Het landelijke leven van weleer

(tijd) - In het Cultuurcentrum van Sint-Niklaas loopt een tentoonstelling met werk van Belgische landschapschilders uit de periode van 1870 tot 1920. Onder landschapschilders wordt verstaan: kunstenaars die het landelijke leven vastlegden. Behalve bossen, beemden en vergezichten, schilderden zij ook mensen aan het werk op het veld, vee en dorpstaferelen.

Omdat zij een maximale natuurgetrouwheid betrachtten, hebben hun landelijke voorstellingen in zekere zin ook een documentaire waarde. Sommige van hun doeken doen nu zelfs folkloristisch aan. Frans Van Leemputten schilderde bijvoorbeeld in 1904 het optreden van een draailierspeler in een dorpskom, Isidore Meyers legde in 1883 koordendraaiers vast, en Isidore Verheyden beeldde uit hoe een boerin in de 19de eeuw boter karnde in een ton.

Of de Belgische landschapschilders werkelijk realistisch te werk gingen, is echter zeer de vraag. Zij zagen het landleven te idyllisch. De tentoonstelling in Sint-Niklaas wekt bij de bezoeker een nostalgisch verlangen op naar het ongerepte buitenleven. In 1880 had 65 procent van de landbouwbedrijven in ons land een oppervlakte van minder dan één hectare. Dat betekende honger en miserie.

Toch kunnen de getoonde schilders niet voor naïevelingen of conservatieven worden versleten. Zij verlieten hun ateliers om in openlucht te schilderen. Ook hun onderwerpen, het platteland en het gewone volk, waren niet meteen burgerlijk. Met het schilderen in openlucht, het zogenoemde plainairisme, waren de Belgische landschapschilders echter geen voorlopers. De Franse kunstenaars hadden het hen voorgedaan. In Barbizon, een dorp aan de rand van het woud van Fontainebleau, hadden enkele Franse schilders zich vanaf 1830 terugtrokken om er in en naar de natuur te schilderen. In België ontstonden vanaf 1860 gelijkaardige bewegingen, die de 'School van Tervuren' en de 'School van Kalmthout' worden genoemd. De jong gestorven Hippolyte Boulenger (1837-1874) werd de leidende figuur van de 'School van Tervuren'. Van hem is in Sint-Niklaas een prachtig herfstlandschapje te zien.

Ongeveer gelijktijdig met de kunstenaars in Tervuren, kwamen ook in de Kempen schilders bijeen, zoals Jacques Rosseels, Adriaan-Jozef Heymans, Florent Crabeels en de al genoemde Isidore Meyers. Zij voelden zich aangetrokken tot de melancholische landschappen van de streek. Ze werden later ondergebracht in wat 'Kalmthoutse School' heet. Diverse leden van het groepje in Kalmthout ontmoetten elkaar later in de streek van Dendermonde, aan de oevers van de Durme en de Schelde. Zij beïnvloedden jongere schilders, waardoor de 'School van Dendermonde' ontstond. Het belangrijkste lid van deze regionale school was Franz Courtens. Van hem is in Sint-Niklaas het grote lumineuze doek 'Rustende koeien' te zien, uit het laatste kwart van de 19de eeuw.

En natuurlijk is er ook Emile Claus, die zich in 1886 vestigde in het Oost-Vlaamse dorp Astene. Zijn doeken vol harmonie en zonovergoten geluk hadden een grote invloed op Modest Huys, en op twee vrouwelijke kunstenaars, Jenny Montigny en Anna De Weert. De naturalistische voorstellingen van de eerste Belgische landschapschilders maakten dan definitief plaats voor luministische indrukken.

In Sint-Niklaas worden 65 werken getoond. Annemie De Gendt stelde de tentoonstelling samen. Zij kon tal van privé-verzamelaars overtuigen een werk uit hun bezit in bruikleen te geven. Veel van de getoonde kunstenaars waren in hun tijd uitermate succesvol. Hun werken werden zowel door Belgische als door buitenlandse musea aangekocht. Die doeken staan nu meestal in de reserves. Maar in de Belgische veilinghuizen halen dergelijke schilderijen nog steeds hoge prijzen.

'Verbeelding van het landelijk leven', in het Cultuurcentrum Sint-Niklaas, Zwijgershoek 14, 9100 Sint-Niklaas. Tot 9 mei. Open van di. tot za. van 14 tot 17u., op zo. van 10 tot 17u., tel.: 03/777.29.42.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud