'Kunst helpt om de dwaasheid van de wereld te verdragen'

(tijd) - De kunstgalerie De Zwarte Panter in Antwerpen bestaat 35 jaar. Het pand aan de Hoogstraat is wellicht de meest laagdrempelige galerie van het land: kunstliefhebbers, maar ook buurtbewoners en binnen- en buitenlandse toeristen die het oude Antwerpse stadscentrum bezoeken, komen er graag en makkelijk binnen. Galeriehouder Adriaan Raemdonck is een kleurrijke figuur en heeft tot vandaag de levendigheid van het artistieke avontuur weten te bewaren. Eind maart legt Raemdonck ook zijn mandaat als voorzitter van de Belgische beroepsvereniging van galeriehouders neer. Een mooie gelegenheid om terug te blikken op een rijk en soms stormachtig verleden. 'De zoektocht naar wat vrijheid betekent, was en is voor mij nog steeds de belangrijkste drijfveer.'

'Kunsthandelaar zijn is meer dan een beroep uitoefenen, het is een levenswijze,' zegt Raemdonck. 'De Zwarte Panter bestaat nu 35 jaar. Als ik alleen maar zou kunnen zeggen dat ik in al die tijd mijn kost verdiend heb, zou ik mij ongelukkig voelen. Niet dat zorgen voor een broodwinning onbelangrijk is. Maar het gaat om veel meer. Omgaan met kunst en kunstenaars is een beleving die een innerlijke rijkdom genereert. Ik zie geen verschil tussen een schilderij en een kathedraal. Wij hebben die dingen nodig, zij zijn door mensen gemaakt. De goden mogen tevreden zijn dat er kunstenaars en wetenschapsmensen bestaan, anders werden ze nooit zo geëerd. In de artistieke prestatie blijft voor mij de mens centraal staan, met zijn dromen, tekortkomingen en vergissingen. Kunst helpt om de dwaasheid van de wereld te verdragen, te verwerken. Waarom wordt er zoveel kunst gestolen? Gewoon omdat kunst fantastisch is. Waarom worden er nog altijd werken van Rubens, Velasquez of Goya in musea getoond? Het zijn dingen met een reflectie over de menselijke schoonheid, over de melancholie, de droom en de wanhoop van de mens. Kunst houdt nooit op, er wordt muziek gecomponeerd en poëzie geschreven. Daar gaat het over. Het is onze plicht om wegen voor jonge mensen te openen.'

Adriaan Raemdonck werd drie jaar geleden gekozen als voorzitter van Ubema, de Unie van de Belgische Luxemburgse kunstmarkt. Ubema is een overkoepelende beroepsvereniging waarbij zo'n 20 specifieke beroepsverenigingen uit de kunstwereld aangesloten zijn, van antiquairs over galeriehouders en kunstexperts tot restaurateurs. Het mandaat van Raemdonck loopt in maart van dit jaar ten einde. Hij wordt in zijn functie opgevolgd door Jan De Maere, een bekende handelaar in Oude Meesters. 'De kunsthandel is volop in evolutie,' zegt Raemdonck. 'Er zijn veel meer fiscale eisen dan vroeger. Zo is er het volgrecht dat in de galeries in België wordt ingevoerd vanaf 2006. Het gaat om een speciale heffing bij de verkoop van een kunstwerk, geldig tot zeventig jaar na het overlijden van de kunstenaar. Een deel van de opbrengst zou naar behoeftige kunstenaars gaan. De belangen van de kunstenaars worden de jongste jaren beter verdedigd tegenover de galeriehouders, mede door de komst van het kunstenaarscollectief NICC. Ik heb als voorzitter van Ubema gepoogd een betere voorlichting te geven over wat beroepen als galeriehouder en antiquair inhouden. Precies omdat daarover zoveel misverstanden bij het publiek bestaan, heeft de kunsthandel nood aan meer transparantie.'

De combinatie van enthousiasme en ernst waarmee Raemdonck over kunst en de kunsthandel spreekt, af en toe afgewisseld met scherts, kenmerkt hem. Het is een houding die zowel bij collega's galeriehouders als kunstliefhebbers respect afdwingt. Raemdonck heeft zijn weg helemaal alleen moeten zoeken. Hij is niet afkomstig van een kunstminnende familie. Hij werd in 1945 geboren in het Brabantse Pepingen, in het Pajottenland. 'Eigenlijk ben ik geboren en getogen in een dorpscafé,' zegt hij. 'Mijn vader was caféhouder en vooral paardenhandelaar. Ik ben in een liberaal-katholieke sfeer grootgebracht. Een zus van mijn moeder was non, zij werkte in een Brussels hospitaal. Kan het Bourgondischer: een tante nonneke en drank? Met kunst had mijn familie niets te maken. Het enige wat mijn ouders van kunst afwisten, was dat Van Gogh zijn oor had afgesneden. Ik ben op het spoor van de kunst gezet dankzij de lerares Frans op het atheneum in Halle. Bij elke les begon zij over Gauguin, Van Gogh en de Franse impressionisten. Ook de Amerikaanse muziek die toen in ons land begon door te dringen, de rock-'n-roll en de blues, maakte een droom wakker. In die muziek zat een geweldige dynamiek. Elvis Presley was voor mij meer God dan de God die ik geacht werd in de parochiekerk te vinden. De eerste schilderijen die ik leerde kennen, waren werken van Jean Brusselmans. Niet in het echt, maar op reproducties. Mijn bewondering voor Brusselmans is gebleven.'

Na zijn middelbaar onderwijs studeerde Raemdonck decorbouw aan het Sint-Lucas Instituut in Brussel. Hij zou stage lopen bij de decorbouwer Paul Degueldere, die werkte voor de Vlaamse televisie. Raemdonck leerde er snelle oplossingen te vinden bij dringende problemen. Ook nadat hij afgestudeerd was aan Sint-Lucas kon Raemdonck blijven werken bij Degueldere. Ondertussen schilderde hij ook, hij maakte doeken in de geest van Brusselmans, maar bijgestuurd door wat hij kende van het werk van Karel Appel en Gust De Smet. Werk dat dik in de verf zat, wilde landschappen. Op de persoonlijke expositie die hij had in het Kasteel van Gaasbeek verkochten zijn doeken uitstekend.

Met de opbrengst van die verkoop kon Raemdonck verder gaan studeren aan de Kunstacademie in Antwerpen. Daar had hij Jan Vaerten en Rudoph Meerbergen als leraars. Ondertussen bleef hij werken in de decorbouw. 'Ik had dus altijd geld. De mythe van de armlastige kunstenaar is aan mij niet besteed,' zegt hij met klem. 'In alle eerlijkheid, voor mij betekende Antwerpen een bevrijding, ook al was de academie er conservatief. Een van de professoren, nu totaal vergeten, beweerde dat Vincent van Gogh nog niet eens tot aan zijn hielen kwam. De plaats waar je als jonge kunstenaar naar toe trok, was het café De Muze, waar een sfeer van hippie en provo hing. Ferre Grignard zong er. Wannes Van de Velde en Fred Bervoets kwamen er, naast heel veel Nederlanders.'

'Ik was ei zo na afgestudeerd aan de academie toen ik in december 1968 de kans kreeg om aan de Antwerpse Wisselstraat, in het hartje van de stad, een pand te huren voor 500 frank (12,50 euro) per maand. Een kwart van de huizen in de binnenstad stond toen leeg. In het pand was voorheen een bordeel gevestigd, dat 'De Zwarte Panter' heette. Die naam vond ik zo mooi dat ik hem behield voor de galerie. Ik was een praktische jongen. De galerie richtte ik in met afvalmateriaal dat ik van mijn decorwerk in de Brusselse TV-studio's meebracht. Ik heb nooit met een auto gereden, vandaag nog niet. Ik nam een bundel houten latten en opgerolde doek onder de arm mee op de trein van Brussel naar Antwerpen. Elke week opnieuw. Mijn ambitie om kunstenaar te worden, verminderde er niet op. Ik kocht dure tuben verf.'

'Op een blauwe maandag stond de toen al bekende schilder Fred Bervoets voor mijn deur. Of ik niet wat verf in overschot had? Voor mij was het een eer dat zo iemand bij mij aanklopte. Wij trokken met de verf samen naar zijn atelier. Bervoets draaide een eerste tube open, en mikte de verf op een doek. Daarna een tweede tube, waarbij hij telkens een kort knappend geluid maakte. Ineens was ik al mijn verf kwijt, en zag Fred er stralend uit. Op dat ogenblik heb ik psychologisch afscheid genomen van het idee om schilder te blijven. Het pand aan de Wisselstraat heb ik na twee jaar moeten verlaten, omdat het werd gesloopt. Dankzij de toenmalige legendarische burgemeester Lode Craeybeckx en zijn dochter Hilde kon de galerie in 1970 verhuizen naar het aloude Sint-Julianusgasthuis aan de Hoogstraat in Antwerpen, een historisch complex dat leeg stond en eigendom was en is van het OCMW. De grote kapel van het gasthuis is de belangrijkste expositieruimte van de galerie geworden. Toen ik de sleutel kreeg van het gebouw gaf me dat een kick. Je moet je voorstellen, ik was 25 jaar, had lang haar en kreeg toch het vertrouwen van de stedelijke overheid. In het huurcontract stond dat ik niet in het pand mocht overnachten. Daarmee wou men wellicht voorkomen dat er drugs gebruikt werden, zoals hippies dat nu eenmaal deden.'

Op dat ogenblik moest Raemdonck alles van het galeriewezen nog leren. 'Ik moest leren hoe je je bewoog tussen al die mensen, verzamelaars, kunstenaars, cultuurambtenaren. Het was een geweldig zoeken. Ik werd ondergedompeld in de mentaliteit van een vrij wilde generatie, die een soort naoorlogse speeltijd hield. Je voelde bijna lichamelijk dat de maatschappij ging veranderen. De zoektocht naar wat vrijheid betekent, was en is voor mij nog steeds de belangrijkste drijfveer.'

Over het feit dat in De Zwarte Panter gedurende al die jaren vooral figuratieve kunst wordt geëxposeerd, zegt Raemdonck: 'Om iemand te verdedigen moet je contact met hem hebben. De kunstenaars met wie ik in het begin bevriend was, werkten figuratief. En verder bestond in Antwerpen al een galerie, die van Jeanne Buytaert, die op een consequente wijze abstracte kunst toonde. De figuratie lag me ook beter. Een revolterend kunstenaar als Bervoets deed mij denken aan James Ensor. De maatschappijkritiek kwam in zijn werk op een andere manier tot uitdrukking. En verder had je toen in Antwerpen ook de White Wide Space, die internationaal gericht was. Voor de jonge figuratieve kunstenaars van bij ons waren er geen expositiemogelijkheden. De Zwarte Panter beantwoordde aan een nood.'

'Op een bepaald ogenblik heb ik het geluk gehad de schilder Jan Cox te ontmoeten. Ik kende de kunstenaar alleen van naam, en wist dat hij in Amerika werkte. Na een viering van Marnix Gijsen in Antwerpen gingen wij samen iets drinken. Cox was helemaal in de wind. Maar wat een klasse. Hij vertrok nadien opnieuw naar Amerika, naar Boston waar ik hem ben gaan opzoeken. Op een bepaalde dag stond hij ineens terug in Antwerpen, hij was helemaal neerslachtig. Hij vroeg me of ik zijn werk in De Zwarte Panter wou tentoonstellen. Hij had geld nodig. Wij zijn samen naar zijn bank geweest, hij wou honderdduizend frank (2.500 euro) van zijn rekening halen om materiaal te kopen. Honderdduizend frank, zei de juffrouw aan het loket. 'Maar mijnheer Cox, kijk eens hier, je rekening staat op min honderdduizend!' Cox kreeg niets. Ik heb toen gezegd, kom Jan, wij gaan naar mijn bank. Zo is de vriendschap en de artistieke samenwerking ontstaan. Cox was voor mij een revelatie, een absoluut ander geluid, iemand die je niet kon vergelijken met de mensen die ik in Antwerpen kende. Zijn manier van denken was doordrongen van intellectuele en artistieke durf. Hij was een eenzaat, een heel melancholisch mens. Er ging iets aristocratisch van hem uit.'

Tegelijkertijd was hij iemand die twijfelde aan de waarde van zijn schilderijen. Raemdonck: 'Cox, die aan de Gentse universiteit kunstgeschiedenis had gestudeerd, vertrok voor zijn werk vanuit een bepaalde sfeer. Daarna kwam de euforie. Hij inspireerde zich op de mythes van de Klassieke Oudheid. Hij schilderde het eeuwige lot en noodlot van de mens, de oorlog die voor hem iets existentialistisch had. Bij elke tentoonstelling van zijn werk moest hij naar het ziekenhuis gebracht worden. Zoveel angsten doorstond hij, zo gestresseerd was hij. De vriendschap met Jan is blijven duren tot zijn zelfdoding in 1980. Mijn bewondering voor het meesterschap van mensen zoals Jan Cox en Hugo Claus betekent voor mij een soort permanente voeding.'

'Cox werd in Amerika ervaren als een Europese schilder. Bij ons werd hij gezien als een Amerikaan. Om succes te hebben moet het werk van een kunstenaar passen in een bepaald verwachtingspatroon, zoniet mode. De macht van sommige officiële beleidsmensen was op een gegeven ogenblik zo groot dat succesvolle kunst bijna gelijk stond met staatskunst. Voor zover ik weet, is in het verleden de avantgarde altijd ontstaan in een hoek vol risico's, en niet in de museale tempels van een zelfgenoegzame staat. Ik heb de waardering voor sommige kunstenaars zien evolueren. De kunst van Hugo Heyrman bijvoorbeeld wordt nu ondergewaardeerd. Heyrman is een avant-gardist, hij behoort tot de eersten die in ons land video als medium voor kunst gebruikten. Hij heeft diverse gezamenlijke werken met Panamarenko gemaakt, iets wat zelden wordt gezegd. Daarna heeft Heyrman een indrukwekkende reeks hyperrealistische straatlandschappen geschilderd. Er volgden sculpturen, opgebouwd volgens het stramien van computerbeelden. Heyrman moet opnieuw ontdekt worden.'

'Ook met het werk van Marcel van Maele en Frank Maieu, dat vol ironie zit, heb ik een sterke binding. In weinig musea is werk van Maieu aanwezig. Nu neemt Harald Szeemann in zijn tentoonstelling over 'Visionair België' (die op 4 maart opent in het Brusselse Bozar, BP) werken van Maieu op. Het kan verkeren, ook na 25 jaar. Fascinerend vind ik de schilderkunst van Michel Buylen. Ondanks de perfectie van zijn werk weet ik niet waar hij naar toe gaat. De kunstenaars die mij het meest boeien zijn diegenen die een eigen plastische taal ontwikkelen. De menselijke boodschap, die uitgaat van kunst, blijft een van de kenmerken van de tentoonstellingen in De Zwarte Panter. Als je een galerie runt, moet je bestand zijn tegen veel angsten. Je bent met onbekende dingen bezig, je weet nooit op voorhand of een een bepaalde tentoonstelling zal slagen. Wat dat betreft is er niets veranderd, ook al word ik straks zestig jaar.'

Galerie De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-72, 2000 Antwerpen. Tel.: 03/233.13.45. E-mail: galerie@dezwartepanter.be.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud