Ludo Abicht / 'Geschiedenis van de joden van de lage landen'

(tijd) - 'Geschiedenis van de joden van de lage landen' luidt de titel van Ludo Abichts jongste boek. Abicht belicht een weinig bekend verleden, dat voor België en Nederland nog altijd van groot belang is. Het boek toont hoe de weg naar aanvaarding en integratie van de joodse gemeenschap lang is geweest en vele slachtoffers heeft gemaakt.

Abichts verhaal begint bij de eerste joodse nederzettingen, gevolgd door de pogroms na de pestepidemie van 1350. Al tijdens de Spaanse bezetting ging de aanwezigheid van joden in noord en zuid sterk verschillen. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtten de uit Spanje en Portugal afkomstige Sefardische joden naar Amsterdam. De bekeerde joden of maranen in het zuiden bleven een doorn in het oog van de genadeloze inquisitie, die opmerkelijk genoeg zelden steun kreeg van de Antwerpse bestuurders. De Verlichting leidde tot de volledige emancipatie van de joden in de lage landen, die belangrijke posities gingen innemen in alle maatschappelijke sectoren. In de 20ste eeuw werden net als overal in Europa ook de joden van de lage landen door de nazi's naar uitroeiingskampen gedeporteerd, al waren er tussen noord en zuid markante verschillen in de mate van collaboratie met de nazi's.

Ludo Abicht: 'In 1942 trouwde mijn tante in Parijs met een jood. In de familie hebben we haar verhaal van nabij gevolgd. Sommige familieleden van haar man werden gedeporteerd en kwamen nooit terug. Anderen overleefden het kamp en kwamen terug met een kampnummer op hun arm. In die tijd was ik geobsedeerd door die joodse verhalen. Ik werd geconfronteerd met nieuwe gebruiken, waarover destijds in mijn familie veel werd gediscussieerd. Tegenwoordig staat mijn neef, de zoon van die tante, aan het hoofd van de joodse gemeente van Duinkerken. Als ik daar mijn Franse familie ontmoet, wordt er nog altijd gediscussieerd over de joodse tradities. Ik ben dus zelf niet joods, maar het jodendom is me via mijn familie erg vertrouwd.'

'Een tweede fascinatie voor het jodendom komt uit mijn studententijd. Ik heb gestudeerd bij Ernst Bloch en heb me helemaal verdiept in de joodse intellectuele wereld van de Frankfurter Schule.'

'Een derde reden voor mijn fascinatie voor het jodendom was mijn verblijf in Amerika, waar ik in de jaren zestig in de zwarte burgerrechtenbeweging veel joden heb leren kennen. Toen ik terugkwam naar Antwerpen, ging ik op zoek naar een boek over de Antwerpse joden. Maar op een bundel documenten van een zekere Schmidt na, bestonden er geen boeken over. Daarom heb ik toen een boek over de joden van Antwerpen geschreven, waaruit dan weer dit boek is voortgekomen.'

Na 1585 begon de joodse aanwezigheid in het noorden totaal te verschillen van die in het zuiden. Hoe kwam dat?

Abicht: 'Vóór 1585 speelde het joodse leven zich voornamelijk af in het zuiden. Een van de grote handelsroutes liep van Keulen naar Brugge. Langs die as, waarop veel steden en handelsposten lagen, leefden veel joden. In de 16de eeuw kwamen joden uit Spanje en Portugal, de zogenoemde Sefardische joden, naar Amsterdam en Antwerpen, dat toen nog heel protestants was. Maar na de val van Antwerpen trokken de meeste Sefardische joden naar het noorden, uit angst voor de Spaanse inquisitie. Zij hebben sterk het karakter van de Amsterdamse joodse gemeente bepaald. De Sefardische joden behoorden tot de rijke burgerij: het waren kooplieden, intellectuelen en bijbelkenners. Antwerpen daarentegen, viel stil: de joden hier moesten zich verbergen.'

'Pas aan het einde van de 18de eeuw en vooral in het midden van de 19de eeuw kwam de volgende joodse emigratiegolf naar Antwerpen op gang. Antwerpen was op dat moment een transithaven. Veel joden op weg naar Amerika bleven er hangen. Hier streken vooral Duitse, Poolse en andere Oost-Europese joden neer. Dat waren veel vromere joden dan diegenen op dat moment in Nederland leefden. Je had in het noorden in de 18de en 19de eeuw al een sterk doorgedreven emancipatie van de joden. Die verschillen tussen noord en zuid in het karakter van de joodse bevolking vind je ook vandaag terug. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich in Antwerpen duizenden orthodoxe Oost-Europese joden. Dat orthodoxe element vind je vandaag nagenoeg niet meer in Nederland, waar joden meestal niet gelovig zijn en helemaal deel uitmaken van de maatschappij. De Antwerpse joden daarentegen, leven een teruggetrokken bestaan. Ze spreken jiddisch onder elkaar en kleden zich opvallend joods.'

Waarom waren de Antwerpse bestuurders zo terughoudend om de Spanjaarden te helpen in hun klopjacht op de bekeerde joden?

Abicht: 'Als ik een Antwerpse chauvinist was, zou ik zeggen dat het was omdat die mensen zo open en tolerant waren. Maar ik denk dat de verklaring prozaïscher is. De houding van de Antwerpse bestuurders werd ingegeven door berekening. De maranen waren interessante mensen: dokters, uitgevers en rijke zakenlui. Officieel waren ze tot het katholicisme bekeerd, maar in het geheim bleven ze joods, een 'strafbaar feit' dat de Spaanse inquisitie tot elke prijs wou ontmaskeren. De Antwerpse bestuurders werkten daar niet aan mee. Er zijn heel wat brieven bewaard van Antwerpse stadsbestuurders die tegenover de Spaanse kroon bevestigden dat die maranen wel degelijk uitstekende katholieken waren, ook al wisten ze wel beter.'

Hoe komt het dat de ontvangst van de Sefardische joden in de Verenigde Provinciën zo goed is verlopen?

Abicht: 'De Verenigde Provinciën waren een calvinistische republiek. De calvinisten zagen zichzelf als uitverkoren. Ze beschouwden zichzelf als 'nieuwe joden', ze waren net als de joden tegen beelden en ze werden gefascineerd door de Hebreeuwse bijbel. De Sefardische joden waren kenners van die bijbel, de dragers van de traditie van het Oude Testament. Bovendien waren ze allebei vijanden van de katholieke kerk. De sympathie van de calvinisten was ook berekend: de Sefardische joden waren goede migranten omdat het rijke migranten waren. Het gevolg was dat de Sefardische joden een snelle acculturatie doormaakten: ze mochten opnieuw joods zijn, ze mochten synagogen bouwen en werden spoedig aanvaard aan de universiteiten.'

Het is een misvatting 'orthodoxe joden' te vereenzelvigen met de opvallend geklede chassidiem, die onder meer in Antwerpen in het oog springen.

Abicht: 'De 'gewone' orthodoxe joden, die overigens de meerderheid van de Antwerpse joodse bevolking uitmaken, volgen alle joodse regels. Aan hen kan je niet zien dat ze joods zijn. De opvallend geklede joden in Antwerpen zijn de ultra-orthodoxe chassidiem. Het chassidisme was een fundamentalistische reactie op de Verlichting. Chassidiem leven niet alleen de joodse wetten na - dat doen 'gewone' orthodoxe joden ook - ze hebben ook nog honderden kleine wetten 'om de wet te beschermen'. Zo hanteren ze bijvoorbeeld de regel dat je op de sabbat enkel gebedsvoorwerpen mag dragen. Je mag dus geen paraplu dragen, wat toch een probleem is in een land waar het veel regent. Je ziet ze dan ook vaak lopen met een plastic bescherming op het hoofd. Een ander voorbeeld is de joodse wet die stelt dat je geen vlees mag bakken in boter. De chassidiem gaan een stap verder en hebben een wet die ook verbiedt om vlees te bakken in margarine. Dat lijkt namelijk zo sterk op boter dat het risico op vergissingen niet denkbeeldig is. Het is ook bekend dat de chassidiem geen romans of kranten lezen en geen televisie kijken. Ze zijn helemaal gericht op het spirituele. Maar het is niet makkelijk om zo te leven als je in een land als het onze woont. Want zodra ze hun joodse huizen verlaten, worden de chassidiem geconfronteerd met een heel andere wereld. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat redelijk wat chassidiem uit hun milieu stappen.'

In uw boek zegt u dat het chassidisme 'een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan de algemene cultuur'. Wat bedoelt u daarmee?

Abicht: 'Je kan die beweging bij haar ontstaan vergelijken met het begin van de franciscanen in het katholicisme. Franciscus was een dromer, een soort hippie, een fantastisch figuur die alles weggaf en armoede predikte. Ook de eerste chassidiem waren rebellen die zich verzetten tegen de saaie, intellectuele joodse geleerdheid. Zij vonden dat het volk dat door God is uitverkoren juist vreugde moet tonen om dat feit. Het gevolg is dat de chassidiem niet bidden, maar dansen. Soms drinken ze zelfs alcohol en over het algemeen zijn ze onder elkaar heel open. Oorspronkelijk was het chassidisme, dat in 1736 in Polen werd gesticht door de Baäl Sjem Tov, een beweging met mystieke aspiraties. In plaats van geleerdheid, wilden de chassidiem direct contact met God. Ze gingen ervan uit dat je God niet kan kennen, maar dat je wel met al je emoties vreugde kunt uitdrukken. Voorts hebben chassidische joden ook een hele reeks merkwaardige verhalen, die alles bevatten wat een chassidische jood in het leven moet weten.'

Zodra de joden volwaardige staatsburgers waren geworden, namen ze snel belangrijke maatschappelijke posities in, vaak in intellectuele beroepen. Heeft het intellectuele karakter van het jodendom te maken met de manier waarop er wordt geleerd, via commentaren op commentaren?

Abicht: 'Het jodendom is een cultuur van het woord. Wat telt is de Tora, Gods woord, en de Talmoed, een reeks commentaren op de Tora. Daarnaast beschikt het jodendom over commentaren op de commentaren. Dat is een manier van denken die heel typerend is. Je kan het niet vergelijken met wat kranten vandaag soms doen: een reeks mensen opbellen en hun mening over een thema vragen. Dat zijn meningen naast elkaar. In de joodse manier van leren zijn al die commentaren op elkaar betrokken, waardoor je als het ware zelf lust krijgt om daar commentaar op te geven. Je leert als jood van jongsaf dat er over een bepaald verhaal verschillende opinies bestaan en dat je daarmee rekening moet houden. Dat hebben joden altijd gedaan. Zo hebben ze een enorm cultureel kapitaal opgebouwd. Tot de 18de eeuw was hun intellectuele bedrijvigheid noodgedwongen beperkt tot hun eigen gemeenschap. Maar op het moment dat ze burgerrechten kregen, waren ze klaar om volop mee te draaien in het intellectuele leven.'

De deportaties van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in het noorden en het zuiden heel anders verlopen.

Abicht: 'Er was tijdens de Tweede Wereldoorlog een verschil in het soort gezag dat in Nederland en België werd gevestigd. In Nederland had je een burgerlijk SS-gezag, met daarin SS'ers die de joden echt haatten, onder wie de voormalige Oostenrijkse kanselier Arthur Seyss-Inquart. In België daarentegen was de leiding in handen van militairen die zeker niet allemaal tot de SS behoorden. Bovendien had je in Nederland een andere houding tegenover de bezetter: voor calvinisten heeft de overwinnaar écht het wettelijk gezag zodra de oorlog verloren is. Dat hebben wij hier nooit erkend. Wanneer de nazi's in Nederland een lijst van joden vroegen, dan kregen ze die ook. Bovendien stonden ze in Nederland een heel stuk verder in de registratie, 'dankzij' de bevolkingsstatisticus Jacobus Lambertus Lentz. De uitvinder van de eerste ponskaarten heeft met zijn systeem aanzienlijk bijgedragen tot de uitlevering van de Nederlandse joden, niet uit antisemitisme, maar cynisch genoeg uit burgerzin. Ook de goed georganiseerde Joodse Raad in Nederland heeft een rol gespeeld in de uitlevering van de Nederlandse joden aan de nazi's. De Joodse Raad heeft telkens geprobeerd, wellicht te goeder trouw, om het onheil af te wenden door telkens een beetje toe te geven. Dat heeft zolang geduurd tot alle joden uiteindelijk waren gedeporteerd.'

'De situatie in België was anders. Wij hebben een andere houding tegenover gezag. Omdat we eeuwenlang zijn bezet, vinden we gezag hoe dan ook verdacht. Bovendien had je bij ons een goed georganiseerd netwerk van katholieke organisaties én een goed georganiseerd verzet. Die twee groepen hebben tijdens de oorlog samengewerkt. Zo is men er in het zuiden in geslaagd meer dan de helft van de joden te redden. Er waren bij ons geen uitgebreide registers. Bovendien was de doorsnee burger niet bereid op dat punt mee te werken en zijn er weinig ambtenaren geweest die zich in de jodenregistraties overijverig hebben getoond. Zelfs mensen van wie je het niet zou verwachten, vonden dat de deportaties te ver gingen. Ik ken een Antwerpse jodin die twee jaar in een dorp bij Diksmuide heeft gewoond - ze heeft West-Vlaams geleerd en de beginselen van de boerenstiel - en niemand uit dat dorp heeft haar verraden, terwijl ze toch goed wisten dat zij daar niet hoorde.'

U zegt in uw boek dat het in het belang van de meerderheid is om de joden zo breed mogelijk te steunen in het voortzetten van hun traditie.

Abicht: 'Ik geloof in culturen die iets hebben wat wij niet hebben. De joodse cultuur heeft een traditie van drieduizend jaar, met interessante teksten en verhalen. Ik denk dat we alleen maar kunnen winnen door interactie met die cultuur. Liefdadigheid, bijvoorbeeld, betekent voor de joden zowel de plicht om te geven als het recht om te ontvangen. In het katholicisme is dat 'recht' afwezig. 'Caritas' heeft dan ook iets neerbuigends, zoals in het lied van Brel over 'les dames patronesses'. Ook de joodse visie op seksualiteit is intrigerend. Natuurlijk is seksualiteit in het jodendom gericht op procreatie, zoals in veel godsdiensten. Maar welke godsdienst kent, zoals het jodendom, de plicht om een vrouw seksueel te bevredigen? Dat is een boeiende, hedendaagse gedachte, die je in het katholicisme alvast niet terugvindt. Wat mij ook boeit, is de joodse omgang met meningsverschillen. Als er een meningsverschil opduikt, ontstaat er onvermijdelijk een minderheid en een meerderheid. In het jodendom is het dan de gewoonte om te beginnen met een uitvoerige beschrijving van het minderheidsstandpunt, vanuit de overweging: 'we zijn het niet met u eens, maar misschien ziet er wel iets in'. Want als je meteen begint met het meerderheidsstandpunt, dan luistert er niemand nog naar de minderheid. Dat is toch geniaal!'

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud