Mark Van den Wijngaert, Bruno De Wever e.a. / 'België tijdens de Tweede Wereldoorlog'

- 2004, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 317 blz. 24,95 euro, ISBN 90-02-21440-5.

(tijd) Zestig jaar heeft het geduurd voor er in Vlaanderen een synthesewerk verscheen over zowat alle aspecten van de Tweede Wereldoorlog in ons land. Het boek van 317 bladzijden bevat geen spectaculaire onthullingen en is veeleer onderkoeld van toon. Dat maakt het, in het licht van de vele polemieken uit het verleden, des te interessanter.

Vooral de nuchtere toon van dit boek maakt dat het vrij snel een standaardwerk kan worden voor al wie het hoofdstuk 1940-1945 in ons land aansnijdt. 'Soms laaien de passies natuurlijk nog op', zei Van den Wijngaert op de persvoorstelling, 'al kijkt een mens wel verbaasd toe, als hij de voorbije jaren nog zag hoe de eigen propagandistische versie van de koningskwestie door Leopold III nog eens werd opgewarmd of hoe sommigen nog steeds huldeceremonies organiseren voor leiders van de collaboratie die vooral hun eigen mensen hebben bedrogen. Dat bewijst dat de oorlog nog steeds niet helemaal verwerkt is. En laat dit boek daar dan maar een kleine bijdrage toe leveren.'

Ruim 30 jaar geleden maakte Mark Van den Wijngaert, hoogleraar geschiedenis aan de KU Brussel, een doctoraat over de rol van de secretarissen-generaal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat was een aartsmoeilijk onderwerp vol nuances, op een ogenblik dat over de oorlog nog volop in termen van wit en zwart werd geschreven.

De secretarissen-generaal waren de hoofden van de diverse ministeries die in een met spoed goedgekeurde wet van 10 mei 1940 de mogelijkheid hadden gekregen de bevoegdheid van hun minister uit te oefenen als die door de oorlogsomstandigheden dat zelf niet meer kon. Na de Duitse overwinning op 28 mei en de vlucht van de regering naar Frankrijk, was het zover. De secretarissen-generaal raadpleegden eminente juristen om te zien wat ze nu exact mochten en konden. Zoals steeds bleef er na de adviezen veel ruimte tot interpretatie over en trok men zijn plan.

De miserie van de Eerste Wereldoorlog indachtig sloten de secretarissen-generaal een overeenkomst met de bezetter waarin het bestuur zoveel als mogelijk in hun handen bleef. Daarin handelden ze trouwens analoog met de Belgische industriëlen. De hoop was op die manier de bezetting zo draaglijk mogelijk te maken en vooral de voedselbevoorrading te verzekeren, die bemoeilijkt werd door de Engelse blokkade van het continent. De prijs was dat Duitsland maar 800 man nodig had om in de zomer van 1940 heel België onder controle te houden.

Op dat moment, toen de Duitse overwinning in West-Europa totaal leek, kon iedereen zich in die deal vinden. Maar heel spoedig bleek dat het militaire bezettingsbestuur zich niet aan de afspraken hield, dat het zijn eigen mannetjes aan het hoofd van de administraties wilde zetten, dat de secretarissen-generaal van toegeving in toegeving sukkelden. De dilemma's waren nooit loepzuiver: er ging 60 tot 70 procent van de opgedreven voedselproductie naar Duitsland, maar zonder die afdracht - en dus de stopzetting van de hulp aan de productie - zou er waarschijnlijk nog minder voedsel voor de bevolking overblijven. Hoewel ze de schade inzake de penibele voedselvoorziening sterk wisten te beperken, werden de secretarissen-generaal op het eind van de oorlog gehaat.

30 jaar na dat onderzoek heeft Mark Van den Wijngaert samen met zes jongere historici van vijf verschillende universiteiten - Bruno De Wever, Fabrice Maerten, Dirk Luyten, Patrick Nefors, Luc Vandeweyer en Marnix Beyen - de kennis gebundeld die inmiddels is verzameld over de vele andere aspecten van de oorlog: de militaire operaties, de rol van koning Leopold III, de economische toestand, de collaboratie, de bevrijding. Inmiddels zijn de polemieken stilaan weggeëbd, zeker na de dood van prinses Lilian enkele jaren geleden. De tijd was rijp voor een synthese.

Het boek 'België tijdens de Tweede Wereldoorlog' leert dat de vier jaar en drie maanden van bezetting tussen 1940 en 1944 de Belgische samenleving grondig overhoop haalden. Dat is niet verwonderlijk omdat het regime dat hier in juni 1940 de baas werd, sterk verschilde van wat men bij ons gewoon was. Het was ondemocratisch, onverdraagzaam, autoritair, economisch dirigistisch en fundamenteel gewelddadig. Die breuk bleef een tijdlang toegedekt voor de bevolking. De voornaamste reden daarvan was dat de Duitse soldaten zich in mei 1940 onverwacht beschaafd hadden gedragen, in tegenstelling tot hun voorgangers van augustus 1914.

Pas naar de winter toe begon de meerderheid van de bevolking te beseffen dat schaarste en voedseltekorten niet van voorbijgaande aard zouden zijn, dat het thuis koud was omdat de steenkool naar Duitsland verdween, dat je gedacht zeggen gevaarlijk werd, dat overhoop geraken met het regime, en vooral met zijn omhooggevallen lokale acolieten, een burger tot prooi maakte van een machine van geweld, willekeur en totale rechteloosheid. In 1942, toen het regime aan de fronten in nood begon te komen, verdween de laatste schijn van de fluwelen handschoen. Het bezettingsbestuur voerde de verplichte tewerkstelling in Duitsland door. Het begon ook met deportaties van joden, van wie er uit ons land ruim 25.000 inwoners in de kampen zouden omkomen en vermoord worden.

Maar zelfs na 1942 kan men stellen dat ongeveer 95 procent van de bevolking vooral bezig bleef met dagelijks overleven en zelf uit de wind blijven. Verzet of collaboratie, de enige twee mogelijke politieke houdingen, waren keuzes waar nooit meer dan 5 procent van de bevolking voor opteerde. Het verzet groeide eerst bij de Franstalige liberale en katholieke burgerij, kreeg vanaf 1941 sterke communistische steun, groeide nog meer vanaf 1943, maar bleef toch overwegend Franstalig. Het speelde militair een zeer belangrijke rol toen het er begin september 1944 in slaagde de haven van Antwerpen ongeschonden aan de geallieerden te bezorgen.

De collaboratie was vooral Vlaams. Sedert Bruno De Wever, die ook het hoofdstuk daarover in dit boek schreef, weten we dat de kopstukken van de voornaamste collaborerende Vlaams-nationale partij, het VNV, al in oktober 1940 vernamen dat Duitsland hen niet de gewenste Vlaamse staat zou gunnen. Desondanks bleven ze hun achterban tot op het laatste de collaboratie injagen. De Duitsers zelf werkten liever met hondstrouwe nazi-partijtjes die geen bezwaar hadden tegen de inschakeling in het grote Reich. Aan Franstalige kant vonden ze daarvoor Rex van Léon Degrelle. Dat partijtje lag eigenlijk al in 1939 op apegapen, waardoor Degrelle de nieuwe kans met beide handen aangreep. Hij ging veel verder in de samenwerking met de bezetter dan welke Vlaamse groep ook, waardoor de collaboratie in Franstalig België veel gewelddadiger was. Dat verklaart voor een stuk de bitterheid van de Franstaligen achteraf over collaboratie in het algemeen.

De auteurs gaan ook in op de bestraffing van de collaborateurs na de bevrijding. Ze verhullen niet dat er onaanvaardbare dingen zijn gebeurd: er waren bijvoorbeeld in november 1944 55.000 gevangenen in België, met de celcapaciteit van een land dat voor 1940 nooit meer dan 5.000 gevangenen had. Maar ze merken ook op dat de autoriteiten erger hebben kunnen voorkomen. Dat was overigens tegen de zin van de bevolking, die harder optreden wenste. 'Er zijn in de repressie gruwelijke dingen gebeurd', zei Van den Wijngaert op de persvoorstelling van het boek, 'die zeker niet goed te praten zijn, maar wel begrijpelijk waren.' Hij wees erop dat er in Vlaanderen inderdaad ook veel zogenaamd 'kleine collaborateurs' hard zijn aangepakt, maar dat de schnabbels die die soms meepikten, zoals betere rantsoeneringsvoorwaarden, in tijden van nood ongetwijfeld haat moesten opwekken.

Last but not least brengen de auteurs het inmiddels bekende verhaal van koning en regering: hoe vooral het huwelijk van de zogezegd krijgsgevangen koning Leopold met Lilian Baels desastreuze gevolgen had bij de Franstalige bevolking (omdat de Duitsers de Vlaamse krijgsgevangenen al naar huis hadden laten gaan, en de Waalse niet); hoe de vorst in 1944 niet besefte dat zijn keuzes van 1940 tegen hem begonnen te spelen en de uitgestoken hand van zijn ministers weigerde; hoe hij eerder in 1940 om een politieke rol, hoe bescheiden ook, bij Hitler was gaan vragen - 'Geef mij desnoods Limburg'. Die behoedde hem overigens door zelf te aarzelen ongewild voor malheuren die ongetwijfeld het einde van de dynastie hadden ingeluid.

Rolf FALTER

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud