Illusionist of pionier?

Een vuistdik Amerikaans boek zet Sigmund Freud weg als een eersteklas prutser. Het is de zoveelste doodverklaring van de Joodse neuroloog. Toch blijven zijn theorieën levendig om ons heen kringelen. Een analyse.

‘U bent naar hier gekomen om een nieuwe Freud-oorlog te ontketenen? Kom binnen!’ Professor logica en analytische wijsbegeerte Filip Buekens zwaait de deur open en nodigt ons uit om op zijn sofa plaats te nemen.

In de Verenigde Staten verscheen eind augustus ‘The Making of an Illusion’. In die biografie over Sigismund Schlomo Freud (1856-1939) steekt de gereputeerde Berkeley-professor Frederick Crews, een gewaardeerde collega van Buekens, 660 bladzijden lang een vlijmscherp mes in het toch al dode hart van de vader van de psychoanalyse.

Freuds reputatie als wetenschapper heeft de voorbije decennia onherstelbare schade opgelopen. Tal van boeken, onder meer van Crews zelf, toonden overtuigend aan dat Freud zijn verslagen vervalste en de getuigenissen van patiënten verdraaide. Crews brengt in zijn kroonstuk alle bewijzen à charge samen. En die zijn zo overweldigend dat in de kolommen van The New York Times, The Guardian, The Washington Post en The Times Freud-adepten weer volop de degens kruisen met Freud-bashers.

Sigmund Freud (1856-1939) was een neuroloog en de grondlegger van de psychoanalyse. Hij was van Joodse afkomst.

Freud werd geboren in Freiberg, nu Tsjechië. Op zijn vierde verhuisde hij naar Wenen. Na zijn studies geneeskunde trok hij naar Parijs om stage te lopen bij de gerenommeerde neuroloog-psychiater Jean Martin Charcot. Terug in Wenen publiceerde hij met Joseph Breuer ‘Studien zur Hysterie’. Ze schreven een nieuwe behandelwijze voor: ‘the talking cure’, zoals een patiënt ze noemde. In 1896 introduceerde Freud de term psycho analyse. ‘De droomduiding’ noemde hij zijn belangrijkste werk.

In 1938 ontvluchtte Freud Oostenrijk. Toen hij door de Gestapo werd gedwongen zijn woonplaats te verlaten, moest hij een document ondertekenen dat zehem goed behandeld hadden. Hij schreef: ‘Ik kan iedereen deGestapo aanbevelen.’ Een jaarlater stierf hij in ballingschapin Londen.

 

Freud blijft een intrigerend fenomeen. Ondanks het feit dat de empirische basis van zijn werk zo dun is als een sigarenbandje, blijft een legertje slimme mensen hem naar voren schuiven als een van de invloedrijkste denkers van de vorige eeuw, in het rijtje van Karl Marx en Albert Einstein. Ondertussen blijft een ander slim leger hem neersabelen, wat dan weer freudiaanse reacties uitlokt: ‘Wat verdringen die bashers toch?’ Zonder Freud hadden we wel Oedipus maar geen oedipuscomplex. Geen freudiaanse versprekingen. Geen metaforen over ijsbergen. We zouden nooit van verdringing, castratieangst of penisnijd hebben gehoord. En een droom zou gewoon een droom zijn geweest, geen ‘koninklijke weg naar het onderbewuste’.

Terug naar de sofa van Buekens, die logica en taalfilosofie doceert aan de KU Leuven en Tilburg University, en eerder ‘Freuds vergissing’ schreef. Hij is zichtbaar blij met het nieuwe boek van Crews. ‘Hij en andere Freud-geschiedschrijvers tonen bijna forensisch aan dat Freud niet alleen een slechte wetenschapper was, maar dat hij ook weinig mensenkennis had. Zijn patiënte Dora werd flagrant door hem misbegrepen, toen ze hem vertelde dat ze aangerand was door een vriend van haar vader.’

‘De psychoanalyse is niet alleen een pseudowetenschap, het is zelfs erger’, zegt Buekens vernietigend. ‘De theorieën van Freud leiden niet tot begrip, wel tot illusies van begrip. Wij, mensen, hebben een enorme zucht om te begrijpen. Onze hersenen zitten zo in elkaar dat we snel samenhang tussen dingen zien, zelfs al is die er niet. We zien tekeningen in de wolken, in inktvlekken... Freud maakte daar handig misbruik van. Hij vond enkele lege concepten - verdringing, castratieangst, anale fixatie, oedipuscomplex - waarmee je werkelijk alles kan interpreteren. Kijk naar het linkeroor van mijn hond en naar dit potlood in mijn rechterhand? Wat is het verband? Er is er geen. Gooi in de mix de notie ‘infantiele seksualiteit’ en je ziet meteen verbanden. Zo werkt psychoanalyse.’

Wat ik van Freud heb geleerd? Luisteren!
Frank Schelstraete
Headhunter

Buekens hoeft niet te worden aangevuurd. ‘Freud gedroeg zich als een goeroe’, gaat hij voort. ‘Dat vind je ook bij veel van zijn navolgers, zoals Jacques Lacan en Carl Jung. Of zelfs Paul Verhaeghe. Als je stellingen hol zijn, moet je ze verdedigen met power. Je hebt een goeroe-effect nodig om ze verkocht te krijgen. Het verhaaltje van de psychoanalyse houdt enkel stand als je het met aplomb vertelt. Je hebt een autoriteit nodig, die je de illusie van vertrouwen geeft.’

Pang! Het eerste schot is gelost. Bij de vakgroep psychoanalyse aan de Universiteit Gents gaan we kijken of er doden zijn gevallen. Maar professor Paul Verhaeghe blaakt van gezondheid en is in opperbeste stemming. ‘Opmerkelijk toch, dat er honderd jaar na datum nog altijd mensen zijn die er hun levenswerk van maken om Freud onderuit te halen of hem te verdedigen. Ik lees die boeken niet. Tijdverlies. Maar ze bewijzen wel dat de man en zijn theorieën nog altijd animositeit opwekken.’

De discussie of Freud al dan niet wetenschappelijk te werk ging, is volgens Verhaeghe achterhaald. ‘Als je de huidige criteria gebruikt, is Freud niet wetenschappelijk. Punt.’ Net zomin trouwens als de meeste andere methoden die in die tijd in de psychiatrie werden gebruikt: hypnose, elektroshocks, lobotomie...

Frank Schelstraete, headhunter van beroep maar psychoanalist van opleiding, is het daarmee eens. Hij is altijd een grote bewonderaar van Freud gebleven. ‘Natuurlijk staat in die nieuwe biografie dat Freud een fraudeur is. Dat neemt niet weg dat hij ontzettend belangrijk was. En is.’

Seks en cocaïne

Freud werd al bekritiseerd van toen hij nog een jonge arts was. Zijn eerste wetenschappelijke publicatie over hysterie - samen met Joseph Breuer - werd door een deel van het medische establishment weggehoond. ‘Dit klinkt als een wetenschappelijk sprookje’, riep een van de artsen na Freuds uiteenzetting.

Freud poneerde dat de neuroses van zijn patiënten te verklaren waren door verdrongen trauma’s die te maken hadden met seksueel misbruik in hun jeugd. Eerst beweerde hij dat het misbruik echt had plaatsgevonden, later paste hij zijn theorie aan. De trauma’s waren niet echt gebeurd, maar ingebeeld. Elk kind heeft immers de onderdrukte wens om seks te hebben met zijn ouders.

Toen Freud voor het eerst zijn ‘verleidingstheorie’ en zijn daarop voortbordurende stellingen over het oedipuscomplex en de infantiele seksualiteit formuleerde, zette een deel van de goegemeente hem weg als seksuele pervert. Uit die hoek kwam hij maar moeilijk weg. Daar kwam bij dat hij al vroeg in zijn carrière ongelukkige fouten maakte. De peetvader van de praatkuur promootte tijdens zijn loopbaan één geneesmiddel: cocaïne. Hij was jarenlang gebruiker en schreef het zelfs voor aan een vriend die verslaafd was aan morfine, waardoor die aan beide drugs verslaafd raakte en stierf.

Behalve fervente voor- en rabiate tegenstanders waren er altijd ook twijfelaars. Tot die laatste categorie behoorde Albert Einstein. Toen ze hem vroegen Freuds kandidatuur voor een Nobelprijs te steunen, wimpelde hij dat verzoek elegant af: ‘Ondanks al mijn bewondering voor het genie van Freud kan ik mijn steun niet geven. Over het waarheidsgehalte van Freuds leerstellingen kom ik voor mezelf niet tot een conclusie.’

Ook Karl Popper, de belangrijkste wetenschapsfilosoof van de 20ste eeuw, voelde dat aan het freudianisme iets niet klopte. Al duurde het even voor hij er de vinger op kon leggen. Uiteindelijk stelde Popper - Freud was toen al stokoud - zijn falsificatiecriterium voor: een theorie is enkel wetenschappelijk als er observaties in strijd mee kunnen zijn. Wie een theorie formuleert, moet meteen aangeven hoe ze gefalsifieerd of weerlegd kan worden.

‘Psychoanalyse is als een horoscoop. Je kan er alles en niets mee verklaren’, zegt Buekens. Ook de wetenschapsfilosoof Maarten Boudry deelt in zijn boek ‘Illusies voor gevorderden’ de psychoanalyse in bij de pseudowetenschap. ‘We weten intussen dat zijn intellectuele bouwwerk een grandioos luchtkasteel is, een collectief waanbeeld dat onze westerse cultuur meerdere decennia in de ban heeft gehouden. Maar dat maakt hem nog fascinerender. Hoe slaagde hij er toch in zo veel verstandige mensen wijs te maken dat hij in het rijtje van Copernicus en Darwin thuishoorde?’

Geen oogcontact

Freuds impact werd na zijn dood nog groter. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog emigreerden zo’n vijftig freudianen naar de Verenigde Staten, waar ze al snel de psychiatrie overnamen. Ze belandden op de voorzittersstoel van belangrijke universiteiten, dicteerden de medische curricula en schreven de eerste twee edities van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), de bijbel voor psychiatrische aandoeningen.

Ook in de cultuurwetenschappen is Freuds afdruk onuitwisbaar. Freud schreef zelf een psychoanalytisch essay over de kindertijd van Leonardo da Vinci, gebaseerd op zijn schilderijen. Andere psychoanalisten schreven hele bibliotheken vol met interpretaties van cultuurproducten.

Het verhaaltje van de psychoanalyse houdt enkel stand als je het met aplomb vertelt.
Filip Buekens
Taalfilosoof

Maar zijn invloed was het allergrootst op de sofa. In de jaren vijftig en zestig bereikte de psychoanalytische praktijk een hoogtepunt. Het aantal patiënten dat drie tot zes keer per week een psychoanalyticus in de ziel liet peuteren, viel niet bij te houden. De hype werd mee in zwang gehouden door verzekeringsmaatschappijen, die een deel van de kosten terugbetaalden.

Schelstraete was drie jaar in ‘leeranalyse’. Hij was van plan psychoanalist te worden, maar koos aan het einde van die opleiding toch voor een carrière in het bedrijfsleven. ‘Wat ik van Freud heb geleerd? Daar moet ik niet lang over nadenken: luisteren!’

Er waren voor Freud wel al gesprekstherapeuten, maar Freud zorgde voor een doorbraak van het nieuwe medicijn: luisteren. Verhaeghe spreekt van een ‘paradigmashift’. ‘De gangbare opvatting was dat je vooral níét naar je patiënten moest luisteren. De toonaangevende neuroloog Jean-Martin Charcot onderwees zijn studenten zelfs: de beste patiënten zijn diegenen die een andere taal spreken, want die kunnen je niet misleiden of beïnvloeden. Freud ging daar lijnrecht tegenin.’

Freud stelde vast dat de medische aanpak vaak niet werkte. Patiënten kwamen in de psychiatrie terecht, waar ze allerlei therapieën kregen voorgeschreven. Maar ze genazen niet. De eerste conversaties die hij met patiënten voerde, waren aan het hoofdeinde van hun ziekbed. Daar kwam Freud tot het inzicht dat gesprekken vaak beter verlopen als er geen rechtstreeks oogcontact is. En kwam hij op het idee van zijn sofa, waarop hij patiënten liet neerliggen. Verhaeghe: ‘Dat is zo gek nog niet. Vraag maar eens aan ouders van puberkinderen waar ze gesprekken voeren? In de auto! Omdat er geen oogcontact is en ze niet kunnen weglopen. Er zijn collega’s die om dezelfde reden ‘wandeltherapie’ toepassen, en ik hoor dat ze daarmee goede resultaten boeken.’

Op mijn sofa gaat haast niemand meer liggen.
Paul Verhaeghe
Professor klinische psychologie

Verhaeghe heeft in zijn spreekkamer nog altijd een sofa staan, maar er gaat zelden nog iemand op liggen. ‘Alleen als mensen kampen met een problematiek waarin schuld en schaamte centraal staan. In die gevallen bemoeilijkt een confronterende blik het gesprek. Maar ook tijdens een ‘normaal gesprek’ mijden mensen spontaan oogcontact als het over een ‘gevoelig’ onderwerp gaat.’

Freud liet zijn patiënten niet enkel praten, hij ging ook met hen in gesprek. In die zin was hij de geestelijke vader van alle vormen van gesprekstherapie. Verhaeghe: ‘De psychoanalyse zoals Freud ze praktiseerde, bestaat vandaag niet meer. Maar alle therapeuten zijn op een of andere manier schatplichtig aan Freud. Ook zij die zweren bij de cognitieve gedragstherapie. De meeste psychologen gebruiken vandaag in hun praktijk trouwens een blend van therapieën.’

Onder de waterlijn

‘Ken uzelf’, luidt het oud-Griekse aforisme dat aan Socrates wordt toegewezen. Freud nodigde zijn patiënten uit dieper te graven en ontwikkelde daar als eerste een methode voor. Hij liet ze op de sofa vrij associëren over hun dromen, en hechtte veel belang aan lapsussen in de conversatie.

Schelstraete: ‘Als headhunter ben ik ook altijd op zoek naar wat niet wordt gezegd. Wat zit er onder de waterlijn? Een goede leider is iemand die visie heeft en actie onderneemt. Maar ook iemand die zichzelf kent en weet waar zijn blinde vlekken zitten. Ik heb het al meegemaakt in een organisatie dat de CEO constant bewonderd wilde worden en fouten afwentelde op zondebokken. De andere directieleden hadden geleerd ‘rond’ de CEO te managen. Hoe komt dat? Wat speelt er? De motor van elke verandering - in mensen, in organisaties - is dingen van het onbewuste naar het bewuste trekken.’

We moeten niet arrogant zijn. We weten nog veel niet. We hebben meer mensen als Freud nodig, die out of the box durven te denken.
Steven Laureys
Neuroloog

Schelstraete merkt op dat Freud in een tijd leefde waarin het medisch denken overheerste. ‘Net zoals vandaag het geval is. Er zijn geen lastige kinderen meer, alleen kinderen met ADHD, ADD of autisme. Achter elk symptoom wordt een medische oorzaak gezocht. Freud wilde weten waarom mensen ziek werden.’ Hetzelfde punt maakt Verhaeghe in zijn boek ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’. ‘Freud wilde zijn patiënten niet veranderen of ‘normaliseren’. Wat hij wel deed: hen helpen de mentale rommel op te ruimen, zodat ze in staat waren zelf keuzes te maken. Het is een basisethiek waarin ik geloof.’

Meer dan honderd jaar later leven we in een totaal andere wereld met totaal andere stoornissen. Maar nog altijd meet de psychiatrie in haar diagnoses de afstand tussen de patiënt en de norm, vindt Verhaeghe. ‘Iemand met een burn-out wijkt af van de norm van de ‘ideale werknemer’. Een kind met ADHD wijkt af van de norm van het ‘ideale kind’, dat stilzit en luistert. Als je er zo naar kijkt, dan is de behandeling geslaagd zodra het kind stilzit en weer beantwoordt aan de norm. Maar ik vind dat je de effectiviteit van de behandeling niet zo kan meten. Als je een patiënt met een angststoornis vol pillen propt, zullen de symptomen wel verdwijnen. De angstwerende middelen die we nu hebben zijn uiterst efficiënt. Maar ze veranderen niets aan de oorzaken van die angst.’

Freud ging niet alleen in de patiënt naar oorzaken graven, hij keek ook kritisch naar de samenleving. In ‘Das Unbehagen in der Kultur’ vroeg hij zich af welke de ziekten van zijn tijd waren. Iets wat Verhaeghe in zijn boeken ook nadrukkelijk doet. ‘Freud leefde in het victoriaanse tijdperk, het is niet onlogisch dat hij uitkwam bij seksuele onderdrukking. Vandaag is het omgekeerd. Alles wat vroeger verboden was, is nu verplicht. Raakten mensen vroeger mentaal in de knoop omdat ze onvrij waren, vandaag raken ze in de knoop omdat ze te vrij zijn. Er is keuzestress. Alles staat ter discussie. Zelfs de schoolkeuze zet jonge ouders voor onmogelijke dilemma’s. Vroeger ‘koos’ je gewoon de school om de hoek.’

Verhaeghe raakt op dreef: ’Vandaag zie ik mensen worstelen met hun rol als vader, moeder, vriend, partner, werknemer. Zelfs met hun rol als man of vrouw. Mensen kunnen tegenwoordig hun gender ‘kiezen’. Of het ons gelukkiger maakt, is een andere vraag. Er is veel machteloosheid. We zijn zogezegd enorm vrij, maar er zijn veel krachten aan het werk waardoor we steeds minder beslissingsrecht krijgen. ‘Learned helplessness’, heet dat. Bovendien zitten we gevangen in een digitale kooi, die steeds kleiner wordt.’

Het is wellicht de belangrijkste reden waarom Freud weigert te sterven, ook al blijven criticasters messen in zijn hart steken. We meten en controleren tegenwoordig alles, maar ons gevoel van oncontroleerbaarheid neemt toe. Onbewust verlangen we naar het luisterend oor, van iemand die helpt orde in de chaos te scheppen. Zelfs al blijkt die iemand een charlatan en is het maar een schijnorde.

Op papier hebben de freudianen nochtans het pleit verloren. Psychoanalisten hebben Freud grotendeels losgelaten bij het ontwikkelen van hedendaagse modellen. In het psychiatrisch handboek zijn bijna alle freudiaanse verwijzingen zorgvuldig weggeveegd. Verzekeraars willen de dure en tijdrovende therapie al een poos niet meer terugbetalen. Ook omdat uit wetenschappelijke studies niet bleek dat die effectief waren. Buekens: ‘Psychoanalyse werkt, maar enkel zoals een placebo werkt. Omdat de patiënten erin geloven, heeft het een effect. En ja, dat effect kan behoorlijk krachtig zijn, zoals een neppil behoorlijk krachtig kan werken.’

Toch lijkt uit het graf van Freud de jongste tijd weer sigarenrook te kringelen. En lijkt nu vooral Popper zich te moeten verantwoorden. ‘De slinger is aan het terugslaan’, zegt Verhaeghe. ‘In Nederland, dat in de geesteswetenschappen altijd een decennium vooruitloopt op België, zijn ze aan het terugkomen op het ‘evidence based’-gezondheidsmodel. De gezondheidszorg is er door de positief wetenschappelijke benadering duurder geworden en niet beter. Het recentste rapport van de Nederlandse gezondheidsraad zegt: ‘One size fits all werkt niet altijd, we moeten weer meer de context in rekening brengen.’ Ook bij ons gaan in de Hoge Gezondheidsraad stemmen op om de DSM overboord te gooien.’

‘Binnen onze opleiding psychologie voeren we vanaf dit academiejaar opnieuw kwalitatief onderzoek in. Daar ben ik heel blij om. Uit grootschalige replicatieoefeningen is gebleken dat veel onderzoeken in de psychologie niet repliceerbaar zijn. Dat wil niet per se zeggen dat het slecht onderzoek was. Als je twintig mensen met paniekstoornissen onderzoekt, zullen de resultaten anders zijn met twintig andere patiënten. De context is enorm belangrijk. Maar dat wil niet zeggen dat je inzichten uit zo’n studie niets waard zijn. Er zijn de jongste jaren veel grote onderzoeken met grote aantallen proefpersonen gebeurd, die statistisch helemaal verantwoord zijn, maar diepte missen. Ik vind dat een verschraling van het onderzoek. ’

Hard nadenken

Een Freud-oorlog begint en eindigt altijd met een discussie over de stand van de wetenschap. Het lijkt dus fair om een wetenschapper het laatste woord te geven.

Steven Laureys is een Belgische neuroloog met wereldfaam. Enkele maanden geleden kreeg hij de Francqui-prijs voor zijn baanbrekend onderzoek naar coma en bewustzijn. Hij is een moderne Freud, al zou hij dat nooit op zijn naamkaartje zetten. ‘Als ik onder neurowetenschappers de naam Freud laat vallen, volgt een ongemakkelijke stilte. Veel collega’s verafschuwen hem. Ze vinden dat zijn werk een rem is op onze kennis.’

Laureys is genuanceerder. ‘Freud beukte in tegen het establishment. Daar heb ik bewondering voor. Door mijn onderzoek op comapatiënten ben ik ook al vaak in botsing gekomen met dogma’s. Freud wilde de mysteries van het brein ontrafelen, net als ik. Maar hij was een man van zijn tijd, en werkte met de tools van zijn tijd. Er bestonden geen MRI’s of pet-scans. Hij beschikte niet over instrumenten om wetenschappelijke conclusies te kunnen trekken. Dat moet hem gefrustreerd hebben. Zelf raak ik soms ook gefrustreerd omdat ik niet het gereedschap heb om te zien wat in al die miljarden hersencellen gebeurt. ’

‘De voorbije twee decennia is op het vlak van hersenonderzoek veel gebeurd. Freud was fout op zoveel vlakken, weten we nu. Maar hij legde zijn vinger wel op de interessante kwesties. Ruim honderd jaar geleden al. Hij was een pionier omdat hij het onderbewuste als onderzoeksdomein op de kaart zette. Hij heeft alle generaties neurowetenschappers die na hem kwamen, gedwongen hard na te denken.’

Als klassieke wetenschapper staaft Laureys alles graag met metingen. Maar we moeten niet arrogant zijn, zegt hij. ‘Er is nog altijd veel dat we niet kunnen meten. Een van Freuds belangrijke werken was de droomduiding, waarin hij dromen van zichzelf en patiënten analyseerde. Vandaag hebben we machines die onze dromen in beelden proberen om te zetten. Toch weten we nog altijd niet precies hoe ze tot stand komen, of welke functie ze hebben. Ze helpen ons onze dag te verwerken. Maar wellicht hebben ze, zoals Freud vermoedde, ook nog andere fascinerende invloeden.’

Laureys vindt ook Freuds observaties over trauma interessant. ‘Hoe en waar in het brein wordt een trauma opgeslagen? Eric Kandel heeft in 2000 de Nobelprijs gekregen voor zijn werk rond het geheugen, maar er is nog immens veel dat we niet weten. Ik ben pas opnieuw vader geworden. Wat denkt die baby van vier weken oud? In welke mate is hij zich bewust van zijn omgeving?’

Laureys doet op dit moment onder-zoek naar meditatie. Hij duwt al eens een boeddhist onder de scanner om zijn hersenactiviteit te meten. ‘We weten dat mediteren de hersenen diep beïnvloedt, maar we weten niet hoe. Soms hebben we een eeuw nodig om een klinische vaststelling ook wetenschappelijk te bewijzen. In de tussentijd hebben we mensen nodig zoals Freud, die out of the box denken.’

En de schaduwzijde dan? ‘Laat ons die vooral niet onder de mat vegen, want ook daar zijn interessante lessen uit te trekken. Wetenschappers zijn mensen, die mensenwerk doen.’ Waarmee Laureys wil zeggen: ook nu is fraude in de wetenschap een probleem en zijn er onderzoekers die bewust of onbewust resultaten beïnvloeden. Freud is dus lang niet de enige die zijn dromen voor werkelijkheid neemt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect