Marcel Metze / 'Anton Philips (1874-1951) - Ze zullen weten wie ze voor zich hebben'

(tijd) - Niet alles wat Anton Philips (1847-1951) ondernam om zijn lampenfabriek groot te maken, mocht het daglicht zien. Volgens de omvattende biografie van Marcel Metze bediende de Nederlandse tycoon zich zonder scrupules van bedrijfsspionage, stromannen en andere vormen van misleiding om zijn doel te bereiken. Philips vertoonde ook een sterke geldingsdrang: 'Ze zullen weten wie ze voor zich hebben.'

Philips had redenen om omstreeks 1911 zijn toevlucht te zoeken tot bedrijfsspionage. De twee grootsten op de markt, het Amerikaanse General Electric en het Duitse Osram, stonden op het punt een revolutionaire lamp op de markt te brengen met een dunne gloeidraad van 'getrokken wolfram'. De Nederlandse lampenfabrikant, op dat moment een grote derde, vreesde voor zijn voortbestaan als hij niet mee zou zijn met de nieuwste ontwikkeling. Dus voer Anton Philips in allerijl naar de Verenigde Staten om met slinkse manoeuvres het productiegeheim achter de nieuwe gloeilampen te achterhalen.

Marcel Metze opent met een beschrijving van deze spannende gebeurtenissen. Vervolgens keert hij terug naar de negentiende eeuw die in 1879 verlicht werd door de elektrische gloeilamp van Edison. In de welgestelde omgeving van tabakshandelaars en bankiers in Zaltbommel, waar Anton en zijn oudste broer Gerard opgroeiden, was er alle reden tot optimisme. Toch moet het hun bekend geweest zijn dat de massa een armoediger leven leidde, want Karl Marx was hun oudere achterneef. Maar met zijn ingenieursopleiding was Gerard Philips meer geïnteresseerd in de gloeilampenproductie dan in economie en politiek, al vond hij eerst werk in de scheepsbouw. Pas op zijn dertigste ging hij in Londen bij een lampenfabriek aan de slag.

De in 1874 geboren Anton (Tonny) was toen een weinig voorbeeldige scholier. Metze heeft het over 'een lefgozertje met een extravert karakter dat in minder gunstige omstandigheden had kunnen uitgroeien tot een ongeleid projectiel'. Toen grote broer Gerard in 1891 samen met zijn vader 'Philips & Co' oprichtte, was Anton zeventien jaar. Wat later blonk hij uit aan de Openbare Handelsschool in Amsterdam door te spijbelen en uit te gaan. Na zijn mislukte studie legde hij meer ijver aan de dag als stagiair bij een effectenhandelaar en een Londense zakenbank.

Ondanks aanslepende aanloopverliezen kon de gloeilampenfabriek in Eindhoven na drie jaar afsluiten met een operationele winst. Omdat het bedrijf een commerciële medewerker zocht, kwam de 21-jarige Ton in 1895 van Londen naar Eindhoven om te depanneren. De rol van handelsreiziger beviel hem en het artikel was gewild: de verkoop van gloeilampen verdubbelde in Europa van 1895 tot 1900. De Duitse bedrijven voerden wel een dumpingbeleid, maar Philips wist zijn hogere winstmarge te handhaven en overleefde door geleidelijk aan betere kwaliteit te leveren.

Kort na zijn huwelijk, midden 1898, trok Anton Philips op handelsmissie naar Rusland. Zijn fameuze Ruslandreis betekende een doorbraak voor de export en de verdere expansie van het bedrijf. Maar dat Anton op deze 'triomftocht' in enkele weken tijd honderdduizenden lampen zou hebben verkocht, wordt niet door archiefstukken bevestigd. Bij de eeuwwisseling - Anton was in het voorjaar 1899 medefirmant en voor het eerst vader - was Philips & Co net niet uitgegroeid tot het nummer drie van Europa.

De twee broers moesten in de komende decennia een moderne industriële onderneming leiden zoals er op dat moment in Nederland maar weinig waren. Door de oprichting van een internationaal kartel in 1903 en de afgesproken minimumprijzen verliep het eerste decennium van de nieuwe eeuw redelijk rustig. In Eindhoven zelf komt het daarentegen wel geregeld tot conflicten met de conservatieve katholieken, zowel over de aanvaarding in het bedrijf van de confessionele vakbonden naast de al vertegenwoordigde neutrale (socialistische) vakbond, als over de huisvestingsprojecten en scholen. Daarbij toonde Gerard zich doorgaans diplomatischer dan zijn jongere broer. Maar in de bedrijfsvoering was het duidelijk dat Anton Philips stilaan het roer van zijn broer overnam. Zijn sluwe doortastendheid kwam niet alleen tot uiting in het staaltje bedrijfsspionage van 1911, maar later ook bij de voorbereiding van de beursgang, het omzeilen van verkoopsagenten die te veel verdienen en het aanboren van markten die vrijkomen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Voor Anton Philips was zakendoen een 'sport' en in die periode was hij in topvorm. In een sport 'zijn timing en snelheid cruciaal', schrijft Metze. 'Bij voorkeur neemt hij initiatief, gaat hij in de aanval. Als een tegenstander hem onverhoopt toch klem zet, zoekt hij een nog betere positie - en vindt die ook. In het duel beschikt hij over een veelvoud aan wapens. Charmeoffensieven, schijnbewegingen, geheime manoeuvres, het in slaap sussen en overrompelen van de concurrent zijn toegestaan.' Na de Eerste Wereldoorlog bespeurt Metze een cynische ondertoon in Antons stijl, waarbij hij bereid was persoonlijke relaties op het spel te zetten.

Toen oprichter Gerard Philips in 1922 met pensioen ging, waren de beide broers rijke miljonairs. Aan de gloriejaren met enorme winsten zou pas een einde komen na de beurskrach van 1929. Het optimistische vooruitgangsdenken leek daarna stilaan tot het verleden te behoren. Tegelijk is ook de intrigerendste helft van de biografie voorbij.

Vanaf de sombere jaren dertig, waarbij onder de meer dan 40.000 personeelsleden duizenden ontslagen vielen, bleek de energieke captain of industry minder soeverein op te treden. Hij liet veel over aan zijn schoonzoon Frans Otten, die in 1931 de tweede man in het bedrijf was worden. Metze denkt dat Anton Philips 'liever zijn ogen wilde sluiten'. Wellicht maakte hij zich in de daaropvolgende jaren ook zorgen over zijn enige zoon Frits, een gevoelige jongen die lang niet klaar was om het roer over te nemen. 'Zoals van een dominante man te verwachten valt', schrijft Metze, 'had hij er moeite mee dat zijn zoon een stuk minder assertief was dan hijzelf.' Ook Frits' engagement bij de idealistisch-religieuze Oxfordgroep was zijn nuchtere vader een doorn in het oog.

In 1936 liet Anton Philips de leiding van het bedrijf over aan zijn schoonzoon en in 1939 ging hij met pensioen. Eigenlijk duurde het tot na de Tweede Wereldoorlog voor hij zich weer met de koers van het bedrijf inliet. Tijdens de oorlog zelf bestuurde de manisch-depressieve Otten het bedrijf vanuit New York terwijl Frits Philips in Eindhoven bleef als verdienstelijke zaakwaarnemer.

Maar medio '47 begon de oude Philips weer diverse buitenfabrieken te inspecteren en hij strooide in het bedrijf zijn wensen en kritische kanttekeningen rond. Het volgende jaar bemoeide hij zich met de discussie over de televisiestandaard en lobbyde voor betere FM-zenders om een goede zendkwaliteit van televisiesignalen mogelijk te maken. Vijf dagen voor zijn dood op 7 oktober 1951 ging een van zijn laatste dromen in vervulling: de eerste nationale televisie-uitzending in Nederland. Zijn bedrijf telde op dat moment bijna honderdduizend werknemers en het was begonnen 'aan een groeispurt die herinneringen opriep aan de jaren twintig', besluit Metze zijn afgewogen maar levendige biografie.

Het dikke boek is de eerste gedetailleerde en omvattende biografie over Anton Philips. Metze laat zich nooit betrappen op het uitsmeren van anekdotes, alles wat hij aanhaalt is relevant. De journalist die al eerder had gepubliceerd over het bedrijf, kreeg de opdracht voor de biografie van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ze maakt deel uit van een reeks van tien levensbeschrijvingen van belangrijke Nederlandse persoonlijkheden uit de periode 1880-1960. Metze maakte gebruik van honderden ongepubliceerde brieven en documenten uit het bedrijfsarchief en uit het archief van de familie Philips. Het resultaat van drie jaar studie leverde een rijk genuanceerd beeld op van de man die van het lampenfabriekje aan de Eindhovense Vest een technologische wereldspeler maakte die ook de Vlaamse huiskamers veroverde.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud