Ivan Ollevier / 'De man die nergens vandaan kwam'

2004, Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 512 blz., 24,90 euro, ISBN 90-450-1060-7

(tijd) De Britse premier Tony Blair is de jongste maanden niet uit het nieuws geweest, zowel nationaal als internationaal. De ene keer triomfeert hij, een andere keer moet hij incasseren. Net deze week heeft Guy Verhofstadt hem nog een pad in de korf gezet, door te dreigen met een terugtrekking van het Britse ristornorecht op de EU-bijdrage. Eerder had Blair Verhofstadt van het voorzitterschap van de Europese Commissie afgehouden. Het is duidelijk dat er Britse verkiezingen aankomen. Of Tony Blair nog een politieke toekomst heeft, zal vermoedelijk in mei moeten blijken. Een verleden heeft hij zéker: het staat beschreven in de biografie van Ivan Ollevier.

Er heerst verwarring, van Downing Street tot Westminster. In korte tijd heeft de eerste minister meegedeeld dat hij een hartoperatie had ondergaan, dat hij een derde termijn als premier nastreeft, dat het de laatste keer zal zijn, en dat hij een huis heeft gekocht voor als hij wegmoet uit zijn ambtswoning. Eigenlijk moet er nog een vijfde statement zijn geweest, dat blijkbaar tussen de plooien is gevallen. Blair zou, in bijzijn van ten minste twee getuigen, zijn spoedige ontslag hebben aangekondigd. Een van de getuigen is Gordon Brown, de minister van Financiën, die zich tegen zijn premier en partijleider keert.

Wie is Brown? Waarom zou Blair aan aftreden denken? Wat voor socialist is hij, een gedreven kerkbezoeker? Wat denkt hij over Margaret Thatcher, over George Bush? Hoe komen Britse troepen in Irak? Waarom gaat het Groot-Brittannië economisch voor de wind?

Al deze vragen en vele andere komen aan bod in 'De man die nergens vandaan kwam', van de VRT-journalist Ivan Ollevier. Hij volgt de Britse politiek voor het televisiejournaal. Zijn boek is meer dan een biografie, het is een schets van de Britse samenleving. De indeling is niet strak chronologisch of thematisch, wel een potpourri die hanteerbaar wordt gemaakt door het personenregister. Vlotte lectuur bovendien. Ollevier maakt veel gebruik van citaten uit interviews die hij in de loop der jaren heeft afgenomen. Dat heeft vaak een reportageachtig effect.

Clausule IV

Tony Blair (51) heeft rechten gestudeerd in Oxford en ging nadien aan de balie in Londen. In die tijd was hij 'Mister Nobody', niemand lijkt zich hem te herinneren. Dat veranderde toen hij onder invloed van de meer ambitieuze Cherie Booth - nu zijn vrouw - in de politiek ging. Het unieke Britse kiessysteem maakt het mogelijk dat jonge kandidaten overal te lande in een vrijgekomen gat kunnen springen. Voor Blair werd dat Sedgefield, in 1983. Naar verluidt was hij toen, op zijn dertigste, het jongste parlementslid aller tijden. Het is onduidelijk waarom hij voor Labour heeft gekozen, hij kwam helemaal niet uit een socialistisch nest. Dat hinderde blijkbaar niet, zijn carrière ging gestaag de hoogte in.

In 1994 werd hij partijleider, versta toekomstig eerste minister. Zowat zijn eerste daad als Labour-chef was te ijveren voor de schrapping van Clause IV uit de partijstatuten. Op deze roemruchte clausule hadden al andere partijbonzen hun tanden stuk gebeten. De tekst ('Publiek eigendom is het grootste streefdoel van de partij') heeft een grote symbolische en sentimentele waarde voor de oude garde en de nieuwe linksen, vergelijk het met het Charter van Quaregnon voor de Waalse socialisten. De paragraaf, 51 woorden lang en die toen 77 jaar oud waren, stond ook gedrukt op de partijlidkaarten, dus was het evangelie. 'Het wordt tijd dat we Labour een shocktherapie toedienen', zei Blair op een geheime bijeenkomst met medestanders. Kort nadien organiseerde hij een conferentie in Blackpool, onder de slogan 'New Labour, New Britain'. Vele congresgangers hadden geen hoge pet op met dat 'New' en de vierde clausule werd met een nipte meerderheid behouden.

Hoewel het congres een herschrijving had afgeschoten, bleven Blair en zijn medewerkers in het geniep laboreren aan een nieuwe clausule. Op een geheime plek in Schotland raakten ze het bijna eens over de tekst - in het vliegtuig terug zou Blair er zelf de laatste hand aan leggen. Uit deze softe versie was de notie 'publiek eigendom' verdwenen. Toen het nog door de strot van de achterban rammen. Op een speciale Labourconferentie werd het document met 62 procent van de stemmen goedgekeurd (op de website van Labour in Londen wordt dit 'overwhelmingly backed' genoemd, zonder melding van wat eraan voorafging). De naam van de partij bleef officieel behouden, maar Blair sprak toen al van New Labour. De hardliners wilden New met een kleine n geschreven zien. Zo wordt verzet geridiculiseerd. Van Blair zelf wordt sedertdien gezegd: Bambi is Stalin geworden.

Samen met Blair kwam de twee jaar oudere Gordon Brown, een politiek dier, in het parlement terecht. Ze werden dikke vrienden. De eerste negen jaar spendeerde Brown aan het opkrikken van Blair en diens imago, de volgende twaalf aan het betreuren van dat feit. Brown raakte wat gefrustreerd omdat de 'blue-eyed boy' het beter deed, meer kansen kreeg in de partij en in de socialistische schaduwkabinetten. Er doken occasionele meningsverschillen op, over de verhouding met de vakbonden, over clausule IV, over de sociale zekerheid. De respectieve aanhang en de pers gingen er zich mee bemoeien.

Nog steeds waren de twee on speaking terms, toen Blair in 1994 onverwacht de kans kreeg om partijleider te worden. Ook Brown, die zich superieur achtte voor die post, wilde kandideren maar deed dat uiteindelijk niet. Daar zou een afspraak aan vooraf zijn gegaan dat Tony - sinds 1997 tevens premier - in de helft van zijn mandaat de fakkel aan George zou doorgeven. Blair zou dan 'op zijn zwaard vallen', zoals het in politiek jargon heet. Alleen, Blair bleef zitten waar hij zat. Zijn aankondiging dat hij een derde termijn nastreeft, zette bij Brown zoveel kwaad bloed, dat hij de geheime afspraak liet lekken naar de pers. Blair ontkende glashard dat er een 'deal' bestond, maar hij is weleens eerder 'Bliar' (leugenaar) genoemd. In elk geval, het politieke huwelijk tussen die twee is nu wel voorgoed om zeep.

Volgens Anthoy Seldon zijn de verschillen toch minder belangrijk dan de overeenkomsten. Ze blijven beiden gehecht aan New Labour. Beiden zijn Amerikanisten en Europeanen, hoewel Blair meer gefixeerd is op de euro om opportunistische redenen. Gordon Brown blijft intussen Chancellor of the Exchequer, minister van Financiën, de tweede belangrijke functie in het Britse kabinet. Maar zijn politieke lot is onzeker. In Browns officiële biografie, verspreid door de partij, staat een merkwaardig zinnetje: 'Hij is de langst dienende Chancellor in de moderne geschiedenis.' De bijgedachte zou kunnen zijn dat het nu wel lang genoeg is geweest. Je leest ook min of meer geregeld verwijzingen naar Browns Schotse afkomst: in dat landsdeel wordt de wereldvisie en het begrip van het electoraat wat anders uitgelegd. Wat vroeger een bindteken was, aldus nog Seldon, houdt hen nu gescheiden.

Zelf kan de premier al die troubles missen als kiespijn. Hij zit nu tien jaar op de hoogste post en wil het feest niet laten vergallen. Vermoedelijk zal hij verkiezingen uitschrijven tegen april-mei volgend jaar. Zal Brown zover durven te gaan om zich tegenkandidaat te stellen? Hij wordt, net als Blair trouwens, gepusht door rabiate aanhangers en op sensatie beluste journalisten. In tussentijdse verkiezingen doet Labour het slecht. Ook Margaret Thatcher, door Blair fel bewonderd, werd op het hoogtepunt van haar macht door de eigen partij afgeschoten. Bij haar ging het over Europa. Voor de huidige premier zou de kwestie-Irak weleens de struikelsteen kunnen vormen.

Na 11 september 2001 was Blair de eerste buitenlandse regeringsleider die de VS bezocht. Het is weinig bekend dat de premier empathische gevoelens koestert voor de Amerikaanse president en ook bij zijn terugkeer wilde hij niet zeggen dat de VS en het VK gezamenlijk zouden optreden tegen Irak. 'Maar Blair hoefde niet meer overtuigd te worden', liet men van Amerikaanse zijde weten.

Het Britse parlement was met wintervakantie, dat kwam goed uit. Op verzoek van de premier werd een document gefabriceerd door specialisten van de geheime diensten, academici, adviseurs en politici. Er moest uit blijken dat Saddam Hoessein over massavernietigingswapens beschikte. Blair dreunde het lijstje met gevaarlijke stoffen af. Maar vooral één zinnetje trok de aandacht: 'Sommige van deze wapens zijn inzetbaar binnen 45 minuten na het bevel ze te gebruiken.' Die bewering werd onmiddellijk door experts op hoongelach onthaald. Om politieke en technische redenen is zo'n snelle reactietijd uitgesloten. Maar de regering week niet. Zij besliste om samen met de VS op te trekken tegen Irak, ook als zou blijken dat de basisdocumenten fake zijn. De angstaanjagende rapporten waren deels door studenten en andere amateurs via Google van het internet geplukt en aan elkaar gebreid.

Nog liet Blair zich niet uit het lood slaan, hij organiseerde een parlementsdebat annex stemming. De regering behaalde de meerderheid met 179 stemmen, dankzij de steun van de Conservatieven want 139 Labour-leden hadden tegen Blair gestemd. Gênant, maar niet onoverkomelijk. De oorlog tegen Irak begon op 20 maart 2003, er namen 54.000 Britse soldaten aan deel.

De grandguignolvertoning was nog niet ten einde. Een ambtenaar, wapen- en giffenexpert, bioloog en nog veel meer liet zich in een gesprek met een BBC-man ontvallen dat Blairs rapport aanzienlijk verfraaid was, 'sexed up' heet het. De voorwaardelijke wijs was op vele plaatsen vervangen door de bevestigende en vooral het zinnetje over de '45 minuten' was puur verzinsel. Downing Street was woedend, dreigde de BBC af, schond de identiteit van David Kelly maar besteedde de zaak dan uit aan de stijfgelovige Noord-Ierse rechter Hutton. Kelly pleegde kort nadien zelfmoord.

Intussen was de publieke opinie behoorlijk aangeslagen. Er kwamen anti-Blairbetogingen en in de peilingen deemsterde de populariteit van de partij verder weg. Hutton sprak de regering over de hele lijn vrij: zij heeft zich niet bezondigd aan 'een oneerlijke, onderhandse of dubbelhartige strategie' in het laten uitlekken van de identiteit van Kelly. De BBC was de gebeten hond.

Dat alles moet Tony Blair het kiespubliek doen vergeten tegen volgend voorjaar. Van zijn Amerikaanse vrienden krijgt hij weinig steun: zij herroepen nu openlijk hun eerste versie dat Saddam een hoop gevaarlijke wapens in de aanslag had. En wat als Kerry wordt verkozen? Intussen hebben notoire kabinetsleden en andere medewerkers ontslag genomen. Clare Short, tot vorig jaar minister van Ontwikkelingssamenwerking, verweet Blair 'een steeds maar groeiende obsessie met zijn plaats in de geschiedenis'. Is die kilte aan de top een teken van ware grootheid?

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud