interview

De nieuwe Michaël Borremans ‘In mijn oude werk zat te weinig lefgozerij.'

©Nicolas Karakatsanis

‘Ik moet dringend nog eens een stapel werken vernietigen, voor het te laat is.’ Michaël Borremans (53) gaat met zijn schilderkunst een andere richting uit. ‘Ik begon mijn oudere werk wat beu te geraken. Ik voelde dat ik een andere ader moest aanboren.’

23.56 uur, ergens in de Vlaamse Ardennen

‘Ik ben verschrikkelijk onhandig. Maar als ik schilder, komen mijn penselen tot leven. Ze beginnen te dansen in mijn handen. Mijn penselen zijn als personages, met wie ik een tijdlang een relatie heb...’

Michaël Borremans heeft niet aan de paddenstoelen gezeten. Nochtans zijn die in zijn tuin - die grenst aan een groot bos - vast te vinden. Hij is bloedernstig en broodnuchter, op twee glazen van een uitstekende bourgognewijn na.
‘Als de penselen nieuw zijn, zijn ze allemaal identiek. Naarmate ik ze vaker gebruik, krijgen ze een eigen karakter, met unieke eigenschappen. Het ene penseel is stijf, omdat ik het slecht heb uitgewassen; het tweede is versleten en daardoor een tikkeltje weerbarstig. Als ik aan nieuw werk begin, start ik altijd met een setje van drie. Geleidelijk aan groeit de collectie aan, tot ik met twaalf tot vijftien penselen in de weer ben. Verf is vervangbaar, maar mijn penselen neem ik overal waar ik werk mee naartoe. Ik wikkel ze in een doek, als een baby.’

©Nicolas Karakatsanis

Er is al veel gezegd de voorbije uren. De nacht heeft gewonnen van de avond. Borremans zit diep weggezakt in een oude fauteuil, die hij voor het vuur heeft gezet.
‘Weet je, een paar jaar geleden sloot ik me soms dagenlang op in mijn atelier en dan voerde ik gesprekken met mijn penselen. Gelukkig is die tijd voorbij. Het was niet mijn gelukkigste periode...’
Voor ons zit inderdaad een andere Borremans. Geen getormenteerde kunstenaar, maar een genereus en zelfverzekerd man die lekker in zijn vel zit. De Britse krant The Guardian omschreef hem niet zo lang geleden als een van de meest inspirerende levende kunstschilders: ‘Het enige wat nog raadselachtiger is dan zijn schilderijen, is waarom hij niet nog bekender is.’ Zijn werk ‘Girl with Duck’ ging bij Sotheby’s voor 2,7 miljoen euro over de toonbank, wat van hem in één klap de duurste nog levende Belgische schilder maakte. Als er nieuw werk van hem op de markt komt, is het dringen op de wachtlijst.

Borremans heeft niet één, maar drie studio’s. Zijn atelier in de Vlaamse Ardennen, vlak bij de taalgrens, ligt het verst weg van de kunstscene, met haar drukdoenerij en haar genadeloze wetten. ‘Toen ik dit huis ontdekte en de eerste keer rondliep in de tuin, voelde ik me op slag weer een jongetje van tien. Ik wou meteen beginnen te spelen.’
Van spelen komt tegenwoordig weinig in huis. Borremans heeft de voorbije maanden als een bezetene gewerkt. Volgende week opent in zijn Antwerpse galerij Zeno X een tentoonstelling met nieuwe werken. Daarnaast schildert hij verwoed aan een reeks voor zijn andere dealer, David Zwirner. Na New York en Londen opent die in januari ook een galerij in Hongkong. Met een tentoonstelling van Borremans. En in maart is er dan de kunstbiënnale van Sydney, waar Borremans een van de grote namen is. Ook die werken moeten nog voor het jaareinde worden afgewerkt en verscheept.
Zoals hij er nu bij zit, tref je hem dezer dagen dus niet vaak: onderuitgezakt, met een goed glas wijn in de hand, zichtbaar genietend van de warme gloed.

11 uur ’s ochtends, eerder die dag, in Sint-Amandsberg

‘Welkom!’ Borremans laat ons binnen in zijn atelier. Vroeger woonde hij daar. Alleen als je goed kijkt, zie je nog sporen van gewonemensendingen: een keuken met een espressomachine, een televisietoestel, een computer vol verfvlekken. Tegen de muren staan doeken, op de lange tafel liggen penselen en tubes. En een dik boek van Goya. In de kamer hangt de geur van terpentijn.
‘Ik weet het, ik moet opruimen. Mijn werk is mijn leven aan het overnemen.’
Doorgaans praat Borremans niet graag over zijn werk. Hij vindt dat het voor zichzelf moet spreken. Vandaag wil hij een uitzondering maken, op voorwaarde dat we eerst kijken. Hij toont ons de werken die staan uitgestald en jaagt ons vervolgens door alle ruimtes van zijn studio. In zijn tekenkabinet staat een bed opgesteld- ‘voor als ik te moe ben om naar mijn appartement boven te gaan’.

Daarna begeleidt hij ons naar zijn tweede studio, enkele kilometers verderop. Hij draait de sleutel in het slot, duwt de deur open, maar blijft zelf buiten staan: ‘Ik laat jullie even alleen. Ik ga een sigaretje roken.’Hier staat het nieuwe werk van de schilder. Grote doeken waarop kleine kinderen geschilderd zijn. Ze zijn naakt en van kop tot teen besmeurd. Zou het bloed zijn? Dat is toch de suggestie. Het werk doet zowel denken aan lieflijke taferelen van oude meesters als aan bloedbaden. Metrostation Maalbeek meets de cherubijnen. Het voelt als een stomp in je maag.

Fire From The Sun, 2017 ©ZENO X GALLERY / Michaël Borremans

‘Het waren kinderen van vrienden en kennissen die model stonden. Maar peuters vallen niet te regisseren. Ik had een schminkster ingehuurd om ze in te smeren. Maar ze smeerden de verf zelf uit, liepen de hele tijd in en uit beeld...’
Minstens twee doeken zijn nog onafgewerkt. De schilder wijst: ‘Ik heb hier aan de zijkant een kleuter in hurkzit weggeveegd, hoewel die er eigenlijk wel goed opstond. Misschien zet ik hem nog terug. Of niet. En daar ontbreekt ook nog een accent.’
Overmorgen worden de doeken door een gespecialiseerde transportfirma opgehaald, zodat ze volgende week kunnen schitteren bij Zeno X. We vragen of hij niet bang is dat hij ze verprutst, zo kort tegen de deadline. Hij kijkt ons onbegrijpend aan. ‘Daar sta ik nooit bij stil. Als ik een werk nog kan verbeteren, moet ik het doen. De dag dat ik geen risico’s meer durf te nemen, is het gedaan met mij. Dan ga ik niet meer verbeteren. Ze kunnen het doek ook nat vervoeren als het moet. Dat is al gebeurd.’ Wanneer we buitenwandelen, wendt hij zich heel even tot zijn penselen, die werkeloos op een tafel liggen: ‘Lieve schatjes, vandaag laat ik jullie een dagje rusten.’

20.30 uur, ergens in de Vlaamse Ardennen

Wanneer we bij valavond arriveren in zijn statige vierkantshoeve, kruipt Borremans moeiteloos in de rol van galante gastheer. Na een korte wandeling in de uitgestrekte tuin laat hij ons andermaal een werkkamer zien, een Engelse salon uit de 19de eeuw deze keer, waar hij de voorbije drie maanden als een monnik heeft gewerkt aan de kleine voorstudies van zijn nieuwe werk. Enkele daarvan zitten nog in de schuifjes van een oude commode. Ze lijken er thuis te horen.

Daarna pookt hij het vuur op en schenkt hij rode wijn in kleine glaasjes.Le nouveau Borremans est arrivé. ‘De recorder staat toch aan?’

Veel mensen vinden mijn werk goed om andere redenen dan waarom ik het maak. Dat is een probleem voor mij.

Waarom wilt u per se een andere richting uit?
Michaël Borremans: ‘In 2014 was er in Bozar een overzichtstentoonstelling van mijn werk, die daarna doorreisde naar Tel Aviv en Dallas. Die tentoonstelling is louterend geweest voor mij. Ten eerste door de lange voorbereiding. Ik werd gedwongen om zeer kritisch naar mijn eigen werk te kijken. Het meeste vond ik nog steeds erg goed. Maar, hoe moet ik dat zeggen, er schortte iets aan de algemene teneur van mijn oeuvre. Ik begon mijn oude werk een beetje beu te worden.’
‘Paradoxaal genoeg waren het vooral de lovende kritieken die ik kreeg, die mij aan het denken hebben gezet. Veel mensen vinden mijn werk goed om andere redenen dan waarom ik het maak. Ik vind dat een probleem.’

U bedoelt dat uw werk wordt misbegrepen?
Borremans: ‘Ja, maar niet door iedereen. Er zitten veel subtiele referenties in mijn werk. Te veel, en té subtiel, denk ik nu. ‘De sexy intelligente mensen’ - om het met de woorden van Hugo Claus te zeggen - pikken die dubbele bodems wel op. Maar lang niet iedereen. Een werk is maar zo slim als de mens die ernaar kijkt. Velen begrijpen niet wat ik wil zeggen. Ik word altijd maar geprezen omdat mijn werk zo goed geschilderd is. Maar ik maak geen kunst om mijn vakmanschap te etaleren! Wat mij interesseert, is het spel van impliciete referenties en allusies. Wat niet op doek staat, is belangrijker dan wat er wel staat.’
‘Door al die lovende kritieken kreeg ik dus het gevoel dat ik... faalde. En dan zijn er nogal wat schilders die mijn werk imiteren. In China vooral, maar ook dichterbij. Doorgaans vind ik wat zij maken rotslecht. Maar ik voelde me daar medeschuldig aan.’

U wordt te veel als een ‘schoonschilder’ gezien. Is het dat?
Borremans: ‘Ja. Zelfs sommige curatoren zetten mij in een enge hoek waar ik niet in wil zitten: die van de figuratieve schilderkunst. Maar ik vind de hedendaagse figuratieve schilderkunst over het algemeen afschuwelijk! Het is een beetje pijnlijk om daar deel van uit te maken.’
‘Let op, schoonheid op zich vind ik niet problematisch. Ik gebruik schoonheid bewust om mensen naar mijn werk te lokken. Als honing. Je moet de toeschouwers verleiden, zodat ze willen kijken. Maar daarna wil ik dat ze ook iets zien. Eerst verleiden, dan confronteren.’
‘Ik ben pas op mijn 33ste beginnen te schilderen. Voordien tekende ik. Als je naar mijn tekeningen kijkt, zie je de humor en de tongue in cheek direct. Er zit een Chapman Brother in mij, en een Paul McCarthy. Maar in mijn schilderkunst was tot nu geen plaats voor lefgozerij en rock-’n-roll. Sommige aspecten van mijn persoonlijkheid bleven onder de radar.’

Ondanks al onze technologie blijven we zeer primaire, gruwelijke wezens. Als kunstenaar probeer ik een spiegel voor te houden.

En daarom begint u nu aan een nieuw hoofdstuk?
Borremans: ‘Zoiets gebeurt niet van vandaag op morgen. Het is een proces. Twee jaar geleden heb ik een reeks geschilderd die ‘Black Mould’ heette: gemaskerde figuren in zwarte gewaden die macabere dansen uitvoeren. Ik heb die werken getoond bij David Zwirner in Londen en ze werden zeer goed onthaald.’
(denkt na) ‘Kijk, ik ben niet meer de man van twintig jaar geleden. Dat werk van toen kan ik vandaag niet meer maken. Maar ik heb het gevoel dat ik nu een nieuw spoor gevonden heb. Een nieuwe ader om aan te boren.’
‘Natuurlijk ga ik mijn vakmanschap niet overboord gooien. De klassieke schilderkunst is een taal die de mensen nog steeds begrijpen. Ik weiger lineair te denken over kunstgeschiedenis. Van Eyck is voor mij nog altijd even relevant als Franz West of Donald Judd. Voor mij staan die naast elkaar. Het is niet omdat iets van recentere datum is, dat het belangrijker is.’

Wordt schilderen gemakkelijker met het ouder worden?
Borremans: ‘Ja en neen. Het is zeker zo dat ik vandaag beter schilder dan vroeger. Mijn werken mislukken niet meer zo vaak. Vroeger moest ik drie schilderijen maken om er één over te houden. Nu is de verhouding veranderd. Nadat ik er drie heb gemaakt, is het vierde soms wat minder. Ik moet dus veel minder weggooien. Ik ben nog meer bezeten geworden, ik ben veel passioneler met mijn werk bezig dan vroeger. Het is de totale overgave.’
‘De keerzijde is dat er weinig overschiet. Mijn werk neemt me totaal in beslag. Dat is het offer dat ik breng. Begrijp me niet verkeerd: ik klaag niet, ik ben daar blij mee. Het is de enige echte rijkdom die ik heb. Maar misschien gaat je groei als kunstenaar wel ten koste van je groei als mens. Je kunt niet alles hebben in het leven. Een mens moet keuzes maken. Gelukkig heb ik enkele heel goede vrienden en een lief dat ook in de kunstwereld werkt. Zij zal nooit zeuren als ik te veel werk. Integendeel, ze stimuleert me om nog meer te investeren in mijn kunst.’

Schildert u nog altijd in kostuum?
Borremans: ‘Ha, die kostuumstory! Vroeger ging ik nogal dandyesk om met mijn kunstenaarschap. Ik schilderde alleen in kostuum en enkel als ik er zin in had. Als het niet vlotte, verliet ik mijn studio en ging ik iets anders doen. Vandaag werk ik door, ook wanneer het mij minder goed afgaat. En ik draag nog steeds bij voorkeur een kostuum. Al heb ik nu wel een fantasie om eens een vrouwelijk politie-uniform aan te trekken... (grijnst) Ik vraag me af of ik dan vrouwelijker zou schilderen. Mijn manier van werken is vrij mannelijk. Grote krachtige streken, met een zekere snelheid uitgevoerd. Ik ben aan het einde van de dag vaak uitgeput.’

U werkt meer. Betekent dat ook dat uw productie omhooggaat?
Borremans: ‘Ja. Ik produceer twee derde meer dan vroeger. Dat heeft ook te maken met het feit dat ik nu drie werkplekken heb. Als ik vastzit op de ene plek, pak ik mijn penselen in en werk ik elders verder. Dat helpt enorm. In het centrum van Gent bouw ik nog een vierde studio. Een heel grote, waar een vrachtwagen discreet kan binnenrijden. Een van de wanden zal mechanisch verschuifbaar zijn, zodat ie kan bewegen naargelang de lichtinval. Een subliem idee van mijn architect (Klaas Goris, red.). Ik droom ook van een atelier in Los Angeles. Een plek waar ik een drietal maanden per jaar naartoe trek om mijn ‘Amerikaanse werk’ te maken.’

Uw Amerikaanse werk?
Borremans: ‘Ja, dat zit al in mijn hoofd. Ik heb er visioenen over. Maar ik wil er nog niets over zeggen. Ik ben zeer bijgelovig. Een werk moet in een vergevorderd stadium zijn voor ik ermee naar buiten kom.’
‘Ik heb zeer veel ideeën. Ik ontmoet soms schilders die zeggen: ‘Ik schilder graag, maar ik weet nooit wat ik moet schilderen.’ Tja, die mensen hebben echt een probleem. Bij mij staan de ideeën te drummen, als opgewonden mensen bij een hek. Soms kan ik niet werken omdat ik niet weet wat eerst gedaan. Dan dringt zich plots één idee op, waardoor ik het wel moet binnenlaten. Mijn werkmethode is daardoor zeer chaotisch. Ik begin aan dingen die ik vervolgens weer wegleg omdat iets anders om voorrang schreeuwt. Ik heb massa’s onafgewerkt werk.’
‘Ik zal heel oud moeten worden, wil ik al mijn ideeën kunnen verwezenlijken. Honderd jaar zal te weinig zijn. Geef me vijf levens en ik vul ze zinvol in. Er zijn nogal wat schilders die op latere leeftijd hun beste werk afleverden. Ik hoop dat ik tot die categorie mag gaan behoren. Raoul De Keyser is een van mijn favoriete schilders. Hij maakte zijn beste werk op zijn oude dag. Ook Gerhard Richter bleef pieken na zijn veertigste, net als Goya.’

"Phat", 2017 ©ZENO X GALLERY / Michaël Borremans

Waar kwam het idee voor de nieuwe reeks vandaan?
Borremans: ‘Van Goya. Hij is nooit veraf als ik werk, maar deze keer heeft hij me rechtstreeks geïnspireerd. Hij heeft ooit een klein schilderijtje over kannibalisme gemaakt. Het is een meesterwerkje dat ik al lang ken, een wat mij betreft zeer precieze weergave van de menselijke conditie.’
‘Wij zijn allemaal kannibalen. We exploiteren de planeet en elkaar. We misbruiken elkaar om zelf te overleven. Ondanks al onze technologie blijven we zeer primaire, gruwelijke wezens. The world is a scary place. Als kunstenaar probeer ik een spiegel voor te houden.’

Is er een link met de aanslagen?
Borremans: ‘Zo specifiek wil ik niet zijn. De gruwel is van alle tijden. Maar uiteraard leef ik nu, en zit het geweld ook in mij. Het houdt ons allemaal bezig...’
‘Ik streef ernaar zeer universeel werk te maken. Dat lijkt te lukken, want mijn werk is erg populair buiten Europa. In China ben ik zelfs een beetje als The Beatles. Als ik er een presentatie geef, zit de zaal stampvol met kunststudenten. Onlangs zat ik in Londen iets te eten, in de schaduw van St. Pancras. Plots tikte een Chinese vrouw hysterisch tegen het raam. ‘Oh my God. You are Borremans. The greatest painter alive!’ Ik ben met haar een koffie gaan drinken, maar er viel geen gesprek met haar te voeren, want ze kalmeerde maar niet. Een vreemde ervaring.’

Bent u soms nog onzeker? Nu u met iets nieuws komt, bijvoorbeeld.
Borremans: ‘Neen. Ik ben zeer overtuigd van wat ik doe. Dat klinkt arrogant, ik weet het, maar zodra een werk af is, sta ik er vierkant achter. Pas op, ik twijfel zeer veel tijdens het maakproces. Twijfel is een motor. Ik heb al vaak compleet vastgezeten. In 2012 heb ik maar drie schilderijen afgemaakt. Totaal geblokkeerd was ik. Ik ben toen heel hard aan mezelf beginnen te twijfelen. Aan alles eigenlijk.’

Vindt u dat u uw succes verdient?
Borremans: (lacht) ‘Ik ga niet zeggen dat ik mijn succes níét verdiend heb. Maar ik heb ook geluk gehad. Voor hetzelfde geld eindigde ik zoals Henry Darger, die stierf met al zijn meesterwerken onder zijn matras. Ik zou daar vrede mee kunnen nemen, hoor. Tegen jonge kunstenaars die bij mij om advies komen, zeg ik altijd: je moet je bevrediging in je werk zoeken. Al de rest is facultatief. Ik meen dat.’
‘Tussen mijn 22ste en 35ste was ik heel gelukkig. Nochtans stond mijn carrière toen nog nergens. Maar ik voelde dat ik vooruitgang boekte. Ik ben een trage groeier.’
‘Het najagen van een carrière was voor mij nooit een doel op zich, maar een middel om een podium te creëren waarop mijn werk zichtbaar werd voor de wereld. Nu ik dat podium heb, wil ik het gebruiken om nog relevanter werk te maken.’

Verandert het geld op uw bankrekening iets aan uw drive?
Borremans: ‘Niets.Ik heb het nooit voor het geld gedaan. Ik heb mijn leven altijd zo georganiseerd dat ik voldoende geld had om bezig te kunnen zijn met mijn kunst. Dat is de reden waarom ik zo lang in het onderwijs ben gebleven. Ik wilde me over geld geen zorgen hoeven te maken. Vandaag moet ik me nog minder zorgen maken dan toen, waardoor ik nog beter kan focussen. Ik heb geen enkele belegging. Ik gebruik mijn geld om studio’s te bouwen en materiaal te kopen. Een groot deel van wat ik verdien, gaat naar de Belgische staat, grotendeels buitenlands geld dat zo naar onze economie vloeit. Prima toch? Niemand mag kwaad zijn op mij.’

©Nicolas Karakatsanis

Eigenlijk hoeft u zelfs niet meer te werken.
Borremans: ‘Voor het geld niet, nee. Maar voor mezelf wel. Ik zou in een depressie belanden als ik stopte. Ik kan mij zo’n leven niet eens voorstellen.’
‘Ik heb weinig hobby’s. Ik speel wel elke dag een beetje gitaar, om mijn hoofd leeg te maken. Ik word ’s ochtends vaak wakker met een riff in mijn hoofd. Ik speel nu in een groepje samen met Steven Janssens (de gitarist van Daan, red.). Eén keer hebben we opgetreden. (lacht) We hebben nog geen plaat, maar wel al een platenfirma die onze eerste wil uitbrengen.’

‘Zullen we even pauzeren?’ Borremans gooit wat blokken hout op het vuur en schenkt de glazen nog eens vol. ‘Ik ben die wijn speciaal gaan halen bij Jacques en Fiona Thienpont, een wijnhandelaar enkele dorpen verderop. Ik ben op de leeftijd dat ik alleen nog goede wijn wil drinken.’
Hij zet lekkere kazen op tafel. En een boerenbrood, dat hij met woeste bewegingen in grove sneden snijdt.

Zijn uw handen eigenlijk verzekerd?
Borremans: ‘Neen.’

De handen van Gerhard Richter wel, naar het schijnt.
Borremans: ‘Ah ja? En zijn ogen? Ik vind mijn ogen belangrijker dan mijn handen. Als het echt moet, kan ik met mijn kin schilderen.’

Bent u ijdel geworden door al dat succes?
Borremans: ‘Een beetje misschien. Weet je waarom ik steeds meer op groot formaat werk? Omdat mijn ogen verslechteren en ik te ijdel ben om een bril te dragen. Terwijl die heel grote werken commercieel minder interessant zijn dan de kleinere. Je verkleint je afzetmarkt aanzienlijk, want er zijn maar weinig mensen die grote werken kunnen ophangen.’
‘Ik zorg er altijd voor dat ik goed voor de dag kom. Maar dat heeft minder met ijdelheid te maken dan met elementaire beleefdheid. Hoe mensen tegenwoordig over straat durven te lopen, afschuwelijk! Mannen met dikke pensen in strakke jeans en lelijke T-shirts over hun buik. Of in shorts met daaronder behaarde benen. Zelfs op restaurant! Ik verlies er mijn appetijt door. Steeds meer mensen lopen rond in uitvergrote kleuterkleren. Ik erger mij daar mateloos aan. Wat we aantrekken, welke gebouwen we neerpoten, het maakt allemaal deel uit van onze cultuur. Goeie architecten, goeie modeontwerpers en goeie vormgevers zijn ook kunstenaars. Vorm is belangrijk. Als een vorm precies juist zit, zit de functionaliteit ook meestal goed. Ik zie die dingen niet los van elkaar.’

Hebt u al zicht op de marktwaarde van uw nieuwe werk? Staat de wachtlijst vol als vanouds?
Borremans: ‘Ja, er schijnt interesse te zijn, hoewel het nog niet eens op foto staat en niemand al iets heeft gezien. Maar veel meer kan ik daar niet over zeggen. De deal met mijn galeristen is dat ik me niet met hun winkel bemoei en zij niet met wat er in mijn atelier gebeurt.’
‘Ik merk natuurlijk wel dat ik de jongste tijd veel geld begin te verdienen. Dat is nog maar recent, hoor. Zoiets kost tijd. De prijzen van mijn werk zitten nog altijd in een categorie lager dan bijvoorbeeld Luc Tuymans of Marlene Dumas. Maar men verwacht dat die kloof snel gedicht wordt.’

©Nicolas Karakatsanis

Geeft dat stress?
Borremans: ‘Ik kan er redelijk goed mee om. Het werkt zelfs omgekeerd: doordat mijn werk een behoorlijke som kost, wil ik dat het dat bedrag waard is. Het moet goed zijn en altijd maar beter worden.’
‘Er was wel een korte periode dat ik wat naast mijn schoenen liep en bij elke handbeweging dacht: hier zie, nog eens zoveel euro. Dat heeft gelukkig niet lang geduurd. Mijn succes maakt mij niet arrogant. Ik ben alleen arrogant tegen mensen van wie ik vermoed dat ze achter mijn rug zeggen dat ik arrogant ben. Dan krijgen ze tenminste gelijk.’ (grijnst)

Hij schenkt een laatste keer onze glazen vol, zakt diep weg in de fauteuil en vertelt over zijn ‘dans der penselen’. En over de momenten dat hij het gelukkigst is: ‘Wanneer ik voor een werk sta en zie hoe alles samenkomt. Al wat ik geleerd heb tot nu toe. Dan denk ik: het is allemaal niet voor niets geweest. Dat is een moment van euforie dat met niets te vergelijken valt. Een zeer verslavend gevoel. Het zijn de hoogtepunten in mijn leven.’
‘Maar als ik aan iets nieuws begin, moet ik mezelf wel elke keer oppeppen, me in mijn zevenmijlslaarzen hijsen. ‘Ik zal het ze nog eens laten zien!’ Ik pep mezelf op tot ik me een echte macho voel, een superheld. Ik bereid me ook voor als een atleet voor een sportwedstrijd. Ik sluit mij op, drink weinig. Ik heb hyperconcentratie nodig. Want ik moet op het juiste moment dat lobke kunnen slaan.’

En als het mislukt?
Borremans: ‘Vroeger rukte ik mij de haren uit mijn hoofd. Letterlijk. Ik heb veel doeken met brute kracht kapotgeslagen. Ik ging ze soms te lijf met een bijl. Maar dat kolerieke heb ik afgeleerd. Ik ben rustiger geworden, omdat ik nu weet dat het allemaal ergens toe dient.’
‘Maar het blijft natuurlijk een wrang moment als je aan het einde van de dag met een grove borstel je verf openwrijft en je doek overschildert, omdat het niet goed genoeg is.’
‘Ik moet trouwens dringend nog eens wat werk vernietigen. Voor het te laat is. Je weet nooit dat ik op een dag doodval.Ik gooi heel veel weg. Tekeningen verbrand ik gewoon in het haardvuur, en mijn doeken hergebruik ik. Als ik er zelf geen kick van krijg, moet een werk onherroepelijk weg. Daar ben ik heel streng en rechtlijnig in. Anders val je toch door de mand. Goede kunst kun je niet faken.’

De temperatuur is intussen flink gezakt. Er waait een koele bries naar binnen. De nieuwe Borremans trekt uiteindelijk toch zijn oude kostuumvest aan. Ergens vlakbij krast een uil. Die krijgt het laatste woord.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content