Advertentie

Johan Anthierens / 'Ooggetuige, Niemands Meester, Niemands Knecht'

(tijd) - De bloemlezing met de journalistieke nalatenschap van Johan Anthierens (1937-2000) ligt in de rekken. Vorig jaar was de bundeling van zijn autobiografische geschriften al een schot in de roos. 'Ooggetuige' is een bont patchwork van zevenhonderd pagina's, met stukjes, reportages en interviews die Anthierens tussen 1959 en 2000 heeft gepubliceerd of voorgelezen. Indrukwekkend, maar een strengere selectie zou de nagedachtenis aan dit monument van de Vlaamse journalistiek meer eer hebben bewezen.

'Bij het stoeien met taal overkomt het iedereen, behalve Carmiggelt, dat hij een smak maakt', schrijft Johan Anthierens in een stuk over de door hem fel bewonderde Herman Van Veen. Volgens An-thierens heeft de centrale zin uit een liedje van Van Veen, 'Ze had ogen met uitzicht op zee', iets krampachtigs. Hij heeft gelijk. Maar zelf smakt Anthierens in zijn teksten in 'Ooggetuige', die de bevriende schrijfster Brigitte Raskin samen met broer Karel Anthierens heeft geselecteerd, ook heel vaak tegen de stenen met zijn woordkunstjes.

Vooral in het eerste hoofdstuk, over Belgische situaties, wemelt het van grappig bedoelde maar pijnlijk gekunstelde metaforen en contaminaties. Een voorbeeld is de slotzin van een stuk uit 1980 dat, nota bene, in de Volkskrant is verschenen: 'Wij moeten er nu voor zorgen dat bij regenten die het landsbelang in hun touwtjes hebben, eerlijke schaamte het haalt op de opportunistische reflex.' En in de daaraan voorafgaande zin is sprake van een 'giftige grondverschuiving' die tot staan moet worden gebracht. Enige paragrafen hoger staat volgende volzin: 'Het gestolde bloed van de Führer kruipt alleen omdat het niet meer gaan kan, in de traanogen van niet weinig Vlamingen blijft de kalk over zijn verkoolde resten ongeblust.' Zo kun je bladzijden lang doorgaan.

Anthierens was bij momenten een taalvirtuoos, maar in de eerste honderd bladzijden van deze bundel blijkt dat niet. Voor elke geslaagde spitante formulering vind je drie krakkemikkige constructies die in de keel blijven steken. Onbegrijpelijk dat de eindredacties van de bladen waaruit deze stukjes geplukt zijn, het indertijd allemaal lieten passeren. Zou het kunnen te maken hebben met zijn stoute reputatie als welbespraakt enfant terrible in televisieshows? Buiten de studio was hij nochtans een zacht en aimabel man.

Nu mogen we ook niet gaan veralgemenen. In de meeste lange stukken heeft Anthierens zich wel in de hand gehouden. Waarschijnlijk besefte hij dat sommige eindredacteurs niet onder de indruk waren van zijn alle kanten opspattende inventiviteit. Opvallend in dat opzicht is de discipline in de artikels die Anthierens in het midden van de jaren negentig voor de cultuurbijlage van De Morgen schreef, toen Bernard Dewulf daar eindredacteur was. Die beheerstere stukken verdienen het doorgaans van de vergetelheid gered te worden.

Misschien hebben de samenstellers in de eerste plaats gestreefd naar een representatief overzicht van Anthierens journalistieke werk, thematisch en stilistisch. Voor een broodschrijver, die het meestal met bescheiden inkomsten moest zien te rooien, ligt het voor de hand dat daar al eens wat haastwerk tussen zit. Zeker in de rubrieken waarvoor hij carte blanche had, loert dat gevaar om de hoek.

Ondermaats

De kwaliteit is trouwens niet alleen in stilistisch opzicht erg ongelijk, ook inhoudelijk toont Anthierens zich in sommige polemische stukken een gemakzuchtige poseur. In de columns over het koningshuis doet de auteur weinig meer dan wat koketteren met vage republikeinse sentimenten, in de hoop de goegemeente tegen de haren in te strijken. Misschien veroorzaakte dat dertig jaar geleden ophef, vandaag is het ronduit slaapverwekkend. Een stukje over de voze braafheid in het schlemiele Vlaanderen, waar alleen maar schoonmaakwoede heerst, doet al even gedateerd aan, al klinkt het slot wel meer dan ooit ongepast. 'Zo nu en dan spellen wij verheugd in Het Laatste Nieuws: 'Man drinkt zich laveloos en hakt dan met gipsen Mariabeeld in op het beeldscherm en wurgt zijn vrouw die op Marva lijkt en sodomiseert zijn drie kinderen onder een poster van Will Tura te Bachten-Maria-Leerne.' Heel af en toe tref je dat aan. Een glimp hoop. (...)' Tja...

De aanwezigheid van dergelijke ondermaatse stukken doet uitstekende artikels, zoals dat waarin hij de hysterie van de media naar aanleiding van de zaak-Dutroux aan de kaak stelt, verdrinken in een plas van middelmatigheid.

Gelukkig stijgt het soortelijk gewicht van de stukken in het tweede hoofdstuk, 'De charme van het chanson', waarin artikels over Brassens, Ferré, Renaud, Béart, Piaf en Nederlandstalige cabaretiers en kleinkunstenaars opgenomen zijn. 'De charme van het chanson' was ook de naam van een radioprogramma dat Anthierens in 1962 samenstelde en presenteerde. Dat hij thuis is in het onderwerp, blijkt ook uit de geselecteerde stukken in 'Ooggetuige'. Wel valt op dat hij met de ontmoetingen met Ferré of Brassens niet zoveel aanvangt. Sommige stukken bestaan bijna voor de helft uit een collage van vertaalde liedjesteksten. Het interview met Van Veen is de uitzondering die de regel bevestigt.

Was Johan Anthierens dan geen goed interviewer? Er zijn redenen om aan te nemen dat het aanvankelijk niet zijn sterkste kant was. Na een reeks conflicten met geïnterviewden over de juiste weergave van hun woorden in 1979, besluit Anthierens met zelfspot: 'Ik kan niet interviewen, gek genoeg. Ik denk dat ik gehoorgestoord ben, ik vrees dat bij mij alles dichtgroeit. Ik word afgeleid, mijn zoon heeft dat ook, wij dwalen af, wij hebben aan onszelf genoeg, wij zijn niet de eersten de besten, de geïnterviewden moeten wat zij ons te zeggen hebben, maar opschrijven en ons die wetenswaardigheden nasturen, poste restante.' Het mag ons dan ook niet verwonderen dat meer dan één geïnterviewde Anthierens gemaniëreerde taal blijkt te spreken. Maar in het interview met Jeroen Brouwers in het boek kan je dan weer duidelijk de formuleringen van de Nederlandse schrijver horen weerklinken. Als Anthierens het wilde, kon hij het wel.

In het derde hoofdstuk waarin buitenlandse onderwerpen zijn samengebracht, is de reportage over Jeruzalem, waar Anthierens voor het Eurovisiesongfestival van 1979 was geaccrediteerd, een uitschieter. Sterk is ook het empathische verhaal, gebaseerd op waar gebeurde feiten, van een allochtoon tienermeisje dat bij de diefstal van een beha in een supermarkt betrapt wordt en in het kanaal springt omdat ze met de schande niet kan leven.

Deel vier, over schrijvers en taal, bevat enkele pareltjes waarin Anthierens toont dat hij ook op een beheerste wijze met taal kon jongleren. Uniek is het stuk waarin Hugo Claus en Roel d'Haese commentaar geven op Louis Paul Boon, terwijl het artikel over de dichter Jan van Nijlen een voorbeeld is van een gaaf, integer werkstuk.

Dat Anthierens een geus was die toch dacht in een god te geloven, maar allergisch was voor het instituut van de kerk, is het voornaamste wat bijblijft uit het hoofdstuk 'Vrijspraak'. Plus dat hij ook korte leuke reportages kon maken, zoals over het Maria-bedevaartsoord in Oostakker-Lourdes. Een beetje vreemd in dit gezelschap, maar wellicht om te beklemtonen dat Anthierens op alle vlakken een onafhankelijk denker was, is het vandaag heel lezenswaardige en profetische stuk waarin hij, in 1992 in Markant, zijn twijfels uit over een cordon sanitaire. Anthierens wordt als BV met linkse, maatschappijkritische opvattingen aangepord om net als onder anderen Hugo Claus, Kristien Hemmerechts, Eddy Van Vliet en Mark Uytterhoeven een petitie terzake te tekenen van Charta. Liever zou hij zien dat er ook geluisterd wordt naar de Vlaams Blok-stemmers in plaats van hen te brandmerken en op een polarisatie aan te sturen. 'Meer en meer scheiden wij in onze maatschappij de slimmen van de dommen. Het Vlaams Blok is er voor de onwetende, terwijl de intellectueel zich op een wolk van mat satijn boven alle gore ressentimenten verheven voelt.'

Anthierens ergerde zich ook aan de wetenschappers Jan Blommaert en Jef Verschueren, die durfden te beweren dat er niet zoiets bestaat als een migrantenprobleem. En dan volgt weer zo'n drakerige zin: 'Nee, ik smokkel in een eerlijk weekblad geen bladzijde 't Pallieterke binnen, ik zet mij af tegen de (bewuste?) wereldvreemdheid van een intellectuele bovenlaag die zijn strabisme op de blauwe lucht richt om de spastische kramp niet te zien waarmee de onderliggende samenleving gevloerd ligt.'

Tot slot hebben de samenstellers alle 'restactiviteiten' van Anthierens in een apart hoofdstuk gebundeld: de reporter in de grote wielerrondes en bij sportwedstrijden, de mediawatcher en (natuurlijk) televisiecriticus en de schrijver over tekenaars, strips en plastische kunstenaars. In de laatste categorie is het gesprek met de weduwe Magritte, die zich ergert aan Paul Simons lied over 'René and Georgette with their dog after the war', wel een aardig stuk met documentaire waarde.

Al bij al is dit laatste hoofdstuk een verrassend allegaartje - wie herinnert zich dat Anthierens ook over sport heeft geschreven? - waarvan de kwaliteit opnieuw opvallend ongelijk is. Een aantal gelegenheidsteksten die zijn gemaakt om vrienden of kennissen terwille te zijn, hadden zeker achterwege kunnen blijven. Hoe keurig ze ook gesteld zijn, ze hebben vaak weinig om het lijf. Ook de teksten over de geschreven pers zijn niet echt essentieel.

Aan zijn recensies over televisie kunnen we niet voorbij gaan, ook al getuigt de voortvarendheid ervan niet van journalistiek vakmanschap. Anthierens beschrijft hoe Piet Piryns, nu Knack-redacteur, slurpend van preisoep, hem vermanend had toegesproken over de manier waarop hij Gui Polspoel, nieuwkomer bij de BRT-nieuwsdienst, had aangepakt. Anthierens had Polspoel bij zijn eerste verschijning op het scherm al meteen neergesabeld: aangezien hij toen getrouwd was met de dochter van VUM-baas Albert De Smaele was het voor Anthierens wel duidelijk hoe Polspoel op die stoel was terechtgekomen.

Dat gegeven leent zich om de hier en daar subtiele aanpak van Raskin te illustreren. Een paar stukjes die volgen, verwijzen opnieuw naar dat voorval. Met die korte eindjes rode draad naait Raskin het geheel met een paar ik-en-gij-steken aaneen.

In een verantwoording schrijft Raskin dat het geen gemakkelijk taak was uit meer dan duizend pagina's journalistieke kopij, bestemd voor vele bladen en rubrieken, een keuze te maken. 'Eigenlijk zit er maar één constante in: Johan schreef in de ik-persoon.' Maar die persoonlijke benadering maakte het haar zeker niet gemakkelijker. Ze heeft uiteindelijk voor een thematische benadering gekozen, al was Anthierens iemand die zijn artikels graag buiten de oevers van hun onderwerp liet treden.

'Ooggetuige' is een getrouw monument aan de journalist en aan de mens Anthierens geworden. Toch zou de vereeuwiging van pakweg vierhonderd pagina's als eerbetoon sterker zijn geweest. Wellicht zou Anthierens zelf ook een beetje gegeneerd geweest zijn om deze overvloedige selectie, die ook minder sterk spul bevat. Althans, dat laat volgend citaat van hem, over de postume verering die de overleden dichter Herman de Coninck te beurt viel, vermoeden: 'Papiermanden met proppen probeersels worden over de lezer uitgeschud, en de dreiging om een plein naar hem te noemen, week pas nadat bleek dat zo'n plein al voorhanden is.'

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud