Jan van Hattem /Willem Elsschot. Mythes bij het leven. Een biografie'

(tijd) - 'Zwijgen kan niet verbeterd worden', zei Alfons De Ridder alias Willem Elsschot ooit. Maar zwijgen over het leven en het werk van de schrijver is blijkbaar moeilijk, zo niet onmogelijk. Dat wordt nog maar eens aangetoond, met de biografie 'Willem Elsschot. Mythes bij het leven', geschreven door Jan van Hattem.

Van de overleden Vlaamse auteurs van de twintigste eeuw steken er drie boven alle andere uit: Louis Paul Boon, Paul van Ostaijen en Willem Elsschot. De reden is dubbel. Ze hebben een oeuvre bij elkaar geschreven dat zijn weerga niet kent in de Zuid-Nederlandse literatuur en hun gedrag botste zowel met de bourgeoisie als met het artistieke wereldje. De kruisbestuiving zorgt jaarlijks voor tientallen artikels, essays en een boek. Het grote voordeel is dat de belangen van de uitgever, de boekhandelaar, de drukker, de toeleveringsbedrijven, de media en vooral de erven er wel bij varen.

Van het hierboven genoemde trio spant Willem Elsschot, pseudoniem van Alfons De Ridder, de kroon. Zijn eigen 'Verzameld Werk' verhoudt zich tot de boeken over hem als David tot Goliath. Het is niet anders met de biografie 'Willem Elsschot, Mythes bij het leven' van Jan van Hattem. De omvang van het boek oogt indrukwekkend: 592 pagina's, waarvan 59 voetnoten en aanverwanten. Maar onthullingen moet de lezer niet verwachten, diepgaande analyses blijken oppervlakkige denkbeelden en de hoofdstukken zijn slordig opgebouwd. In het personenregister staan een honderdtal namen, maar de nog levende kinderen Ida en Jan De Ridder en het beroemdste kleinkind Jan Maniewski, alias Tsjip, ontbreken. Op de koop toe wordt de lezer geconfronteerd met een verouderd taalgebruik, waaraan derden duidelijk - met de beste bedoeling - gebeiteld en geschaafd hebben. Het laatste greintje oorspronkelijkheid is daardoor verdwenen. Een boek kan ook kapot worden geredigeerd.

Dat deze biografie in vaagheid verzinkt, komt doordat van Hattem niet vertrekt van onderzoek naar origineel bronnenmateriaal, maar van de mondelinge en schriftelijke commentaren die al tijdens zijn leven en sinds de dood van Elsschot in 1960 zijn verschenen. Uit een verkeerde uitgaansbasis kunnen alleen foute conclusies getrokken worden.

Hij behandelt de commentatoren - onder wie ondergetekende - daarenboven met een wantrouwen dat met de jaren hysterische trekjes heeft aangenomen. Ze worden als volgt verwoord: 'Niets is minder waar!'(blz. 14), 'Hoe kan dit?' (blz. 15), 'De stellingen van Fernard Auwera en Ida De Ridder (jongste dochter van Elsschot) raken kant noch wal.' (blz. 23), 'Anderen papegaaiden Smits na.' (blz. 35). En een laatste voorbeeld: 'Waar de bekwaamheid en vindingrijkheid van haar vader echt uit de verf kwamen, slaat Ida de plank mis.' (blz 193). Dat eerdere beweringen door onlangs opgedoken brieven en documenten bijgestuurd moeten worden, is nog geen reden iemand uit te schelden. Maar van Hattem was blijkbaar al in een vroeg stadium overtuigd dat alleen hij de waarheid kon achterhalen, omdat, en we citeren uit de slotalinea van de inleiding: '_ familie en vrienden duchtig mee fabuleerden en zo zorgden voor mythes bij het leven'. Die overtuiging is ongetwijfeld de aanleiding geweest tot deze biografie.

Een tweede grote handicap is de collagetechniek. Van Hattum knipte uit de bestaande studies wat hem bruikbaar leek, en gaf er een eigen wending aan. Na een paar hoofdstukken gaat hij meer en meer over op letterlijk publiceren van fragmenten uit brieven en beschouwingen, om daar een persoonlijke interpretatie aan toe te voegen. Gaandeweg worden die interpretaties korter, zodat ruim een derde van het boek gevuld is met strookjes zwart op wit. De leeszin is er allerminst bij gebaat.

Het meest geplunderde boek is het elf jaar geleden verschenen 'Willem Elsschot Brieven', verzameld en toegelicht door de gerenommeerde Elsschot-kenner Vic van de Reijt. Dat intussen nog heel wat andere brieven zijn opgedoken, waardoor sommige toelichtingen van Van de Reijt een minieme bijsturing behoeven, is niet aan van Hattem besteed. Als een drakendoder stort hij zich op Van de Reijt en vernedert hem met verwijten, gedrenkt in een spottend sausje. Maar een paar pagina's verder gebeurt wonderlijk genoeg het tegendeel en bedelft hij Van de Reijt onder de lof. Tot je ontdekt dat het een brieffragment is dat precies past in zijn eigengereide denken.

Dat eigengereide denken ondermijnt de geloofwaardigheid van de auteur. Bijvoorbeeld op pagina 174 beweert van Hattem dat niet een boezemvriend van Elsschot, de acrobaat Jules Valenpint, model stond voor de grote oplichter uit Lijmen Karel Boorman, maar Léonce Leclercq, een voormalige vennoot uit de reclamewereld. Elke belangstellende met een minimum aan Elsschot-bagage weet dat Jules Valenpint Karel Boorman is. Maar tevens Alfons De Ridder. En trekjes heeft van Léonce Leclercq. En van heel wat anderen uit de handelswereld waarin Elsschot zich bewoog. Dat geldt trouwens voor alle literaire personages uit zijn boeken. Allen zijn iemand, maar niemand is alles.

Van Hattem doet zich graag slimmer voor dan hij is. Bijvoorbeeld in het geval van de mosterdverzen van Oud Huis Ferdinand Tierenteyn. Op pagina 351 poneert van Hattem dat de mosterdverzen na de dood van Elsschot in 1960 niet door Jos Vandeloo werden geschreven, maar door auteur en vriend des huizes Fritz Francken. Deze vaststelling werd al eerder door ondergetekende in twee fasen openbaar gemaakt. In mijn artikel 'Elsschot, Snoeck & De Ridder' in de in oktober 2003 verschenen Snoecks 2004, waarin Vandeloo getuigt: 'Ik beken dat ik enkele pogingen heb gedaan. Na een paar dagen zag ik echter in dat ik nooit het niveau van Elsschot zou bereiken. Walter (oudste zoon van Elsschot) heeft nooit een gedicht ontvangen en daarom kan er ook geen zijn gepubliceerd.' Wie dan wel de mosterdverzen heeft geschreven, hebben we tijdens het schrijfwerk niet gevonden. Ruim een maand later, toen de Snoecks in de boekhandel lag, hadden we dat wel. En hebben we de naam van auteur Fritz Francken bekendgemaakt op een debat op de Boekenbeurs van 2003. Van Hattem zat in de zaal.

Ook Ida De Ridder is alles behalve tevreden met van Hattems aanpak. Na lezing van de oerversie van het manuscript wees zij hem op onjuistheden. Onder andere in het Borms-gedicht en in zijn versie van de verstandhouding tussen haar vader en Georges Kelner, zijn schoonzoon. Met haar opmerkingen werd geen rekening gehouden.

Wat als de definitieve biografie gepresenteerd wordt, is uiteindelijk qua opzet en uitwerking een tegenvaller geworden. Jan van Hattem heeft geen rekening gehouden met het complexe karakter van Willem Elsschot, hoewel hij dat maar al te goed kende. Hij is daar luchtig overheen gestapt, gebrand als hij was om alle andere Elsschot-commentatoren, inclusief de nog levende verwanten, onderuit te halen. Terwijl dat complexe karakter precies de aanleiding is tot de vele anekdotes die elk op zich tientallen versies hebben. Willem Elsschot was een gesloten figuur. De enkele keren dat hij de waarheid vertelde, was die nog licht verdraaid. Hoe zou dus ooit iemand de waarheid kunnen achterhalen? Het benaderen ervan wordt gaandeweg, na het volledig ontsluiten van het Elsschot-archief, misschien mogelijk. Maar haar bereiken?

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud