Familiealbum van Spaanse portretkunst

(tijd) - Met 86 doeken van 30 schilders toont het Prado Museum in Madrid het familiealbum van vijf eeuwen Spaanse portretkunst. Het is voor het eerst dat dit genre, van El Greco tot Picasso, in Spanje op een rij wordt gezet.

Het portret als genre was een stedelijke specialiteit, voornamelijk verbonden met kringen van macht, monarchie, aristocratie en bourgeoisie. Uit die kringen kwamen de opdrachten. Koningen, hertogen, bankiers en handelaren wilden zich laten vereeuwigen, enerzijds ter bevestiging van hun macht, anderzijds ter verhoging van hun imago en prestige. Via het portret is het zelfs mogelijk tot een reconstructie te komen van een staatstheorie uit vorige eeuwen en van de rechten en plichten van een prins of prinses. Het portret toont de twee gezichten van een vorst of een regent: aan de ene kant zijn institutionele trekjes, aan de andere kant zijn fysieke en karaktertrekken.

Spanje liep, vergeleken met andere Europese landen, niet voorop in dit genre. Terwijl op de Spaanse hoogvlakte kerken en kloosters nog werden gevuld met religieuze voorstellingen van Castilliaanse schilders, bloeide de portretkunst al in de Nederlanden. Gestuwd door rijkdom en vrijheid van het Bourgondische huis, waren het de Vlaamse Primitieven die zich in de 15de eeuw in dit genre bekwaamden. Zo reisde de schilder Jan van Eyck in 1428 naar Portugal met de opdracht daar een portret te schilderen van Isabella, de toekomstige echtgenote van de Bourgondische vorst Filips de Goede. Van Eyck nam gelijk enkele portretten mee van de koning. Op die manier konden Filips en Isabella via de portretkunst al kennis met elkaar maken alvorens in het huwelijk te treden.

Van Eyck, Van der Weyden, Memling, Van Leyden, Van Heemskerck, Dürer, Cranach en Holbein waren in de jaren 1450-1530 veel gevraagde schilders aan het hof van de Bourgondiërs, de Habsburgers en in kringen van de Vlaamse en Duitse aristocratie. Tegelijkertijd maakten schilders als Bronzino, Corregio, Botticelli, en Da Vinci in het voetspoor van de Renaissance naam met hun portretten in Florence en Rome. De opdrachtgevers beperkten zich niet meer tot de machthebbers. Ook patriciërs, handelaren en humanisten werden vereeuwigd in portretten en allegorische schilderijen.

In Spanje kreeg dat genre pas een impuls toen koning Maximiliaan I een Vlaamse schilder, vermoedelijk een leerling van Hans Memling, naar Spanje stuurde met de opdracht portretten te maken aan het hof van de katholieke koningen, Isabella en Ferdinand, de grootouders van keizer Karel. Juan de Flandes werd hij in Spanje genoemd. Hij verwierf als eerste ten zuiden van de Pyreneeën een reputatie als portrettist. Het zou niet bij één buitenlander blijven. De Vlaming Peter de Kempeneer (Pedro de Campaña in Spanje), de in Estland geboren maar in Brugge opgeleide Michel Sittow en de Engelsman Antonio Inglés (Anton de Engelsman) bekwaamden zich eveneens in dit genre aan het hof van de katholieke koningen. De enige Spaanse schilder die zich in de jaren met hen kon meten was Pedro Burruguete.

Zo begint de expositie in het Prado Museum ook: met het portret van een prinsesje door Juan de Flandes, enkele naargeestige koppen van De Kempeneer en een sereen portret van Burruguete. Het was het voorzichtige begin van de portretkunst in Spanje, ook al moesten er nog twee buitenlanders aan te pas komen die in Spanje bijna als Spanjaarden worden beschouwd.

De uit Venetië afkomstige Titiaan werd de hofschilder van keizer Karel, ook al zou hij nooit één voet in Spanje zetten. De Kretenzer immigrant Domenikos Theotokopoulos, beter bekend als El Greco, legde zich in de jaren van Filips II, en daarmee in de tijden van de contrareformatie, in zijn maniëristische stijl vooral toe op religieuze thema's. Zijn schilderij 'De aanbidding' heeft op deze expositie een sleutelfunctie, omdat het een van de eerste doeken is waarop de opdrachtgever, Filips II in dit geval, wordt afgebeeld. Pas later introduceerde El Greco als eerste het civiele portret met zijn onsterfelijke beeltenis van 'De Man met de hand op de borst'.

Echte portrettisten heeft Spanje nooit gekend, wel excellente schilders die in hun oeuvre prachtige portretten hebben achter gelaten, zoals Velázquez, Goya en Picasso. Wie in hun portretten naar typische Spaanse karaktertrekken zoekt, komt bedrogen uit. Het zou hooguit de trots kunnen zijn, bijna de minachting, gecombineerd met een ideologische strengheid, zoals dat spreekt uit het gezicht van Luis de Góngoza, meesterlijk gepenseeld door Velazquez.

De portretten van El Greco verraden de rechtlijnigheid van het geloof.

Monarchie en aristocratie - als opdrachtgevers - voeren aanvankelijk de boventoon. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw kwam met Ignacio Zuluoga en José Gutiérrez Solana een generatie schilders die de (vaak anonieme) modellen zocht onder het volk. Zelfportretten zijn er, maar niet uitbundig. Verhoudingsgewijs hebben weinig Spaanse schilders zich bezondigd aan zelfverheerlijking door voor de spiegel te gaan staan.

De ijdele Dürer deed niets anders, Rembrandt vond zichzelf ook een inspirerend model maar Spanje moest wachten tot Velazquez zichzelf bescheiden neerzette achter zijn ezel in 'Las meninas'.

Pas met Goya kreeg dit genre een opleving met enkele zelfportretten die Freud zo op zijn bank had kunnen leggen. Dat voor deze expositie ook zelfportretten aanwezig zijn van Joan Miró (afkomstig uit het Picasso Museum in Parijs) en van Picasso (afkomstig uit een Japanse privé-collectie), biedt een toegevoegde waarde.

Dat Picasso niet zou thuishoren in het Prado, het zij zo. Maar zijn 'Dame in het blauw' laat zich nu vergelijken met een soortgelijke dame van Velazquez (Mariana van Oostenrijk). Dat moet voor velen kunsthistorische emoties genereren.

Voor het eerst hangen ook de twee portretten die Goya van de hertogin van Alva (La duquesa de Alba) naast elkaar, de een afkomstig uit het Huis van Alva in Madrid, de ander uit de collectie van The Hispanic Society of America in New York. Te bizar van woorden is de 'Vrouw met de baard' van De Ribera, een misleidende titel omdat hij in feite een man heeft afgebeeld die een kind zoogt aan zijn zwaar geschapen, uit zijn hemd vallende borst. Het vierde doek valt op omdat het er niet is: paus Innocentius X van Velazquez, het enige doek van een paus door een Spanjaard geschilderd.

De 86 doeken die bijeen zijn gebracht, zijn absolute topwerken uit de Prado-collectie en uit andere gerenommeerde musea. De expositie wordt begeleid door een informatieve catalogus met onder andere een lezenswaardig verhaal van commissaris Javier Portús. Henk BOOM

'El retrato español. Del Greco a Picasso', tot 6 februari in het Prado Museum in Madrid. De bijbehorende catalogus (ook in het Engels) met 400 pagina's en 226 afbeeldingen kost 30 euro. Voor meer informatie: www.museoprado.es

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud