Honderd jaar Samuel Beckett

(tijd) - Donderdag is het precies honderd jaar geleden dat de Ierse auteur en Nobelprijswinnaar Samuel Beckett (1906-1989) geboren werd. Zowel bij ons als in de Angelsaksische wereld wordt dit jubileum van de auteur van 'Wachten op Godot' uitgebreid herdacht met onder meer één nieuwe vertaling en diverse luxe-uitgaves van Becketts uitgebreide oeuvre. Een terugblik op een van de meest authentieke en eigenzinnige stemmen uit de wereldliteratuur.

Samuel Barclay Beckett werd geboren op 13 april 1906, op Goede Vrijdag zoals hij later zou beklemtonen, als de tweede zoon van een welgesteld protestants gezin in een voorstad van Dublin. Als kind blonk hij uit in cricket en bowling, en nadien studeerde hij Frans, Italiaans, en Engels aan het lokale Trinity College. Het provinciale Dublin was echter al snel te klein voor deze polyglot en in 1927 trad hij in de voetsporen van die andere beroemde literaire zoon van Dublin, James Joyce, met wie hij in Parijs een blijvende vriendschap zou aanknopen. De impact van die vriendschap op de jonge Beckett, die een positie als docent Engels had aangenomen aan het prestigieuze Ecole Normale Supérieure in Parijs, kan moeilijk worden overschat . Niet alleen vond Beckett in Joyce een geestesverwant en een literaire mentor, hij geraakte ook nauw betrokken bij het scheppingsproces van wat het laatste meesterwerk van de auteur van 'Ulysses' zou worden, 'Finnegans Wake' (1939). Doordat Joyce in toenemende mate aan blindheid leed, was hij niet langer in staat om zelf te schrijven en het was aan Beckett dat hij de laatste versies van 'Finnegans Wake' zou dicteren. Dat laatste was overigens geen sinecure zoals een beroemde anekdote aantoont. Tijdens één van die dicteersessies werd er plots op de deur geklopt, waarop Joyce uitriep, 'Kom binnen.' Beckett had de deurklop echter niet gehoord, meende dat dat de uitroep een deel uitmaakte van Joyces boek en schreef haar mee neer. Toen Joyce de versie daarna te horen kreeg, vond hij het misverstand zo hilarisch, dat hij besloot om de uitroep gewoon te laten staan.

In zijn bekroonde James Joyce-biografie stelt de criticus Richard Ellmann dat een van de voornaamste redenen waarom Joyce en Beckett het zo goed met elkaar vonden, was dat beiden urenlang in stilte in elkaars gezelschap konden vertoeven zonder zich daar ongemakkelijk bij te voelen. Het is een veelzeggende anekdote want het is diezelfde stilte die ook een hoofdrol zou opeisen in Becketts eigen oeuvre. Als Joyces proza de zwierige, trotse hanenpoten van het zelfverzekerde genie oproept, dan schrijft Beckett veeleer met de verdunde inkt van de twijfelaar, immer onzeker over de zogenaamde superioriteit van het geschreven woord over het maagdelijk blad papier. 'Joyce', stelde Beckett ooit in een interview, 'was een meester in het manipuleren van zijn materiaal. Hij liet woorden het absolute maximum aan werk verrichten. Het werk dat ik zelf doe, is datgene waarbij ik niet de meester van mijn eigen materiaal ben. Hoe meer Joyce wist, des te meer kon hij. Als kunstenaar neigde hij over naar alwetendheid en almacht. Ik werk met impotentie en onwetendheid.'

Gezien deze minimalistische poëtica is het niet verwonderlijk dat er in het romanoeuvre van Beckett bijzonder weinig wordt geconverseerd. Dat geldt reeds voor zijn eerste roman 'Murphy' (1938) en ook voor het tijdens de oorlogsjaren geschreven 'Watt' dat nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt. Het geldt zeker voor de drie romans die Beckett vlak na de oorlog publiceerde en die vaak als een trilogie worden beschouwd. De personages in 'Molloy' (1947), 'Malone Sterft' (1951), en 'Naamloos' (1953) zijn even afstotende als tragische figuren die in een manische monoloog met zichzelf en de wereld zijn verstrikt. Het is vanaf deze trilogie dat Beckett zijn werken ook in het Frans begint te schrijven, naar eigen zeggen omdat het Engels een taal was 'waarin je het niet kon helpen om poëzie te schrijven.' Beckett achtte het Frans meer geschikt om de kille en franjeloze sfeer van stilte weer te geven waar zijn proza naar streefde.

Wanneer er dan toch gepraat moet worden, zoals dat onherroepelijk het geval is in theaterstukken, legt Beckett er zich op toe om op sardonische wijze de onvermoede misverstanden en dubbelzinnigheiden van de intermenselijke communicatie bloot te leggen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het toneelstuk 'Wachten op Godot' waarin er bij de absurde conversaties van de twee clowneske schlemielen Vladimir (Didi) en Estragon (Gogo) meer dan zomaar een beetje ruis op de kabel zit. Wachtend op de komst van de mysterieuze Mr. Godot houden beiden zich onledig met conversaties over laarzen en de bladeren aan de bomen tegen de achtergrond van een volstrekt desolaat landschap. 'Wachten op Godot' (dat net als de romantrilogie Molloy-Malone Sterft-Naamloos opnieuw verschijnt in een Nederlandstalige luxe-uitgave naar aanleiding van het Beckett-jubileum) is waarschijnlijk Becketts meest bekende werk, en hetgene dat hem literaire wereldfaam bezorgde. Het stuk werd voor het eerst opgevoerd in het Théâtre Babylone in Parijs in 1953 en groeide uit prompt uit tot een monstersucces. In de Seinestad heersten toen de hoogdagen van het existentialisme van Sartre en Camus, en van het absurde theater van Ionesco, die allen net als Beckett de uitzichtloosheid van het bestaan benadrukten en die trachtten om het trauma van Wereldoorlog Twee via absurde humor te bezweren.

Tijdens de oorlogsjaren leefde Beckett ondergedoken bij een wijnboer in het Provencedorpje Roussillon waar hij actief had meegeholpen aan het Franse verzet en ondertussen aan 'Watt' werkte om, zoals hij het zelf stelde, 'niet gek te worden.'

De twintigste eeuw ís de eeuw van Beckett, niet alleen omdat de Ierse auteur veel verder ging dan al zijn tijdgenoten in zijn queeste naar het laatste restje talige menselijkheid in een steeds ontmenselijkter universum, maar ook omdat hij dat deed op meer dan één literair terrein tegelijk. In het juryrapport van de Nobelprijs, die Beckett in 1969 werd toegekend maar waarvan hij de uitreikingsceremonie niet bijwoonde, prees men een oeuvre 'dat zich in nieuwe vormen voor zowel de roman als het drama naar boven heft vanuit de radeloosheid van de moderne mens.' Vanaf de jaren zestig werd Beckett niet alleen een soort aangenomen peetvader van de beoefenaars van de Franse 'nouveau roman' zoals Alain Robbe-Grillet en Nathalie Sarraute, maar was hij ook in zijn eentje verantwoordelijk voor de naoorlogse transformatie van het Britse theater door toneelschrijvers zoals Harold Pinter. Hij gold, meer nog dan Joyce, als een modelfiguur voor de ontluikende postmoderne literatuur in de Verenigde Staten. 'Beckett', stelt een schrijverspersonage in de roman 'Mao II' (1991) van de Amerikaanse auteur Don DeLillo, 'is de laatste schrijver die invloed heeft op onze manier van denken en kijken. Het belangrijke werk na hem gaat over explosies midden in de lucht en instortende gebouwen. Dat is het nieuwe tragische verhaal.'

Hoezeer Beckett het hedendaagse literaire landschap wel heeft beïnvloed blijkt misschien nog het sterkst uit twee recente Engelstalige publicaties. In 'Remembering Beckett. Beckett Remembering' brengt Becketts biograaf en vriend James Knowlson unaniem lovende essays van hedendaagse auteurs samen met autobiografische fragmenten door Beckett zelf. Ook in de inleidende essays bij de vierdelige jubileumuitgave van The Grove Press, Becketts oorspronkelijke Amerikaanse uitgever, verdringt het kruim van de wereldliteratuur elkaar om de Ierse meester de hemel in te prijzen. Zo heeft J.M. Coetzee heeft het over 'een van de grote prozastilisten van de twintigste eeuw', spreekt Paul Auster over 'een ervaring die haar gelijke niet kent in het woordenuniversum', en spoort de Amerikaanse dramaturg Edward Albee de lezer aan de passages hardop voor te lezen 'voor de muziek en de menselijkheid'. Verreweg de meest inzichtrijke analyse stroomt echter uit de pen van Salman Rushdie die het lezen van Beckett vergelijkt met een 'waardevolle hoofdpijn': 'Dit zijn moeilijke boeken', aldus Rushdie. 'Hoofdpijn na het lezen ervan lijkt, althans voor sommige ervan, geen ongepaste reactie. Er dient echter eerlijkheidshalve aan worden toegevoegd dat er hoofdpijnsoorten bestaan die waardevol aanvoelen, die iets van waarde teruggeven, en de beckettiaanse hoofdpijn is een kloppen van deze genoegenschenkende soort.' Een pleidooi voor koppijn, beter kan het oeuvre van Beckett wellicht niet worden samengevat, maar dan wel met het besef dat die immer pulserende kwaliteit van zijn proza tegelijk de hartenklop is van een diepmenselijke betrokkenheid.

100 jaar Beckett is niet enkel een reden om de Ierse auteur opnieuw vanonder het stof van je boekenkast te halen, of je één van de talrijke nieuwe luxe-uitgaves aan te schaffen, maar het behoort vooral een hoogdag voor experimentele literatuur in het algemeen te zijn.

Samuel Beckett - Watt - Vertaald door Onno Kosters -2006, Utrecht, Uitgeverij IJzer -250 blz., 32,95 euro -ISBN 90-74328-87-3

Samuel Beckett - Wachten op Godot, Molloy, Malone Sterft, en Naamloos -2006, Amsterdam, Bezige Bij - 556 blz., 35 euro - ISBN 90-234-1939-1

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud