'De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen'

2005, Amsterdam, Prometheus, 1.600 blz., 39,95 euro, ISBN 90-446-0646-8

(tijd) Sommige boeken zijn te dik om te lezen. Zo'n boek is 'De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen' van de Nederlandse samensteller Joost Zwagerman (1963). Nu is een verhalenbundel geen boek om in één ruk uit te lezen. Maar een boek dat groter is en zwaarder weegt dan een Boomse baksteen blijft onhandig. De bijbel wordt op een katheder gezet of op tafel gelegd, maar een roman of bundeling lees je losjes uit de hand. Het zou praktischer zijn geweest de bundel in een cassette van twee of drie delen uit te geven. Van 1880 tot 1914 bijvoorbeeld, van 1915 tot 1945 en het derde deel van 1946 tot 1976. Want volgens Zwagerman blijkt de in 1976 geboren Annelies Verbeke de laatste korteafstandsloper te zijn. Dat is een tweede mankement dat opvalt nog voor je met de lezing bent begonnen. Een kleuterverhaal hoort er uiteraard niet in thuis, maar er zijn auteurs, jonger dan 29, die een degelijk kort verhaal hebben geschreven. Omdat de bundel stopt bij de auteurs die halverwege de jaren zeventig geboren werden, is hij al verouderd bij zijn verschijning.

De bundeling vangt aan met een inleiding van tien pagina's die gedegen geschreven is, voor een wetenschappelijk blad. Semi-wetenschappelijk, zoals Ons Erfdeel, zou ook nog kunnen. De modale lezer heeft echter geen boodschap aan een psychologische analyse van het genre, wat een verhaal van een novelle onderscheidt, waar de grens ligt - bij 2.000, 5.000 of 10.000 woorden - en waarom voor sommige schrijvers van de norm afgeweken wordt. Voor een boek als 'Ulysses' van James Joyce zou dat nog te pruimen zijn - maar zelfs in zijn geval wordt een (semi-)wetenschappelijke inleiding tegenwoordig bewust als zelfstandig boek(je) uitgegeven.

Een inleiding voor dit soort boeken moet kort en bondig zijn. Naast de verantwoording van de samenstelling moet het alleen praktische inlichtingen verschaffen. Het aantal Vlamingen, bijvoorbeeld, naast het aantal Nederlanders. Dat staat nergens in het boek. Het zou handig zijn geweest als behalve het geboorte- en het sterfjaar van de auteur, ook zijn regio werd vermeld. Van de modale lezer mag worden verwacht dat hij weet dat Paul van Ostaijen een Vlaming is, maar niet dat Fritzi Harmsen van Beek een Nederlandse is. Het niet vermelden voedt daarenboven het vermoeden dat Vlaanderen stiefmoederlijk behandeld wordt.

Wie van die gedachte vertrekt, merkt dat enkel Vlamingen werden gekozen die - zoals in het geval van Felix Timmermans - over hun heimat schreven en gebonden aan een politiek woelige periode, of in Nederland werden uitgegeven. Daarom ontbreekt bijvoorbeeld werk van Fernand Auwera, Hugues C. Pernath, Fritz Francken (wiens pen door Elsschot in zijn latere werk werd vastgehouden), en - werkelijk vernederend - John Flanders, pseudoniem van Raymond Jean Marie de Kremer, de Edgar Allan Poe van de Nederlanden en een grootmeester in het genre.

Storend is tevens dat bij de alfabetische rangschikking achteraan de bundel de paginering ontbreekt. Die is dan wel weer te vinden bij de 'Inhoud', waar de auteurs naar leeftijd gerangschikt staan. Een slordigheid waarvoor je je schouders kunt ophalen. Echt vervelend is dat niet vermeld wordt in welk jaar de verhalen zijn verschenen. Een verhaal dat op hoge leeftijd is geschreven, behoort tot een andere literaire periode dan een jeugdverhaal. Want niet alleen de auteur, ook elk van zijn werken, van miniatuur tot monumentaal, heeft een plaats in de geschiedenis.

De groten van het genre ontbreken uiteraard niet in deze bloemlezing, maar soms leven zij alleen nog voort in de herinnering. Zoals Nescio (3 verhalen), Cyriel Buysse (2), Herman Heijermans (2), Ferdinand Bordewijk (3), Richard Minne (1), Gaston Burssens (1), Simon Carmiggelt (2) en Belcampo (3), om maar enkelen te noemen. Ter opwaardering van hun imago en kwaliteit is het daarom goed dat Zwagerman ze heeft gebundeld. Zelfs Louis Paul Boon (2) en Gerard Reve (2) zijn van de partij. En ook dat is goed, want in tegenstelling tot wat men zou denken, is de verkoop van hun boeken zo goed als stilgevallen. In hetzelfde geval verkeert Hugo Claus (2). Van die reus verkoopt alleen nog zijn poëzie. Een tweede pluspunt van de uitgave is van historisch belang. Om het heden te begrijpen is het noodzakelijk het verleden te kennen. Een roman is een film, een kort verhaal een foto. Het is een momentopname van een stukje sociale geschiedenis, gezien door het oog van de schrijver.

Maar tussen het koren zit helaas veel kaf. Niet dat ze slecht geschreven zijn, maar ze ruiken te veel naar de verhalen van hun leermeesters, zoals Anton Tsjechov, Fjodor Dostojevski, Raymond Carver, Truman Capote, Franz Kafka en Robert Musil. Door hun recepten te kopiëren, onttrekken ze de meesterwerken aan het oog. Sommige zijn hooguit vermakelijk en hun auteurs zijn onderdeel van het voetstuk waarop de grootmeesters staan.

Door een overdaad aan tweedeplansverhalen vrees ik dat een uitgave in deze vorm geen lang leven beschoren is. Dat is jammer, want het genre van het kortverhaal verdient een opwaardering. Een 'draagbare' bundeling van verhalen is niet alleen handig voor in het vliegtuig of aan het zwembad, maar is ook ideale winterliteratuur. Om die droom te realiseren, zijn er echter meer en beter criteria nodig dan die die Zwagerman hanteert: 'Ik heb mij bij het opzet en de invulling van deze staffel laten leiden door één criterium: de lurven.'

En iemand van de uitgeverij zou hem eens moeten zeggen dat de zevende roman van Willem Elsschot 'Tsjip' heet en niet 'Tsjilp'.

Guido LAUWAERT

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud