'La toilette' wordt een naakte vrouw bij het aankleden geholpen door twee kameniersters. Zij zit lui op een divan met rondom haar een weelde aan stoffen en motieven. De scène is weinig spectaculair, maar treft in twee details: het muiltje dat de zwarte kamenierster aansteekt en de arm van het blanke meisje die ijdel en vriendschappelijk op de donkere rug rust. De geklede vrouw links houdt een bebloemde zwarte kamerjas klaar. Het is het soort scène waarvan Degas en Manet een veel scherpere analyse maakten, maar die Bazille tot een mythische haremscène styleerde. Hij keek terug naar Delacroix en Chassériaux en koos voor een muzikale lectuur van houdingen en figuren (Bazille was een fervente melomaan) die na Courbet en Manet zeer onwaarschijnlijk was geworden.

Frédéric Bazille, Musée Marmottan Monet,2 Rue Boilly, Paris XVI, tot 18 januari,iedere dag van 10 tot 18u., gesloten op ma.Meer informatie: www.marmottan.com.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud