Jozef Vantorre / 'De kavijaks'

2004, Leuven, Van Halewyck, 304 blz., 19,25 euro, ISBN 90-5617-579-3

(tijd) Zo'n 30 jaar geleden verscheen voor het eerst 'De kavijaks', een in alle opzichten uniek boek. De lotgevallen van een groot armeluisgezin, hokkend in een vissershuisje aan zee, werden een publiekstriomf. De taal was voor die tijd ongezouten en alleen Jef Geeraerts had in de Vlaamse letteren al zo expliciet over seks geschreven. Kleurrijke anekdotes en de ongepolijste verteltoon vormden de kers op de taart.

De zoveelste herdruk van de strandjutter-schrijver is andermaal een succès fou. Iedereen wil wel de verhalen over de pisemmer op de overloop lezen, een emmer waarin 13 kinderen en twee ouders hun nachtelijke behoeften deden. Meteen vernemen we iets over de samenstelling van de familie (vijf meisjes, acht jongens), hun bijnamen en hebbelijkheden. Op school waren ze goed, ze konden zingen en dichten. Voorbeelden van die rijmpjes worden de lezer niet onthouden.

Interessanter zijn de verslagen over hun strooptochten aan het Noordzeestrand. Het boek speelt zich grotendeels af tijdens de oorlog. Toen de haven van Antwerpen bevrijd was, haastten de Liberty-bevoorradingsschepen zich naar Europa. De terugtrekkende Duitsers hadden voor de kust versperringen opgericht, prikkeldraad en boomstammen, en mijnen. Zodat nogal wat schepen ongewild hun lading losten, door vast te lopen of te ontploffen. De kavijakfamilie stond als een goed uitgerust leger pal om de buit binnen te halen. Een 'gelukkig' toeval waren de harde noorderstormen die in het najaar van 1944 onze kusten teisterden. Dat betekende extra averij en dus dito buit.

Wat het 'zeedriften' zoal opbracht, wordt in detail beschreven. Als er een schip met een lading bloem strandt, gaat het leger - aangevoerd door de generaal, vader kavijak - op strooptocht. Dat is niet zonder lijden en lijfsgevaar. Verteller Jozef, bijgenaamd 'piften', mag dan al wat overdrijven, het binnenhalen van de kratten en zakken voedingswaren levert onvergetelijke passages op. Niet enkel de elementen moesten worden getrotseerd, ook de collega-jutters lagen op de loer. Maar het was zeer de moeite, de jongste kavijak had al een eigen huis voor hij meerderjarig was. De gelegenheidsauteur krijgt er zowaar een krop van in de keel: 'O fantasierijk gezin, hoe maakte dat ons allen gelukkig! Het was zo erg dat wij geen tijd over hadden om uit te gaan, ons leven was te vol met vandalenstreken. En al leefden wij soms erg aan het randje van wat mocht en niet mocht, nooit kwamen wij in aanraking met de politie. Wij leefden in onze wereld, een wereld van trots en eer.'

De herhalingen en anomalieën moet de lezer erbij nemen. Louis-Paul Boon schreef destijds in zijn inleiding: 'Het lijkt me het werk van een man die bezeten is door zijn onderwerp, geen literatuurman, maar iemand die misschien slechts eenmaal een boek zal schrijven, 'zijn boek', hét boek. Wel, dit is dan hét boek.' Met enkele aardige familiekiekjes.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud