interview

‘Ik ben een cultuurflamingant'

©Saskia Vanderstichele

Directeur Dorian van der Brempt neemt eind deze maand afscheid van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren. Gesprek over soepele Nederlanders, de Vlaamse identiteit en het N-VA-complex van de kunstwereld. ‘Vlamingen zijn micro-nationalisten.’

‘Wat het woord pensioen bij mij oproept? Het mooiste geschenk dat mensen elkaar kunnen geven: tijd’, zegt Dorian van der Brempt (66) in zijn ruime kantoor op een zijflank van het Muntplein in Brussel. ‘Maar eigenlijk wilde ik niet stoppen. Alleen: ik moest van de ambtenaren hier in Brussel en in Den Haag. Terwijl ik nog zoveel plannen heb.’ (lachje)

‘Zit ik nu een pleidooi te houden om langer te mogen werken? Weet u waarom dat debat zo geladen is? Ontzettend veel mensen zijn vanaf een bepaalde leeftijd uitgekeken op hun job. De groep graag werkenden zou moeten vergroten. Wel, die mensen vind je met bosjes in de kunstwereld - en zelden doen ze dat voor een riant loon. Een keerzijde is dat er nogal wat krokodillen rondlopen op sleutelposities, mensen die niet wíllen vertrekken.’

Antwerpenaar en cultuurminnaar van der Brempt was tien jaar directeur van deBuren, de ‘culturele ambassade’ die de diplomatieke betrekkingen tussen Vlaanderen en Nederland moet verbeteren. In die periode is de relatie tussen Nederland en Vlaanderen sterk geëvolueerd. Ten goede vanuit Vlaams oogpunt: Vlamingen zetten de toon in de Nederlandse mediasector, in enkele Nederlandse orkesten en zelfs af en toe in het voetbal. Maar het tij zat ook soms tegen. Het gepalaver over de hogesnelheidstrein Fyra en de Hedwigepolder leidde tot hoogspanning. Vlaanderen en Nederland zetten daarenboven flink het mes in de cultuursubsidies.

De elegante voorzichtigheid van Sven Gatz begint op de zenuwen te werken. Ik had meer daadkracht verwacht.

Maar deBuren wist zich behoorlijk te redden. Onder leiding van ‘cultureel diplomaat’ Dorian van der Brempt viel de brede programmering van het cultuurhuis op: debatten over Europa, lezingen over kunst en politiek, concerten, tentoonstellingen. Het cultuurhuis stuurde ook groepjes Vlaamse en Nederlandse auteurs en fotografen naar tientallen Europese steden, wat resulteerde in citybooks. De digitale versies van die luisterboeken - meer dan 150 verhalen - zijn al meer dan 5 miljoen keer gedownload.

Hoe verklaart u de triomfen van onze media-ondernemers, cultuurmanagers en voetballers in Nederland? Hebben we meer branie gekregen?
Dorian Van der Brempt: ‘Nederlanders zijn ongelooflijk zakelijk. Het zijn dominees maar ook handelaars. Jan Raes staat niet aan het hoofd van het Koninklijk Concertgebouworkest omdat hij een leuke Vlaming is, hè. Nee, hij was de beste voor de job! Daar gaan Nederlanders voor. Het zijn kosmopolitische, open geesten. Als morgen een studie in Nederland zegt dat het Engels voor hun economie dé taal van de toekomst is, schakelen ze meteen allemaal over op - slecht - Engels.’

‘Vlamingen zijn veel micro-nationalistischer ingesteld. Als wij in Gent een nieuw gebouw moeten zetten, vragen we liever Robbrecht & Daem dan een architect uit Antwerpen of Brussel. Kompany en Lukaku, dat blijven voor veel Vlamingen ‘zwarten uit Brussel’.’

‘Jozef Deleu (Ons erfdeel-stichter, red.) heeft gelijk: ‘Eigen volk eerst’ is meer dan een slogan van het Vlaams Belang. Er ís een onderstroom van het Vlaams-nationalisme met lelijke revanchistische trekjes. Waarom zijn Vlaamse auteurs van allochtone origine niet talrijker? Ik heb Fikri El Azzouzi enkele dagen mogen meemaken op Theater aan Zee in Oostende. Hij is geweldig, maar het heeft lang geduurd, hè.’

‘Wij hebben als Vlamingen moeten vechten voor onze taal en ook voor onze identiteit tijdens de eerste honderd jaar van België. De reflex is: opgepast, we moeten onze Vlaamse roots beschermen. Ik ben er net van overtuigd dat de kracht van onze cultuur schuilt in de verbanden die we aangaan met de wereld. We moeten de deuren en ramen wagenwijd openzetten. Dat is onze enige redding als klein land in een globale wereld.’

Die opvatting botst met het overal oprukkende nationalisme, waarbij mensen net op zichzelf terugplooien.
Van der Brempt: ‘Inderdaad. Ik zie dat niet graag. Wat ik wel graag zie, is dat het tegenovergestelde gebeurt in de culturele sector. deBuren heeft schrijvers naar heel Europa uitgestuurd. Of neem onze podiumkunstenaars. Als choreograaf Wim Vandekeybus in Barcelona optreedt met een blinde Marokkaanse danser die een lied in het Duits zingt terwijl hij door een stringkwartet uit Londen wordt begeleid, staat de volgende dag in een Catalaanse krant: het gaat goed met de Vlaamse dans. Zo hoort het. Kunstenaars zijn de nieuwe diplomaten. Met enkel ons witloof, onze baggeraars en onze waterzuiveringsstations halen we het niet van de Chinezen en de Afrikanen.’

Hebben onze politici dat ook begrepen?
Van der Brempt: ‘Onvoldoende. Ze hebben de mond vol van creativiteit en onze kenniseconomie in een wereld die almaar globaler en competitiever wordt. Tegelijk koesteren ze hun kunstenaars niet. Ik heb in die elf jaar slechts twee politici betrapt op een spontaan bezoek aan een van onze activiteiten: Frank Vandenbroucke en Geert Bourgeois.’

‘Ik zou graag zeggen dat de socialisten een cultuurpolitiek hebben, maar ze is me ontgaan. Ook CD&V, historisch een cultuurpartij. Waar is haar visie op cultuur vandaag? Daarom vind ik het gevecht van de cultuursector tegen de N-VA zo flauw en modieus. De N-VA is niet dé vijand. Het probleem is de zeer beperkte culturele interesse van het hedendaags politiek personeel van álle partijen. Al snap ik het ergens wel: de N-VA deelt graag speldenprikken uit aan de culturo’s en gedraagt zich liberaler dan de blauwen. Maar wat is het alternatief?’

©Saskia Vanderstichele

Het alternatief heet Sven Gatz. Hoe doet hij het als minister van Cultuur?
Van der Brempt: ‘Zijn elegante voorzichtigheid begint op de zenuwen te werken. Gatz is een fijne, beschaafde man, maar ik had meer daadkracht verwacht. Ik heb voor Bert Anciaux gewerkt toen die minister van Cultuur was. Bert was voor velen een zot. Maar als hij echt iets wilde, begon hij op de ministerraad met zijn voetekes te stampen, en kreeg hij meestal zijn zin. Ik zeg niet dat Gatz ook met zijn voeten moet gaan stampen - hij heeft een andere stijl, gelukkig maar. Maar hij mag wel iets harder op tafel slaan, en vanuit een Vlaamse reflex tegen zijn collega’s zeggen: ‘Investéér in cultuur.’’

U hebt op de kabinetten van twee VU’ers gewerkt. Hoe Vlaamsgezind bent u zelf?
Van der Brempt: ‘Ik ben een cultuurbastaard. Mijn moeder, die 99 is geworden, was tot haar laatste snik praktiserend franskiljon. Mijn vader was een flamingant. Ik zat op het Sint-Lievenscollege in Antwerpen, een flamingantenbolwerk. Op school werd ik als kind franskiljon genoemd en thuis flamingant, omdat ik heel vals de Vlaamse Leeuw zong voor de vriendinnen van mijn moeder. Ik hou van de contradicties en het surrealisme van dit land, maar ben ook wakker genoeg om te zien dat het soms heel vreemd bestuurd wordt. Als we moeten evolueren naar een écht federaal land zonder al die vervelende tussenschotten, waarom niet? Er moet goed bestuurd worden.’

‘Ik ben dus geen belgicist of nationalist, wel een cultuurflamingant. Telkens ik in Théâtre de la Ville in Parijs of op het festival van Avignon al die Fransen zie smullen - ‘Ah, les Flamands! - van een avondje Vlaams theater of dans, voel ik me oprecht trots Vlaming te zijn. Cultuur is de meest globale vorm van zijn.’

Vertrekt u met een goed gevoel bij deBuren?
Van der Brempt: ‘Zeker. We hebben ons eigen spoor kunnen trekken in Brussel. Dat was niet makkelijk in een stad die al veel te bieden had aan een kieskeurig en verwend publiek. Ik wilde van deBuren het paleis van de ‘kleinschaligheid’ maken en dat is gelukt.’

Nederlanders leuteren uitgebreid over alles op radio en tele visie. In ‘De zevende dag’ wordt een debat dat interessant dreigt te worden afgebroken om de kijker niet te vervelen.

‘Ik denk ook dat ik mag zeggen dat we met deBuren de debatcultuur op de kaart hebben gezet in Vlaanderen. Debat is een Nederlandse traditie. Nederlanders leuteren uitgebreid over alles op radio en televisie. In ‘De zevende dag’ wordt een debat dat interessant dreigt te worden afgebroken om de kijker niet te vervelen. Onbegrijpelijk. Vlamingen tetteren liever op café, waar er geen regels zijn. Maar intussen gaat het er al veel heviger aan toe op onze debatavonden.’

‘We hebben ook laten zien dat samenwerken met Nederlanders eigenlijk evident is. Je ziet dat trouwens in de hele cultuursector. Vlamingen en Nederlanders werken uitstekend samen in theaters, musea en galeries. Onze acteurs lezen dezelfde schrijvers, onze galeristen en curatoren houden van dezelfde kunstenaars.’

Ondanks de verschillende volksaard: de assertieve Nederlander en de gesloten Vlaming? Of is dat een achterhaald cliché?
Van der Brempt: ‘Dat Hollandse ‘proud to be loud’, daar is natuurlijk iets van. Nederlanders maken meer lawaai, zijn iets extraverter en veel commerciëler. Toch geloof ik heilig dat de verschillen tussen een Nederlander en een Vlaming kleiner zijn dan tussen een Fransman uit Lille en één uit Marseille. Ik ben een grote believer in de toegevoegde waarde van de Vlaamse en de Nederlandse kwaliteiten. Ik zeg soms: ‘Nederlanders moeten af en toe durven te twijfelen, Vlamingen moeten wat duidelijker zijn.’’

deBuren zwaait Dorian van der Brempt uit op zaterdag 29 augustus tijdens het culturele programma ‘Risicovreugde’.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content