De verkapte soulplaat van Miles Davis

Miles Davis, jazzlegende met vele gezichten, ging in de jaren 80 op zoek naar muziek met een 'grove rand'. ©BELGA

Het label van jazzlegende Miles Davis moest in 1985 niets weten van ‘Rubberband’, maar brengt het soulalbum nu toch uit. Een verhaal over het geluid van de straat, Prince en de ego’s van muziekproducers.

In de vijf decennia waarin hij actief was, toonde jazzicoon Miles Davis (1926-1991) tal van muzikale gezichten: van bebopper over fusionpionier tot gepolijste popster in de jaren 80. Die laatste periode volgde op vijf stiltejaren, toen Davis zich ziek en gedesillusioneerd terugtrok uit het publieke leven na de lauwe reacties op zijn nieuwe muziek. Het bleek een deugddoende pauze. De trompettist keerde terug langs de grote poort. Met de glanzende funkplaten ‘Tutu’ (1986) en ‘Amandla’ (1989) bereikte Davis eindelijk wat hij altijd had gewild: voor de grote massa spelen, een jong poppubliek.

Eén plaat uit die hyperproductieve periode werd nooit uitgebracht: het soulalbum ‘Rubberband’. Na drie maanden liet Davis het opgenomen materiaal onafgewerkt liggen en begon hij halsoverkop aan ‘Tutu’. De platenfirma Warner haalt de opnames nu uit haar archieven. De oorspronkelijke producers mochten de gaten opvullen.

De film 'Miles Ahead' (2015) speelde zich af in New York in 1979, toen Davis na een vijfjarige rustperiode zijn carrière nieuw leven wilde inblazen. Enkele jaren voor de opnames van 'Rubberband' dus.

Het verhaal van Davis’ soulplaat begint in de zomer van 1985, als hij na dertig jaar breekt met zijn platenfirma Columbia. Bij zijn nieuwe werkgever Warner komt de trompettist onder de hoede van talentscout en sterproducer Tommy LiPuma. Op diens impressionante curriculum staan jazzsuccessen met Al Jarreau, George Benson en Phil Upchurch.

Davis heeft op dat ogenblik geen idee welke muzikale richting hij wil inslaan. Controlefreak LiPuma laat hem zijn ding doen, omdat hij ziet dat zijn nieuwe protégé allerlei topmuzikanten benadert. Bij hen jazzbassist Bill Laswell, Toto-toetsenist Steve Porcaro en Paul Buckmaster, de man van de strijkersarrangementen op de nummers ‘You’re So Vain’ van Carly Simon en ‘Space Oddity’ van David Bowie. Ook de naam Prince valt. Het muzikale genie uit Minneapolis stuurt zelfs een song naar Davis.

Na drie maanden liet Davis het opgenomen materiaal onafgewerkt liggen en begon hij halsoverkop aan een ander album.

Van geen van de samenwerkingen komt iets in huis. Uiteindelijk verbindt Davis zijn lot aan zanger-gitarist Randy Hall. Hij is de man achter ‘The Man with the Horn’, het comebackalbum van Davis uit 1981, dat veel jazzfanaten als heiligschennis beschouwden omdat erop werd gezongen. Hall haalt Attala Zane Giles erbij. Davis legt de jonge producers uit dat hij op zoek is naar ‘het geluid van de straat, muziek met een grove rand’. Het moet een breed scala aan stijlen worden.

De opnames zwenken alle richtingen uit: soul, funk, latin music, Caraïbische ritmes. Davis is in zijn nopjes. Maar als de plaat bijna klaar is, komt ze bij Tommy LiPuma terecht. Die vindt er niets aan. ‘Ik hoorde niets omdat er amper iets gebeurde’, zei de producer.

Mes in de rug

Het rauwe geluid van ‘Rubberband’ stond mijlenver van de gepolijste producties die LiPuma’s handelsmerk waren. De producer werkte het album niet af en dwong Davis tot een samenwerking met twee andere muzikanten. Hun studioarbeid mondde uit in de wat suffe maar erg succesvolle jazzpopplaat ‘Tutu’.

 

De radicale beslissing van LiPuma ‘Rubberband’ te dumpen schokte het producersduo Hall en Giles. ‘Het is in de muziek zoals in de politiek’, zegt Hall. ‘Mensen glimlachen in je gezicht, terwijl ze je een mes in de rug planten.’

De opnames waren geen verloren moeite. Enkele nummers doken later op in Davis’ livesets. Na zijn dood in 1991 werden trompetpartijen gerecycleerd voor de postume cd ‘Doo-Bop’. Twee nummers, ‘Rubberband’ en ‘See I See’, verschenen negen jaar geleden op verzamelaars.

Daarna deden zijn erfgenamen verwoede pogingen de plaatopnames los te krijgen bij het label. Dat lukte pas in 2017, na het overlijden van LiPuma. Datzelfde jaar verscheen meteen een geüpdatete versie van het titelnummer. Nu is er eindelijk het volledige album, met een schilderij van Davis als hoes.

Miles Davis, jazzlegende met vele gezichten, ging in de jaren 80 op zoek naar muziek met een 'grove rand'. ©BELGA

Soulzangeressen Lalah Hathaway en Ledisi nemen de zangpartijen voor hun rekening die voorzien waren voor Chaka Khan en Al Jarreau. Dat werkt uitstekend bij de openingstrack ‘Rubberband of Life’, waarin de trompet van Davis een opwekkende paringsdans aangaat met de soulstem van Ledisi en een lekkere hiphopbeat.

Lalah Hathaway, de dochter van Donny Hathaway, is te horen op het knappe ‘So Emotional’, sensuele neosoul die aan D’Angelo en Erykah Badu doet denken. Maar als geheel overtuigt de soulplaat van Miles Davis niet echt. De oorspronkelijke producers slagen er onvoldoende in het originele materiaal, dat wisselend van kwaliteit is, naar een hoger niveau te tillen. Songs als ‘I Love What We Make Together’ en ‘Paradise’ zijn klef en ronduit vervelend.

Het geluid van de straat? ‘Als ik speel, ben ik nooit klaar’, zei Davis in een interview in 1985. ‘Ik vind het prettig lege plekken te laten die anderen kunnen invullen.’ Maar had hij dit gewild met ‘Rubberband’? Tommy LiPuma had wellicht gelijk: niet slecht is niet goed genoeg voor Miles Davis.

‘Rubberband’ van Miles Davis verschijnt op 6 september bij Rhino/Warner.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect