Walter van den Broeck / 'De beiaard en de dove man'

2004, Amsterdam, De Bezige Bij, 206 blz., 17,5 euro, ISBN 90-234-1482-9

(tijd) De jongste jaren waren voor Walter van den Broeck niet bepaald een glorieperiode. Zijn grote boek over de affaire-Dutroux verstikte pijnlijk pompeus in zijn eigen ambitie. En zijn vorige roman, 'Een lichtgevoelige jongen', bleek een slap verhaal over volwassen worden. Maar kijk, we zijn nu drie jaar later, Walter van den Broeck nadert de pensioengerechtigde leeftijd en zijn nieuwe boek, 'De beiaard en de dove man', blijkt totnogtoe warempel de beste Vlaamse roman van het najaar.

De hoogtepunten uit het oeuvre van Walter van den Broeck - in de eerste plaats 'Aantekeningen van een stambewaarder' en 'Brief aan Boudewijn' - zijn verplichte lectuur voor wie de Vlaamse letteren van de voorbije decennia wil doorgronden. Wie ze geconsumeerd heeft, kent de familie van den Broeck al door en door. Verbeeld door de ogen van de kleine Walter, desgewenst rondlopend aan de hand van onze toenmalige vorst, heeft de lezer de Cité in Olen leren appreciëren. Met in het brandpunt daarvan de ouders van Walter en vooral zijn dominante vader. Een hele vloed aan kleine en grote herinneringen is er over ons heen gegaan, tot de laatste millimeter van de Cité geboekstaafd was. En nog blijkt Walter van den Broeck niet over deze vader uitgeschreven. Op die manier is hij consequent met zichzelf. Hij heeft in zijn boeken vaak genoeg gethematiseerd hoe je het verleden onuitputtend kunt proberen te reconstrueren en toch telkens bij fictie uitkomt. Wie het verleden beschrijft, fantaseert vanaf het eerste woord ogenblikkelijk en onherroepelijk zijn eigen verhaal. Dat is de intellectuele verklaring over het waarom van weer een nieuw vaderboek. Alleen: de inspiratie moet nog mee willen ook. En dat wil ze.

De kleine Walter is ondertussen wel een Walter van middelbare leeftijd geworden, geprangd tussen zijn nu oude vader en zijn opgroeiende zoon. Woonachtig te Turnhout, maar zonder veel overtuiging. Hoofdredacteur bij het reclameblad Turnhout Express, ook al zonder veel overtuiging. Walter doet de dingen omdat het moet. We schrijven 24 december 1980 en de wereld gaat zoals altijd ten onder. 'De economische crisis houdt nu al vijf jaar aan en wordt steeds erger. De democratieën beven en nu de Amerikanen een nep-acteur tot president hebben verkozen, staat straks over de hele wereld de dreiging van een Derde Wereldoorlog gespannen. (_) Nee, 1980 was een rotjaar, een rampjaar, een onvervalst annus horribilis zowel voor de wereld als voor het vaderland.'

Al baart de wereld hem zorgen, Walters woede over de stand der dingen richt zich vooral op Robert van den Broeck. Heel zijn leven zint hij eigenlijk al op wraak op zijn 'eigenzinnige, zelfingenomen, egoïstische, tirannieke' vader. Altijd was er de irritatie, maar nooit het verzet. Maar nu is er eindelijk een uitweg. Want Walter heeft een plan bedacht, met als aanleiding een heel specifieke ergernis. Zijn vader speelt immers al jaren zijn doofheid uit, als het in zijn kraam past. Hij kan prachtige verhalen vertellen over hoe die doofheid er gekomen is, maar hij kan zijn doofheid vooral prachtig misbruiken. De wereld dringt niet meer bij hem binnen. Dus kan hij functioneel de doofheid aanwenden om te leven zonder zich van de rest iets aan te trekken. Daar staat die zoon dan naast hem zijn ergernis uit te schreeuwen. De vader beweegt geen millimeter, empathie onder het vriespunt. En dus slikt de zoon nog een valium.

De doofheid is niet alleen in de plot het centrale element van 'De beiaard en de dove man'. De doofheid van de vader is natuurlijk ook een kanjer van een symbool. Hij symboliseert de onmacht van de zoon een verbinding met zijn verleden te maken. Nog abstracter zou je de doofheid van de vader ook kunnen lezen als de onmacht van een schrijver om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Hij dringt niet door, want die werkelijkheid hanteert onverstoorbaar haar eigen wetten. Dergelijke interpretaties zijn natuurlijk niet wereldschokkend, net zomin de doofheid als symbool dat is. Van den Broeck loopt er ook niet mee te koop als een grote vondst. Dat zegt veel over de bescheidenheid van het boek.

'De beiaard en de dove man' overtuigt niet zozeer omdat de vaderfiguur zo verrassend getekend is. Die portrettering sluit heel nauw aan bij hoe we de vader al kennen uit alle vorige boeken van Walter van den Broeck, namelijk als een vermakelijke maar hopeloos egoïstische 'pain in the ass' met genoeg verbeelding en verbaliteit om zich overal uit te praten. 'Eigenlijk irriteert iedereen hem die niet Robert van den Broeck is.' De grote kracht van het boek zit in de stoet kleurrijke personages en de tegelijkertijd toch heel eenvoudige opzet. Vooral de heel goed lopende eerste helft van het boek is heel geslaagd. Walter zit in dat deel met zijn vader op café. Ze zitten in De Beiaard, naast de grootste kerstboom van de hele Grote Markt in Turnhout. De vader weet niet dat ze beiden wachten op een kompaan van Walter. Die gaat immers de wraak begeleiden. Terwijl ze daar wachten, komt heel Turnhout het café binnen: de meisjes van het Heilig Graf, de drie overgepensioneerde notabelen, de madame van de tv, een broer en zus, een mevrouw die zonet boeken heeft kocht (ja, zelfs een van Walter).

Van den Broeck beschrijft het café heel mooi als een onheilspellend amalgaam van kleine werelden, elk met hun eigen functie. In het café past een andere logica der dingen, een primaire maatschappijopbouw van goeden en slechten, van chefs en gehorigen. Die sfeer past perfect bij het universum van Walter van den Broeck. Hoeveel afstand hij tegenover het verleden ook inbouwt, diens verhalen zijn altijd ook nostalgische constructies van een verdwenen eenvoud. De Beiaard is een reservaat voor de weemoed omdat het de illusie biedt dat die eenvoud nog bestaat. 'Je kan hooguit zeggen dat het een wonderlijk en raadselachtig mengsel is van tijd, plaats, gezelschap en alcohol. Onttrek een van die elementen aan het geheel en de stemming daalt fataal, de avond schift, de sfeer spat als een zeepbel uiteen.'

Het echtpaar dat het café strak in handen houdt, is op die 24ste december afwezig, maar de uitgebreide beschrijving van hun leven is te kleurrijk om in de weg te lopen. Zij zijn maar een van de zijwegen die van den Broeck bewandelt. De eerste helft bestaat zelfs enkel uit zijwegen. Die breedvoerigheid hindert niet. Van den Broeck houdt het allemaal heel goed bij elkaar. In het midden plaatst hij de zwijgende vader en zoon, met rond hen stemmen, personages en herinneringen, en alles loopt op een heel geleidelijke manier in elkaar over. Iedereen passeert, terwijl Walter en zijn vader er het zwijgen toe doen. Het tweede deel van het boek is het meest zwakke, daar is de magische sfeer uit het café ineens verdwenen. Dat tweede stuk heeft van den Broeck nodig om de plot uitgelegd te krijgen. Het derde deel is dan weer iets eleganter. De magie van de kroeg is er niet meer, maar alles komt wel geloofwaardig samen.

De verteltoon van het boek is deels gereserveerd afstandelijk, deels heel betrokken, met luchtige beschrijvingen verpakt in een half ambtelijke taal, een opgesteven Vlaams. Het is de stijl die van den Broeck al zo vaak gebruikt heeft, en die hem ook het beste past. Ze schippert tussen warme betrokkenheid en intellectuele afstand. Ze reflecteert dus perfect de manier waarop ook midlife-Walter tegenover zijn verleden blijkt te staan. Dik tegen zijn zin geeft Walter toe hoe hij eigenlijk op zijn vader lijkt. Vader blijkt ook een taalvirtuoos te zijn. De schrijver heeft het dus blijkbaar van geen vreemde. En ze zijn toch allebei geweldig goed in het verzinnen van verhalen? Ze stoppen zelfs allebei hun zakken vol rommel. De verteller wordt van al die parallellen enkel cynisch. 'Ik zal sterven aan zelfhaat.' Je zou er haast medelijden van krijgen.

Walter van den Broeck heeft dicht bij huis in een al veel beschreven onderwerp voldoende inspiratie gevonden voor een roman met weinig ambitie, maar die in alle eenvoud toch overtuigt. Vooral de eerste helft is een heel ontwapenende en goed gedramatiseerde vertelling. 'De beiaard en de dove man' is een uitstekend evenwicht tussen lichtvoetigheid en de relatieve zwaarte van het dagelijkse bestaan. De verteller Walter van den Broeck haalt in de roman aan dat hij telkens probeert om 'de trieste werkelijkheid tot iets grappig om te vormen, waarin niettemin voor de aandachtige luisteraar de harde, tragische kern duidelijk hoorbaar bleef'. De schrijver Walter van den Broeck is in dat voornemen prima geslaagd.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud