Richard Hack / 'Puppet Master. The Secret Life of J. Edgar Hoover'

2004, Beverly Hills, New Millennium Press, 455 blz., 27,50 dollar, ISBN 18-932-2487-2

(tijd) In 'Puppet Master. The Secret Life of J. Edgar Hoover' schetst de Amerikaanse onderzoeksjournalist Richard Hack een levensportret van de 'poppenspeler' die bijna vijftig jaar bij het FBI of Federal Bureau of Investigation aan de touwtjes trok. De nieuwe, sterk psychologiserende Hoover-biografie toont ons een controle- en werkzieke topbureaucraat met een bepaald griezelige obsessie voor de geheimen en kleine kantjes van zijn Amerikaanse medeburgers. Zijn privé-leven had, in tegenstelling tot wat de ondertitel van Hacks boek laat uitschijnen, opvallend weinig te verbergen.

'J. Edgar Hoover was de angstigste man die ik ooit ontmoette. De angstigste en de meest beangstigende. Hij durfde niets te doen, zeker niet in het publiek en ook niet privé. Hoover was altijd bang dat wie hij zag, waarheen hij ging en wat hij zei op de een of andere manier zijn imago zouden besmeuren. Nooit deed hij iets dat zijn positie als hoofd van het FBI zou kunnen compromitteren.' Dat zegt de Washingtonse procureur Roy Cohn, die in de jaren vijftig en zestig nauw samenwerkte met Hoover. De man die president Lyndon B. Johnson in 1964 publiekelijk loofde als 'een held voor miljoenen degelijke burgers en een vloek voor booswichten' was in werkelijkheid niet alleen als de dood om in zijn privé-leven een fatale misstap te begaan, hij was, om het cru te stellen, een man zonder privé-leven.

Ongetrouwd (hij woonde in bij zijn moeder tot aan haar dood in 1938), niet in staat tot liefde en nog minder tot seksualiteitsbeleving, een geheelonthouder voor een groot stuk van zijn leven, en zonder enige noemenswaardige zin voor kunst of sport, leek Hoover nog het meeste op een laatgeboren militant van de Griekse stoa, die laat-klassieke filosofische leer met haar categorische afwijzing van alle wereldse geneugten. Het was deze steriele, apathische levenswijze die hem niet alleen toestond zich ten volle op zijn baan als FBI-chef te concentreren, maar die hem meedogenloos maakte in zijn zoektocht naar gangsters en al dan niet vermeende communisten, want ze maakte hem tevens ongevoelig voor die andere hinderlijke menselijke eigenschap: empathie.

Hoewel hij fel protest aantekende tegen de Japanse interneringskampen die president Roosevelt liet oprichten aan de Amerikaanse westkust als respons op de Pearl Harbor-aanval, was Hoover zelden bekommerd om de rechten en verworvenheden van zijn medeburgers, vastberaden als hij was om Amerika te vrijwaren van alle gespuis. Het was dan ook geen toeval dat Hoover net in de heksenjager Joseph McCarthy een politieke bondgenoot vond, al liet hij deze laatste even trouweloos weer vallen toen diens communistenvervolging in publiek diskrediet was gekomen. Hoovers trouw gold enkel zichzelf, en zijn geesteskind, het Federale Bureau voor Onderzoek.

Toen Hoover in 1924 het roer van het FBI overnam, erfde hij een log regeringsinstituut dat kreunde onder nepotisme en politieke betutteling. Binnen een bestek van maanden maakte Hoover niet alleen een einde aan dit jarenlang gedulde klimaat van nepotisme, hij introduceerde bij zijn manschappen tevens een omerta-achtige zwijgplicht, die ervoor zorgde dat het FBI naar buitenuit voor altijd in een sfeer van hermetisme zou baden. Al te nieuwsgierige buitenstaanders die toch trachten de interne keuken van het bureau binnen te dringen, werden door de directeur op intimidaties en dreigementen onthaald.

Toen de schrijver Max Lowenthal in 1950 op het punt stond zijn studie over het Federal Bureau of Investigation te publiceren, trachtte Hoover aanvankelijk om de publicatie van het boek stop te zetten, en hij begon, toen dat bij president Truman geen gehoor vond, prompt een lastercampagne tegen de auteur, waarin hij Lowenthal onder meer afschilderde als een 'communistische sympathisant'. Dito obstructies en intimidaties vielen ten deel aan elke andere journalist of onderzoeker die in de jaren nadien trachtte een tipje van de FBI-sluier of zijn paranoïde directeur op te lichten.

Lang voor Marschall McLuhan orakelde dat 'the medium is the message', en nog langer voor er sprake was van het 'informatietijdperk', begreep Hoover als een van de eersten dat informatie gelijkstond met macht. De FBI-directeur was een infocraat voor die term enige betekenis had. Terwijl zijn oversten in het Witte Huis zich op een kernwapenwedloop met Rusland stortten, zag Hoover vroeg in dat de machtsverhoudingen van de komende eeuw minder ter zwaard zouden worden beslecht, maar wel op basis van wie over de juiste data en gegevens beschikte. Hij sloot pacten met journalisten, zoals de gewillige Walter Winchell, die het FBI en haar leider steevast van een goede pers voorzagen.

Hij onderkende als een van de eersten de macht van Hollywood. Mateloos geïrriteerd door gangsterverheerlijkende films zoals 'Scarface' zette de FBI-directeur de tegenaanval in. Hij nam producent Jack Warner van de Warner Brothers Studios onder de arm en woonde van nabij de opnames voor 'G-men' (1935) bij, een nauwelijks verhulde ode aan het FBI. Het verhaal gaat over een jonge advocaat die zich ontpopt tot een FBI-agent eersteklas. De term 'G-man' (G voor government) werd voortaan een begrip in het Amerikaanse bewustzijn, en Hoover zorgde ervoor dat ook het toekomstige heldenimago van zijn FBI-agenten verzekerd was door de kort erna gelanceerde gelijknamige radioshow en nog later een televisieshow, gebaseerd op Hoovers eigen FBI-boek 'Masters of Deceit'.

Hoovers grootste informatietriomf gold echter niet de media, maar wel het kolossale datasysteem waarmee hij meteen na zijn aanstelling alle informatie en gegevens van bekende en minder bekende gangsters en criminelen begon bij te houden, een vorm van gegevensverwerking die tot dan enkel in gevangenissen gebeurde. Daarnaast introduceerde en professionaliseerde hij het gebruik van vingerafdrukken, wat van het FBI in korte tijd een informatiereus maakte met de allure van de Library of Congress, waar Hoover eerder werkte.

Hoovers informatiehonger hield niet op bij gangsters en criminelen. Vanaf de jaren veertig begonnen er steeds meer geruchten de ronde te doen over Hoovers zogenaamde 'secret files', een gegevensbank waarin hij allerlei pikante gegevens verzamelde van al wie in Washington of in Amerika van enige politieke tel was, presidenten incluis. Deze documenten, alle veelzeggend voorzien van het label 'do not file', werden bijgehouden in het bureau van Hoovers secretaresse Helen Gandy en werden gerangschikt volgens een ingewikkeld, Borgesiaans ordeningsssysteem waarvan enkel de FBI-baas de sleutel kende. Het is erg veelzeggend dat president Nixon meteen na Hoovers overlijden op 2 mei 1972 het bevel gaf om die geheime dossiers te onderscheppen, benauwd als hij was over de compromitterende informatie die ze mogelijkerwijs over hem bevatten. (Dat Nixons geheimen minder dan twee maanden later breed in de media werden uitgespreid met de Watergate-affaire is een ironie die ook Hoover niet zou zijn ontgaan.) Welke informatie Hoovers geheime dossiers juist bevatten, en over wie, blijft voor altijd een geheim. Want terwijl Nixons onderzoeksgezant, de prompt tot tijdelijk FBI-directeur benoemde Patrick Gray, koortsachtig de verschillende bureautjes van het FBI-gebouw platliep op zoek naar een spoor van de beruchte files, was Hoovers secretaresse Helen Gandy druk bezig met de laatste wens van haar baas in te willigen: ze voerde alle 'secret files' aan de papierversnipperaar.

Hoewel de precieze inhoud van de dossiers niet meer gereconstrueerd kan worden, staat het buiten kijf dat ze niet enkel bezwarende informatie bevatten over politieke figuren, maar ook, en misschien wel vooral over het FBI zelf. Het was een publiek geheim dat het FBI zich vanaf de jaren veertig steeds meer bezighield met zogenaamde 'black bag jobs,' volkomen illegale inbraken en afluisterpraktijken. Men legde onder meer een vrijende Martin Luther King op videoband vast, schaduwde first lady Elenora Roosevelt tijdens een diner met de radicale studentenleider Joseph Lash, en onderschepte ook haar vermeende lesbisch-erotische briefcorrespondentie met Associated Press-journaliste Lorena Hickok. Het lijdt geen twijfel dat het Hoovers geheime dossiers waren die hem zo lang in het zadel hielden als hoofd van het FBI. Meer dan eens zat Hoover op de schopstoel, vooral wanneer er weer eens een wissel van de wacht was gebeurd in het Witte Huis. Dan was het telkens angstvallig wachten of de nieuw benoemde procureur-generaal, onder wiens voogdij het FBI resorteerde, nog een beroep wenste te doen op de diensten van de FBI-baas. Ondanks Hoovers notoir slechte relatie met procureur-generaal Robert Kennedy of president Harry Truman, werd Hoovers directeurschap telkens opnieuw verlengd, iets wat met zekerheid kan worden toegeschreven aan de angst die zijn geheime dossiers hun inboezemde.

Maar zelfs zonder de geheime files blijft Hoovers informatiekeizerrijk indrukwekkend met de duizenden lijvig gedocumenteerde profielen die onder zijn directeurschap werden gecreëerd, en waarvan hij er verschillende persoonlijk overzag. Het meest extensieve lemma was ironisch dat van Hoovers journalistieke 'vriend' Walter Winchell, wiens activiteiten hij sinds 1937 door FBI-agenten liet schaduwen, en wiens uiteindelijke profiel niet minder dan 3.908 pagina's besloeg. Andere kloeke lemma's in Hoovers gegevenbestand waren dat van Martin Luther King, door de reactionaire Hoover bestempeld als 'de meest notoire leugenaar in Amerika', en dat van de schrijver Truman Capote, die de toorn van de FBI-directeur over zich heen kreeg na schertsende opmerkingen over Hoovers vermeende homoseksualiteit in de pers. De geruchten over homoseksualiteit bleven Hoover zijn hele leven achtervolgen, al berustten ze, zoals Hack aangeeft, op louter roddels en speculaties. Ze vonden hun oorsprong in Clyde Tolson, Hoovers FBI-rechterhand, met wie hij niet alleen dagelijks lunchte en dineerde, maar met wie hij ook onder meer een hotelsuite deelde tijdens de jaarlijkse vakantie van het tweetal in Miami, of bij hun regelmatige visites aan New York. Capote is overigens niet de enige schrijver wiens literaire verbeelding ooit geprikkeld werd door de relatie van 'Johnny en Clyde', zoals Capote Hoover en zijn onderdirecteur satirisch noemde. Ook de schrijver Don Delillo geeft ons in 'Underworld' (1997) een pittige en uitvoerig beschreven scène waarin Hoover samen met Tolson een gemaskerd bal bezoekt in het Newyorkse Plaza-hotel. Een ander gerucht dat lange tijd de ronde deed over Hoover was dat hij in hetzelfde Plaza-hotel in 1958 een orgie had bijgewoond, gekleed in, zoals getuige Susan Rosenstiel beweerde in een interview met de eerdere Hoover-biograaf Anthony Summers, 'een donzig, zwart rokje, heel donzig, met kanten netkousen en hoge hakken, en een zwarte krullende pruik'. Rosenstiel is echter zoals Hack aangeeft de enige getuige voor deze orgieanekdote, en allesbehalve betrouwbaar gezien haar notoire afkeer voor Hoover.

Niettegenstaande de diverse Hoover-mythes die Hacks biografie ontkracht, zal de figuur van Hoover nog wel een tijdje de Amerikaanse literaire verbeelding blijven tarten en fascineren, zoals vergelijkbare Hoover-verschijningen in de fictie van Thomas Pynchon en James Ellroy aantonen. Deze laatste biedt in zijn 'U.S.A. Underworld'-trilogie een soort van literaire rehabilitatie voor de files die Helen Gandy in 1972 door de papierversnipperaar haalde door die geheime memo's als aparte hoofdstukken in te voegen in hun 'originele' FBI-layout. Voor het fictionele, onwerkelijke bestaan dat Hoovers leven voor een groot stuk was, is een dergelijke nabootsende benadering misschien nog wel de meest gepaste, en alleszins een waardig addendum bij Hacks uitstekende feitenbiografie.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud