Orgel: De meerwaarde van een ambacht

(tijd) - In de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal in Brussel begint zondag voor de 25ste keer de Internationale Orgelweek. De vorige Brusselse minister-president, Jacques Simonet, noemde die week het belangrijkste muziekevenement in de hoofdstad na de Koningin Elisabethwedstrijd. De bescheiden belangstelling, zeker in de media, laat anders vermoeden. Waarom zou een mens immers vandaag nog orgel spelen?

Het parcours roept onweerstaanbaar de klokkenluider van de Notre-Dame op. In het kerkschip van Sint-Michiels en Sint-Goedele is een kleine smalle deur, met een wenteltrap, verstevigd met planken treden. Die voert je naar een van de vele galerijen op de tweede verdieping, met een richel van een voet breed, en een smalle balustrade die je niet echt weghoudt van de diepte van de kathedraalvloer. Het volgende deurtje geeft op het dak uit, in open lucht, boven de buitenste steunberen. Weer vijf meter verder is het door een deurtje van een meter hoog kruipen, daarna door een stuk zolder van de kerk, om dan via een nieuw en stevig trapje naar beneden uit te komen bij de stoel van Jozef Sluys, organist-titularis van de kathedraal.

Het nieuwe trapje hoort bij het orgel, het Grenzing-orgel, ingewijd in 2000 toen Brussel culturele hoofdstad van Europa was. 'Gerhard Grenzing is een orgelbouwer uit het noorden van Duitsland, die uitgeweken is naar El Papiol nabij Barcelona, waar hij zijn atelier heeft', vertelt Jozef Sluys. Jaren geleden is hij daar klein begonnen, als restaurateur van orgels in Spanje, dus ook van vele Vlaamse orgels die daar ten tijde van de Habsburgers zijn gemaakt. Vandaag is hij een gerenommeerd orgelbouwer, die zeker de Noord-Duitse, Vlaamse en Spaanse tradities combineert. Op dit orgel kan je dus zeker de muziekliteratuur uit die streken spelen.'

'Het is van concept een modern, universeel orgel', verduidelijkt Sluys. 'Die keuze staat tegenover het concept waarbij men een kopie van een oud orgel uit een bepaalde streek maakt, waarop men dan vooral de muziek uit die tijd uit die streek kan spelen. Orgelmuziek heeft verschillende tradities en dus verschillende soorten instrumenten. De Noord-Duitse traditie is anders dan de Zuid-Duitse of de Zuid-Nederlandse, die dan weer sterk verschilt van de Italiaanse. Zo komt het zelfstandig pedaal, waarmee je een aparte melodie kan spelen, uit het noorden van Duitsland, omdat men daar zoveel mogelijk polyfoon wilde spelen, met een veelheid aan stemmen door elkaar, in concertvorm eigenlijk. Bij ons, of bij de Italiaanse orgels, ging het veel meer om klankkleuren, als begeleiding van zang. Ook de verschillende functie van het orgel in een katholieke of in een protestantse liturgie speelt mee. Van de Italiaanse orgels kan je zeggen dat ze bijna als een blokfluit klinken, veel intiemer.'

'Op een modern orgel zoals dat van Grenzing kan je trachten zoveel mogelijk stijlen te interpreteren, en eventueel te vermengen. Het maakt, met zijn 6.200 pijpen, een breed repertoire mogelijk', zegt Sluys. 'En het markante is natuurlijk dat het zo hoog hangt, zoals een zwaluwnest, in het triforium, de zuilengalerij. Daartoe is, onzichtbaar voor de toeschouwers, een stalen kader aangebracht dat in de zoldering is vastgeankerd. De straling van de klank is op die manier optimaal, en de beluistering op heel veel plaatsen in de kerk ideaal.'

Jozef Sluys (67) is sinds 1971 titularis in de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal. Hij heeft overal ter wereld geconcerteerd en begeleidde ook de prinselijke huwelijken van de jongste jaren. Sluys stond mee aan de wieg van de orgelweek, in 1979, ter gelegenheid van de millenniumviering van Brussel. In één week vinden concerten plaats in alle Brusselse kerken met een goed orgel. En volgende zaterdag is er de traditionele 'orgelwandeling', met vijf concerten in achtereenvolgens de Miniemenkerk, de Kapellekerk, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt op het Vossenplein, de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal (waar Sluys zelf speelt, maar op het kleinere koororgel, voor werk van Bach) en uiteindelijk de Protestantse Kerk op de Nieuwe Graanmarkt. Het geserveerde repertoire reikt van de vijftiende tot de twintigste eeuw.

Altijd maar kerken. Kan orgelmuziek nergens anders gespeeld worden? 'In principe wel natuurlijk', zegt Sluys. 'Normaal heb je ook goede orgels in concertzalen. In Brussel hebben we er zo drie. Dat van de Filharmonische Vereniging in Bozar is al lang in restauratie. Dat van het conservatorium, een prachtig orgel, in de negentiende eeuw gebouwd door Aristide Cavaillé-Coll, heeft in de jaren zestig een catastrofale restauratie ondergaan, en is dus niet in goede staat. En dat van het Flageygebouw staat nog ingepakt. We hebben dus drie concertzalen met drie orgels die onbespeelbaar zijn.'

Maar hoe dan ook moet de muzikant die voor orgel kiest, zijn huis uit om te kunnen spelen? 'De meeste organisten hebben thuis een klein orgel, waar ze op oefenen. Maar om je echt uit te leven als muzikant, moet je naar een groot orgel, en dus naar een kerk of een concertzaal.'

Om welke meerwaarde kiest een muzikant dan voor orgel, terwijl een piano gemakkelijk thuis kan staan? 'Een piano is zelfs nog expressiever dan een orgel', zegt Sluys na even nadenken. 'Je kan er zacht of hard een toon mee aanslaan. Bij een orgel is dat niet of veel minder het geval. Wij moeten werken met registers, dat zijn de verschillende klankkleuren. Elk register geeft één klankkleur weer - vaak klinkend als blaasinstrumenten van fluit tot trompet - op alle toonladders, waarvoor dus evenveel pijpen nodig zijn. Wens je heel veel registers, dan kom je snel aan duizenden pijpen, zoals in dit orgel. De mensen denken vaak dat ze alles zien wat klinkt. Dat is niet waar. Een orgel heeft binnenin nog veel meer pijpen dan men aan de buitenkant ziet.'

'Wat fascineert aan een orgel is de rijkdom aan klanken. Je kan in polyfone muziekstukken als solist gemakkelijk drie (bovenste en onderste klavier plus pedaal), maar zelfs tot vijf en zes melodieën op elkaar laten inspelen. Daar heb je dan nog eens een veelheid aan registers voor ter beschikking. Je bent in se een klein orkest op je eentje. En die klank kan je verspreiden door een hele kerk, door een gebouw vol geschiedenis, door een vaak fascinerend architecturaal geheel. Daarin die complexe en rijke muziek mogen uitvoeren, iets wat in elke kerk en op elk orgel telkens weer anders is, dat is het wat orgel voor mij zo boeiend maakt.'

Ver weg van Brussel, in de stilte van Noord-Limburg tussen Eksel en Kleine-Brogel, heeft de 32-jarige Wim Winters een hoge nis gebouwd in de boerderij die hij al half gerestaureerd heeft. Vlakbij liggen de honderden grote en kleine stukken van een orgel dat hij in Huddersfield bij Liverpool gaan halen is en dat hij in die nis wil installeren. 'De kerk daar wordt afgebroken', vertelt hij. 'Het orgel dateert van 1896. Een prachtding, een getuige van de rijkdom van Liverpool en omgeving in die tijd. Maar men wist er geen blijf mee, wou het vernietigen. Het aanbod aan oude orgels is groter dan de vraag. En dus heb ik het voor een bescheiden bedrag gekocht.'

Wim Winters is niet alleen een getalenteerd jong organist, hij begon enkele jaren geleden ook een studiebureau voor het uittekenen van concepten voor de restauratie en de bouw van orgels. Orgelarchitectuur, noemt hij dat. Hij is gefascineerd door de muziek, maar ook door de cultuurtraditie van orgelbouw.

Hij steekt van wal: 'Weinig mensen zijn er zich van bewust hoe cruciaal het patrimonium van oude orgels is. Een orgel is heel lang een stuk spitstechnologie geweest, en is dat vandaag eigenlijk nog. Je hebt de mechaniek van de luchtstromen, met blaasbalgen met lucht die onder druk van gewichten de aanvoer constant houden. Je hebt honderden of zelfs duizenden pijpen, die, in lood en tin, gegoten en geslagen moesten worden, met telkens kleine variaties om andere tonen of klankkleuren te verkrijgen. En je hebt vooral de verbindingen tussen de toetsen van de klavieren en de ventielen van de windlade nodig, om al die pijpen apart te laten klinken. En alles moet samenkomen in die klavieren en pedalen, binnen het hand- en voetbereik van één persoon.'

'Een orgel bouwen vormde destijds dus een geweldige investering, zelfs voor de toen niet onbemiddelde kerken. Het was niet iets wat men om de twintig jaar deed. En de orgelbouwers gebruikten, om de kosten te drukken, zoveel mogelijk lokale materialen, waarbij ze met inzet van heel hun metier moesten improviseren. Maar daardoor is elk oud orgel vandaag een uiterst waardevolle getuige van vakmanschap en spitstechnologie in een bepaalde periode, op uiteenlopende terreinen als bouwkunde, mechanica, ijzer- en houtbewerking, en uiteraard muziek. Elke streek creëerde bovendien orgels met een eigen cachet.'

Winters diept een studie van de universiteit van het Zweedse Göteborg op. Gedurende tien jaar heeft men er de technologie van de orgelbouw uit het noorden van Duitsland in de 17de eeuw aan een minutieus onderzoek onderworpen. 'Het is een Japanse orgelbouwer', zegt hij, 'die met de hypothese is aangekomen dat wij met al onze technologie van vandaag desondanks niet in staat zijn de klankkwaliteit te evenaren van een orgel van voor 1900. Hij werd aanvankelijk weggelachen, maar inmiddels zijn de ingenieurs van Göteborg wel tot soortgelijke bevindingen gekomen. Je mag bijvoorbeeld vandaag met de meest moderne technologie een perfecte kopie van zo'n metalen pijp van de 17de eeuw maken, de klank zal in de oren van vele kenners toch minder rijk klinken dan het origineel. Een van de oorzaken van dat verschil zijn volgens de mensen in Göteberg onder meer de onzuiverheden in de vervaardiging toen, waarbij het metaal niet 100 procent uit lood bestond.'

'Men is verder gaan zoeken, op de Noord-Duitse orgels waarmee men werkte, van orgelbouwer Schnitger. Die man tekende zijn plannen voor een orgel op de vloer van de kerk. Hij deed dat met een dergelijke trefzekerheid en inzicht, zonder zich daarbij kennelijk ooit te vergissen, op basis van zijn metier, dat hij van vader en grootvader en misschien nog vroeger had doorgekregen. Zonder de wetenschappelijke kennis van vandaag, zonder de berekeningen van een computerprogramma, zonder veel wiskunde of natuurkunde.'

'Je begint dan te beseffen, dat dit metier, dit vakmanschap, waarbij men puur op ervaring en mondelinge overlevering, misschien ook instinctief, aanvoelde hoe men ingewikkelde technologie optimaal moest opbouwen, verloren is gegaan. Dat is gebeurd in de Industriële Revolutie. Voor orgels is dat de periode vanaf het einde van de negentiende eeuw tot pakweg 1950. Men heeft toen ook de orgelbouw willen rationaliseren. Men gaf heel veel geld om de oude rommel - zoals men er toen over dacht - te vernietigen en te vervangen door iets nieuws, met elektronische verbindingen tussen toets en pijpen. Iedereen is het er nu over eens dat een elektronische aanslag een verarming van de mogelijkheden van de muzikant oplevert, maar toen was men er vol van. Toen ook is de intellectuele meerwaarde die de ambachtslui van generatie op generatie overgeërfd hadden, verloren gegaan. En het is pas de jongste decennia dat men dat echt begint te beseffen.'

Het klinkt allemaal interessant, ongetwijfeld, maar wat zijn de consequenties? 'We moeten vandaag zeker erg voorzichtig zijn met restauraties van orgels', zegt Winters. 'De ideale situatie is echter niet makkelijk te realiseren. In Litouwen loopt een project waarbij men eerst een kopie van een oud orgel maakt, om echt goed door te hebben hoe het is ontstaan, en dan pas het oude restaureert. De kopie komt dan in New York te staan, waar ook het geld vandaan komt. Want zo werken is natuurlijk heel duur.'

Volgens Winters zou elke restauratie van een oud orgel vandaag voorafgegaan moeten worden door een grondige historische studie. 'Niet dat er geen inspanningen in die zin gedaan worden. Maar werkuren zijn vandaag ontzettend duur. In vroegere eeuwen bestonden de kosten van een orgel uit 90 procent materiaal en 10 procent loonkosten. Nu is die verhouding net omgekeerd. Ook dat maakt het orgelbouwers moeilijk hun metier weer te ontwikkelen. Vandaag spaart men noodgedwongen op tijd.'

Hoe haalbaar is Winters duurdere drang naar authenticiteit, als men weet hoe weinig belangstelling er voor orgel is? Zelfs op hoogdagen haalt de Orgelweek volgens Jozef Sluys maximaal 1.500 toeschouwers. En het aantal studenten voor orgelmuziek daalt. 'De studies zijn zwaar, en in België komt geen enkele organist rond zonder er lessen bij te geven', zegt Jozef Sluys. 'Enkel in de grote kerken van Duitsland heb je soms nog een voltijdse Kirchenmusikdirektor.'

En iets waarvoor de belangstelling mager is, levert politiek weinig stemmen en dus beleidsmatig weinig subsidies op. 'Met het restauratiebudget van de Vlaamse Gemeenschap heeft men tot op heden misschien maar 5 procent van alle beschermde orgels hersteld', merkt Wim Winters op. 'Ik heb mijn twijfels of de overheid het werk budgettair wel alleen aankan. Misschien moeten we, zoals in Duitsland frequent gebeurt, veel meer bij economische impulsen gaan zoeken. Aankloppen bij de sector van het toerisme bijvoorbeeld, toch de grootste werkgever in Europa en sterk afhankelijk van erfgoed. Orgels zijn zeker een onderdeel van het patrimonium dat gevaloriseerd kan worden. Of misschien moeten we denken aan cultuurbeleggingen, zoals nu al bij sommige oude muziekinstrumenten. Maar voor beide is natuurlijk eerst een bewustwording over de waarde van orgels noodzakelijk.'

Wim Winters' gedrevenheid voor de authenticiteit van orgels en hun muziek drijft hem naar een niet echt optimistisch toekomstbeeld van de orgelcultuur. Jozef Sluys, 35 jaar ouder en best overtuigd van de mogelijkheden om ook met een hedendaags gloednieuw orgel prachtige muziek te maken, heeft geleerd de zaken pragmatischer te bekijken. 'Als ik vergelijk met de toestand van de orgels in Brussel toen ik dertig jaar geleden begon, dan zie ik toch vooruitgang, ook al is dat allemaal zeker niet vanzelf gegaan. In dertig jaar is bijvoorbeeld het instrumentale en virtuoze niveau van de uitvoerders fors verbeterd. Vandaag luistert men bij ons even gemakkelijk naar iemand uit New York die in Chicago een opname gemaakt heeft, als naar pakweg Jozef Sluys. En dus kan men vergelijken en hoge eisen stellen. In het algemeen groeit de belangstelling voor de orgelcultuur. Ik ben dus niet pessimistisch. Ook al zullen we in onze hedendaagse populistische cultuur nooit de massa van Axelle Red en dus ook nooit de belangstelling van de media halen.'

Rolf FALTER

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud