Kandidaten Turner Prize 2004 stellen tentoon in Tate Britain

(tijd) - Kutlug Ataman, Jeremy Deller, Langlands & Bell en Yinka Shonibare. Het zijn de namen van de genomineerden voor de Turner Prize, de belangrijkste prijs vooor hedendaagse kunst die in Groot-Brittannië wordt uitgereikt. De winnaar krijgt op 6 december 25.000 pond (35.700 euro), de drie anderen krijgen elk 5.000 pond. In Tate Britain loopt een tentoonstelling met de genomineerde werken.

Je zou bijna vergeten dat hij binnenkort weer uitgereikt wordt. Want was de prijs de voorgaande jaren vaker wel dan niet het onderwerp van controverse, dan blijft het dit jaar bijzonder kalm rond de vier genomineerden. Geen schilderijen van olifantenstront (Chris Ofili in 1998) dit keer, geen beslapen bed (Tracey Emin in 1999) en geen installatie met aan- en uitgaande lichten (Martin Creed in 2001). Zo weinig geeft het werk van de 20ste shortlist aanleiding tot polemiek, dat Britse kunstcritici en journalisten zich er al over beklaagden.

Het lijkt erop dat de jury, waarin onder anderen Catherine David (van het Rotterdamse kunstencentrum Witte de With) en kunstcriticus Adrian Searle (van de krant The Guardian) zitten, dit jaar resoluut gekozen heeft voor kunst zonder grote effecten, kunst die tijd vraagt om gezien te worden en die moet bezinken voor je er iets mee aan kunt. Kunst ook die zwaar aanleunt bij de actualiteit van de dag en grote thema's als oorlog, globalisering, identiteit niet schuwt. Wat bovendien opvalt, is dat drie van de vier genomineerde werken gemaakt zijn met video en video-stills. Als de Turner Prize een indicatie is van de belangrijke ontwikkelingen in de (Britse) hedendaagse kunst, wil dat dus zeggen dat video nog altijd goed in de markt ligt.

Osama Bin Laden

Het kunstenaarsduo Ben Langlands en Nikki Bell reisde in oktober 2002, ongeveer een jaar na de inval door de VS, naar Afghanistan, om daar werk voor te bereiden voor het Londense Imperial War Museum. Ze maakten er onder andere een inventarisatie van het huis waar Osama Bin Laden in 1996 kort verbleef. De nauwgezetheid waarmee ze te werk gingen, de vertrekken fotograferend, de meetlat in de hand, is representatief voor de rest van hun oeuvre. Langland & Bells ontrafelen, doen onderzoek, leggen een architecturale of stedelijke plek volledig vast en geven die geschematiseerd weer. Het levert koel en afstandelijk werk op, waarin op geen enkel moment de emotie zichtbaar wordt die aan zo'n plek verbonden is.

Zo is ook 'The House of Osama Bin Laden', een virtuele voorstelling van het huis waar je je met behulp van een joystick doorheen kunt bewegen. Ook al verwacht je dat achter elke hoek schietend een vijandige persoon opduikt, (want zo gaat dat in videospelletjes en zeker in het huis van Bin Laden), er gebeurt niets. In de tentoonstelling moest het werk gepresenteerd worden tegenover de video 'Zardad's Dog', over een proces tegen een psychopaat dat Langland & Bells ook bijwoonden en dat dan weer wel zeer emotioneel was. Maar de video werd ondertussen uit de tentoonstelling verwijderd, uit angst dat hij gebruikt zou worden als bewijsmateriaal in een proces dat in Groot-Brittannië gevoerd wordt tegen een voormalige Afghaanse krijgsheer.

Veel menselijker is het werk van Jeremy Deller. Vanaf de zijlijn kijkt Deller toe hoe sociale groepen reageren op gebeurtenissen en op elkaar, hoe individuen in sociale groepen handelen, hoe geschiedenis ons leven richting geeft. Hij organiseerde in de marge van Manifesta in San Sebastian een parade van verborgen marginale groepen van de stad en legde die vast op video. Maar Deller werd genomineerd voor 'Memory Bucket', een portret van Texas, waarin hij een lijn trekt van Waco, de plaats waar de boerderij van de religieuze sekte Davidians in 1993 belegerd werd, naar Crawford, waar George Bush een ranch kocht. In beelden en gesprekken met Texanen toont hij een heel ander en veel gevarieerder Texas dan dat van de cowboys en de oliemagnaten uit 'Dallas'. De video eindigt met een prachtige sequentie waarin duizenden vleermuizen bij valavond opvliegen, zoals ze al duizenden jaren doen en nog duizenden jaren zullen doen.

Net als bij Deller, staan mensen centraal in het werk van Kutlug Ataman. Anders dan Deller ligt bij hem niet de nadruk op de registratie van een evenement of een rondreis en dus op de inhoud, maar stelt Ataman vragen bij het medium zelf. In 'Twelve' laat hij zes mensen aan het woord in een Turks dorp, waar geloofd wordt in reïncarnatie. Alle zes vertellen ze over hun twee levens, voortdurend heen en weer schakelend tussen toen en nu, zodat op een gegeven moment niet meer duidelijk is of ze het over hun leven nu of over hun verleden hebben en wat waar is en wat niet. Ataman, filmregisseur van opleiding, balanceert voortdurend op het randje van fictie en realiteit. De zes mensen zijn bovendien te zien op zes schermen, die allemaal dwars, omgekeerd, slecht zichtbaar ten opzichte van elkaar opgesteld staan. Zo wordt de verwarring die sowieso al ontstaat, nog versterkt.

Het werk van Yinka Shonibare is het lichtst verteerbaar en graaft het minst diep. Hij maakt tableaux vivants met beelden gekleed in kleurige, Afrikaanse stoffen. Het zijn vaak bewerkingen van beelden die in ons collectieve geheugen gegrift staan, maar ze refereren tegelijk aan zijn Afrikaanse achtergrond (Nigeria). De stoffen op zich, die Afrikanen dragen als uiting van nationale trots maar die feitelijk in Europa geproduceerd worden, hebben die dubbelheid al in zich. Op een sterk visuele manier stelt Shonibare vragen over onze culturele identiteit en ons koloniale verleden. Ook hij maakte inmiddels een video: 'Un Ballo in Maschera', die gebaseerd is op Verdi's opera, maar waarin iedereeen opnieuw gekleed gaat in Afrikaanse stoffen. Maar genomineerd is 'The Swing (after Fragonard)', waarin een dame, net als in Fragonards schilderij, gekleed in een frivole jurk, op een schommel zit. Ze heeft echter geen hoofd en geen roomwitte huid, zoals haar voorbeeld, maar is lichtbruin van huidskleur. En haar jurk is niet gemaakt van roze chiffon maar van Afrikaanse stof.

Wie uiteindelijk zal winnen, is moeilijk te voorspellen. Geen van de vier kunstenaars werd al getipt als duidelijke winnaar. Publieksfavoriet is in ieder geval het kleurrijke en, toevallig of niet meest toegankelijke werk van Shonibare, als je tenminste de graffiti-opmerkingen in de ruimte direct achter de tentoonstelling moet geloven: 'Yinka should win', 'Russia is for Yinka'.

Turner Prize 2004 Exhibition, Tate Britain, Millbank, London SW1P 4RG, 00-44-20/78.87.88.88. Tot 23 december, open ma. tot zo. van 10 tot 17.40u.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud