Erwin Mortier / 'Alle dagen samen'

(tijd) - Schrijven over een collectief verleden, en meer concreet het schijnbaar platgeschreven en niet langer modieuze Vlaamse verleden, behoort tot de moeilijkste literaire opgaven. Maar het is niet enkel daarom dat Erwin Mortier zich in zijn jongste novelle toont als een auteur met een zekere ambitie: in 'Alle dagen samen' kiest hij het aartsmoeilijke perspectief van een vijfjarige jongen.

Het hoofdpersonage van 'Alle dagen samen' is Markus, een jongen van een jaar of vijf, die onlangs hersteld is van een levensbedreigende (en verder niet bij naam genoemde) ziekte. Samen met zijn ouders, zijn overlevende grootouders en 92-jarige overgrootvader woont hij in het grote familiehuis dat in de jaren 30 gebouwd werd door een van hoofdletters voorziene 'Ons Moeder' toen 'Ons Vader' al een paar jaar dood was. Het stevige huis 'kan tegen alles', het ruikt er nog naar een bos vol sparren, er is een boomgaard, er worden ganzen en kippen gehouden, en er 'hangen ham en worst onder de trap te drogen in een lucht van pekel en rook'. Wanneer overgrootvader plots een 'attakske' krijgt en enkele dagen later overlijdt, ontstaat de mogelijkheid binnen deze tijdloze setting een hele resem volkse, Vlaamse personages de revue te laten passeren, elk met hun eigen verhaal en hun eigen stem.

De lezer ziet het allemaal gebeuren door de ogen van Markus, die de onderlinge banden, vriendschappen, verhoudingen en achterklap op een onpartijdige en naïeve, maar sensitieve manier observeert. Wanneer een vrouwelijk familielid arriveert dat 'de Bloemkool uit Belle' genoemd wordt en werkzaam is in 'dát soort café', krijgt de lezer via Markus een waaier van roddelende stemmen te horen. Door de afstand van het gecreëerde perspectief is hij toch in staat van een negatief oordeel af te zien. De personages blijven sympathiek, het universum van 'Alle dagen samen' bevat geen schuldigen of onschuldigen, geen goeden of slechten, maar enkel eenvoudige, zogenaamd 'echte', 'gewone' mensen, die op een meevoelende wijze geportretteerd worden.

Jammer genoeg schuilt hierin ook de zwakte van 'Alle dagen samen': alles wat beschreven wordt, is heel erg herkenbaar. Is het daarom ook interessant? Wanneer overgrootvader bij het kaarten 'miljaardegodverdedzjutoch' roept, mag dit voor de onervaren Markus een hele sensatie zijn, en mag je zelf iets herkennen van je eigen grootvader zaliger, maar wat dan nog? Vergelijkbare zaken kunnen worden beweerd over de ganzen, over Jezus, over de nooit op het appèl ontbrekende nonnen, enzovoort. Soms neigt het resultaat naar flauwe recyclage, bijvoorbeeld van een oude spreuk: ''Ze zijn dan toch gearriveerd zie', zegt Zie. Ze wijst naar de stallen. 'Later dan anders, dit jaar.' 'Laag dat ze vliegen', antwoordt Mamá. 'We krijgen regen vanavond.'' Realistisch klinkt dit zeker. Ooit zal zo'n weerpraatje in menige verveelde familie voorgekomen zijn, maar een literair sterke conversatie kun je het niet noemen.

Misschien is de opzet van het boek verantwoordelijk voor het te veel aan clichématige herkenbaarheid. 95 bladzijden, een moeilijk perspectief, een 15-tal personages, een heel pak herinneringen aan doden: het is waarschijnlijk gewoon te veel in een te klein kader om in de diepte te gaan. Mortier heeft in eerder werk getoond de gevaren van de te grote herkenbaarheid te kunnen omzeilen: door sterke karakters, door stilistisch meesterschap, door fijne variaties op oude motieven. In 'Alle dagen samen' lukt dat - afgezien van enkele betere momenten - niet.

De titel is al een teken aan de wand. Confronteer het hoge Dana Winner-gehalte van 'Alle dagen samen' met de suggestieve, melancholische schoonheid van titels als 'Mijn tweede huid', 'Vergeten licht' of 'Sluitertijd'. Waar Mortier zich in eerder werk een verfijnd tekenaar van psychologische profielen toonde, zijn de personages in deze novelle stuk voor stuk schetsmatige karikaturen. Het resultaat is te vaak oninteressant. Grootmamá is dan bijvoorbeeld het ook wel in sommige flauwe schoolvoorstellingen optredende type van de telefonerende kletsdame. Zie is de buurvrouw die al haar zinnen met 'zie' begint. Swegens een kennis die haar zinnen met 'swegens dit' of 'swegens dat' begint en 'moeite met woorden' heeft: ze durft zich al eens te verspreken en is dan 'omnibus verzekerd' of drinkt een 'portatiefje': je bent er als lezer vrij snel op uitgekeken.

Het door Mortier beschreven verleden is niet een authentieke wereld, maar noodzakelijk een door de auteur 'vertaalde' wereld, een soort mythologisch, in taal omgezet Vlaanderen. Dat hoeft geen kritiek te zijn, misschien net integendeel. Niet enkel het vroegere Vlaanderen, ook het door Mortier gekozen perspectief van een vijfjarig jongetje is een literaire constructie. Wie dat betwijfelt, moet zich maar eens een authentiek verslag van een vijfjarige voorstellen. Het gaat zeker niet op te beweren dat het perspectief van 'Alle dagen samen' 'niet klopt' omdat de gedachten of observaties af en toe te ingewikkeld zijn, te mooi verwoord of te vergezocht voor een kleuter, niet 'realistisch' genoeg. Wat je wel kunt zeggen, is dat het perspectief literair niet erg geslaagd is, omdat het in 'Alle dagen samen' te zelden verrijkend en te vaak verarmend werkt.

In 'Pleidooi voor de zonde', een essaybundel uit 2003, schreef Mortier van een auteur te verwachten dat hij 'in zijn taal verzet biedt', en vroeg zich enkele bladzijden verder een beetje ironisch af of hij zelf niet onderhevig is aan 'een politiek incorrecte opwelling van nostalgie naar mijn kindertijd'. Als lezer kun je je niet van de indruk ontdoen dat Mortiers hele oeuvre op dat randje balanceert: enerzijds is er het 'verzet in taal' (door een tijdloze, suggestieve, ouderwetse, niet modieuze taal te hanteren), anderzijds is er het gevaar van de flauwe, herkenbare nostalgie. In 'Alle dagen samen' overheerst het laatste.

'Kunst moet het onvindbare huisvesten', meende Mortier in datzelfde essay. Dat statement kan gelieerd worden aan een van de minder talrijke prachtzinnen uit 'Alle dagen samen': 'Hij kent de muziek van het niets.' Maar wat is dat: 'het onvindbare' of 'de muziek van het niets'? Het gaat om de poëtische, onvatbare, stilistische evocatie, waarin Mortier zich in zijn beste momenten een meester toont. In 'Mijn tweede huid' stoot je bijvoorbeeld op een heerlijke, niet helemaal vatbare en toch perfect heldere paragraaf: 'Het was een van die dagen dat de mieren in trossen hun nesten verlieten, in kolommen boven de boomtoppen dansten en zwaluwen als scharen door de zwermen flitsten.' Dergelijk niveau haalt 'Alle dagen samen' nergens. De novelle blijft steken in een te fletse, te gemakkelijke, te afgeborstelde collage van gemeenplaatsen. Jeroen THEUNISSEN

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud