reportage

Een dag bij de fine fleur van de bloemenkunsten

©Jef Boes

De aanloop naar de Gentse Floraliën kleurt voor elke bloemenkunstenaar anders. Terwijl gevestigde waarde Daniël Ost strest om zijn installatie af te krijgen, steekt revelatie Marc Colle rustig nog een sigaret op.

‘Stop met leuteren, zet die bloemen uit de zon' | Daniël Ost, Bijlokesite

‘Wij kennen Daniël al jaren. Vorig weekend heeft hij ons gebeld. In paniek. Of we alstublieft wilden komen helpen. Dus hier zijn we.’ Conny heeft haar rubberen laarzen meegebracht en enkele vriendinnen van de Belgian Flower Arrangement Society, een vereniging voor amateurfloristen.

De meester is nog niet gearriveerd, al gonst het op de Bijlokesite op dit vroege uur al van de bedrijvigheid. De Floraliën-creatie van Daniël Ost wordt een schelpvormige constructie in bamboe met binnenin een bol met daarin 600 Belgische laurieren. Het werk van 12 ton staat in een vijver waarvan het wateroppervlak volledig bedekt is met eendenkroos, blaadjes van kersenbloesem en hortensia. Maar tien uur voor de deadline is van die bloemenzee nog geen sprake. Alleen de basisvorm is klaar.

Het is telkens weer een uit puttingsslag. Ik heb dit te lang gedaan. Mijn lijf is kapot.

Daniël Ost (60) - tweed jas, geruite pet, ribfluwelen broek - begint bij aankomst meteen te panikeren. ‘Waar zijn de bloemen? Haal ze. Ik wil ze rond mij. Waarom staat er zo weinig water in de vijver?’ De twintig Japanse leerling-bloemisten die beloofd hadden Ost te helpen, vonden het door de terreuraanslagen te gevaarlijk om naar België te komen. ‘Ze laten me zitten. Na de kernramp ben ik nochtans naar het besmette gebied in Fukushima getrokken voor een bloemenode aan de slachtoffers van de ramp. Stank voor dank.’

Ost schopte het vanuit een café in Sint-Niklaas, waar hij is geboren, tot een wereldautoriteit in de bloemenkunst. Als er één Belg kan zeggen dat hij ‘big in Japan’ is, dan hij. Onlangs werd hij nog geridderd in de Orde van de Rijzende Zon, de hoogste Japanse onderscheiding die een buitenlander kan krijgen. In 2013 decoreerde Ost een van de twee grootste shintoheiligdommen, een eer die een buitenlander nooit eerder te beurt viel. En bij de opening van zijn overzichtsexpo in Kurashiki kreeg hij vorig jaar hoogst uitzonderlijk bezoek van de tweede zoon van de keizer, prins Akishino, en zijn dochter, prinses Kako.

Japan houdt van Ost. En Ost houdt van Japan. De keizer van de bloemsierkunst reisde al 172 keer naar het land. Maar afgelopen week was de liefde dus iets minder groot. ‘Ik mis mijn Japanners. Ze werken als samoerai, snel en razend efficiënt.’ Hij zal het moeten stellen met Conny, Wies en Térèse van de bloemenclub. En met zes Russische bloemisten. ‘Hoezo, de Russen hebben geen laarzen bij? Wil iemand snel laarzen voor hen zoeken?’

Hartslag van 140

‘Omdat je met levend materiaal werkt, moet alles op het laatste moment’, legt Ost uit. ‘Het is telkens weer een uitputtingsslag. Ik heb deze week al op de spoedafdeling gezeten, omdat ik geen gevoel meer heb in mijn handen. Ik heb dit te lang gedaan. Mijn lijf is kapot.’

©Jef Boes

Ost gaat altijd weer tot het uiterste voor zijn creaties. Voor de zestigste verjaardag van koning Boudewijn maakte hij een baldakijn van orchideeën, waar hij tijdens de opbouw naast sliep om zeker te zijn dat er niets mis zou gaan. Voor het huwelijk van prinses Maryam in Abu Dhabi werkte hij een week lang dag en nacht samen met 376 bloemisten.

‘Vorig jaar hebben ze me eens vanuit Japan naar huis gevlogen, terwijl ik met een hartslag van 140 op de vloer van de cockpit lag. 19 dagen aan een stuk had ik maar een uur per nacht geslapen.’ Tegen zijn schoonzoon Yann Callaert, die geen seconde van zijn zijde wijkt: ‘Zeg, bel eens naar die tuinbouwschool. Die ging een leraar en wat leerlingen sturen om te komen helpen. Zoals we nu bezig zijn, gaat het niet snel genoeg.’

De Russische bloemisten hebben inmiddels laarzen. Ze staan in de vijver en prikken bloemen op ijzeren staven. ‘Let op, niet op de staaf duwen’, roept Ost. ‘Als jullie een gat in de bodem van mijn vijver prikken, heb ik een groot probleem.’

Ost heeft de Russen zelf opgeleid, net als duizenden andere floristen wereldwijd. Hij heeft een eigen school in Sint-Niklaas. Onlangs opende hij een tweede in Tokio. Er lopen onderhandelingen voor een derde in Abu Dhabi. De toekomst ligt buiten België, zoveel is duidelijk. Tot vandaag heeft de beroemde bloembinder enkel winkels in Sint-Niklaas en Brussel, maar in 2018 opent hij een derde winkel in Las Vegas. En samen met een lokale partner zijn er ook plannen voor twee winkels in Beirut en Qatar.

‘De Michelangelo van de florale kunst’, noemt Michel Vermaerke, de organisator van de Gentse Floraliën, hem. Nochtans liep de weg van Ost niet over rozen. Toen de kleine Daniël aan zijn vader vertelde dat hij iets met bloemen wilde doen, stuurde die hem prompt naar de kadettenschool. Daar zouden ze hem zijn ‘verwijfde trekjes’ wel afleren. Een jaar hield hij het uit. Daarna trok hij in bij zijn grootmoeder en ging hij in de leer bij een Nederlandse bloembinder, die toevallig een winkel opende in Sint-Niklaas. Toen die hem alles had geleerd wat hij wist, trok Ost naar Vught om bloemsierkunst te studeren. Het was een dure opleiding voor een jongen die geen rotte frank had.

Het was uit pure noodzaak dat Ost met wilde bloemen, bladeren, takken, doornen, wortels, zaden en schors werkte. In het holst van de nacht ging hij bloemen stelen in tuinen of in het stadspark. Later maakte hij er zijn signatuur van. Ost innoveerde, wat niet iedereen zinde. ‘Bloemsierkunst zonder bloemen is niets’, kopte een vaktijdschrift nadat hij in 1979 zijn eerste Belgisch kampioenschap had gewonnen.

Hobbyprojectje

‘Het is halfelf, verdorie. Waar blijven die gasten van de tuinbouwschool?’ Ost vraagt voor de tiende keer hen te bellen. Callaert blijft er opvallend kalm onder. ‘Hij is op zijn best als hij zo is. Natuurlijk zou hij het rustiger aan kunnen doen. Maar hij wil niet, kan niet.’

Dochter Nele (30) en Yann Callaert (26) staan nochtans klaar om de fakkel over te nemen. ‘Mijn dochter heeft oog voor detail en gevoel voor kleur. Ze heeft nog niet alle technische kennis, maar ik ga haar alles leren wat ik weet. Daarna moet ze haar eigen signatuur ontwikkelen. Ik wil het graag rustiger aan doen, me meer toeleggen op mijn hobby: tuinen. Dat is mijn medicijn tegen het vergankelijke.’

©Jef Boes

Maar het ‘hobbyprojectje’ van Ost loopt nu al uit de hand. Sinds een tuin voor een Belgische klant door het Duitse Luxus Gärten tot mooiste binnentuin van Europa werd verkozen, loopt de ene na de andere aanvraag binnen. Callaert, die uit de financiële sector komt, richt er een apart tuinbedrijfje voor op. ‘Hij had verder kunnen geraken als iemand vroeger zijn zaken had geregeld. Hij heeft in het verleden te veel gedaan voor het vaderland. Voor het huwelijk van Filip en Mathilde en Laurent en Claire heeft hij niets aangerekend...’

Callaert kijkt naar zijn schoonvader die gesticulerend heen en weer loopt. ‘Hoewel, misschien vergis ik me. Met zijn echtgenote aan zijn zijde heeft hij alles bereikt wat hij wilde bereiken. Hij heeft alle artistieke vrijheid gehad die hij wilde. Hij zou wellicht rijker zijn geweest, maar hij heeft het nooit voor het geld gedaan.’

Hoezo, hij is er niet rijk van geworden? In februari verscheen in de luxebijlage van de Britse zakenkrant Financial Times het artikel ‘Avant-garde floral artists’. Daarin stond te lezen dat Ost voor sommige trouwpartijen meer dan 1 miljoen dollar aanrekent. Een simpel bezoek van iemand van zijn studio kost 1.000 dollar. Voor een ontwerp met een technisch plan kan de factuur oplopen tot 50.000 dollar.

‘Ja, maar daar staan veel projecten tegenover waar we geen euro op verdienen’, countert Callaert. ‘Aan het budget dat we van de Floraliën kregen, kan mijn schoonvader zich onmogelijk houden. We hebben externe sponsors gezocht. En dan nog steken we er geld aan toe.’

‘Waar zijn die studenten van de tuinbouwschool, in hemelsnaam?’ Ost heeft zijn zenuwen niet langer onder controle. ‘In het buitenland rollen ze de rode loper voor me uit, hier moet ik bedelen voor alles.’ Hij mompelt dat het maar goed is dat zijn opvolging verzekerd is, aangezien hij weinig verwacht van de floristen die straks de arbeidsmarkt instromen. ‘Er is te weinig talent, het ontbreekt aan vernieuwing. Zelfs hier op de Floraliën zijn er die met plastic bloemen werken.’ Zijn gezicht verraadt afschuw. ‘Ik geef geen les meer aan Belgen. De nieuwe generatie beloftevolle floristen zit in China en Rusland. En in het Midden-Oosten.’

'Ik heb niet speciaal iets met bloemen' | Marc Colle, Sint-Pietersplein

Op het Sint-Pietersplein is een andere Belg aan de slag. Mark Colle (37) mag de viptent versieren. De voorbije jaren heeft hij in een verschroeiend tempo naam gemaakt. De Britse zakenkrant Financial Times tipte hem in haar luxebijlage als een nieuw toptalent.

In de viptent heerst geen stress, ook al is het enkele uren voor de deadline. Colle is nergens te bespeuren, maar zijn medewerkers werken onverstoord voort. Pas iets na vieren, twee uur later dan afgesproken, komt Colle aanwaaien. Grijnzend, met een sigaret in de mond, kijkt hij rond. ‘Ik wil niet ondankbaar klinken, maar deze tent is -euh- een esthetische uitdaging. Ik denk dat ik straks stalen kabels tussen mijn bloemen ga hangen, om de lelijkheid van de plek te accentueren.’

©Jef Boes

Colle heeft nochtans reden om te stressen. Hij is ook bezig met een installatie op Art Brussels, dat tegelijk met de Floraliën opent. En hij heeft nog een tweede installatie op de bloemen- en plantententoonstelling. Op de Coupure zal hij de gevel van Bank Delen opfleuren met amaryllissen, ranonkels, rozen en anjers. Een gigantische klus waar hij amper aan begonnen is. Het werk ligt buiten het officiële Floraliën-parcours, maar De Lijn heeft een extra busstop ingelegd, zodat bezoekers de site niet zouden missen.

Ondanks het verschil in stijl heeft Colle wel wat gemeen met Ost. Net als de oude meester is hij een selfmade man. ‘Mijn ouders hadden totaal geen groene vingers. Ik ging als kind de planten en bollen van de buren uitgraven om ze in onze tuin te planten. Ik herinner me ook nog dat ik in de kerstperiode elke dag alle bollen uit de kerstboom haalde, om ze er opnieuw in te hangen, op andere plekken. Ik vond dat leuk.’

Een kunstenaar wil Colle zichzelf niet noemen. Een creatieveling wel. ‘Op mijn 15de ben ik van school geschopt. Ik belandde met een leercontract in een bloemenwinkel aan Sint-Jacobs. De baas zei dat ik talent had. Maar op mijn 22ste was ik het kotsbeu. Ik was gefrustreerd en wilde iets anders. Maar ik had geen diploma. Bloembinden was het enige dat ik kon. Ik ben dan maar in een lasagnefabriek gaan werken. Daarna ben ik naar het buitenland gevlucht. Eerst naar Dublin, dan naar Baltimore.’

‘Ik heb niet speciaal iets met bloemen. Of misschien mag ik dat niet zeggen, want ik kwam er wel altijd bij terug. Toen ik weer in België was, begon ik in een bloemenzaak in Antwerpen. Toen de eigenaar ermee ophield, zeiden de klanten: ‘Neem de zaak over, begin zelf iets.’ In drie weken heb ik alles geregeld.’ Baltimore, zo heet zijn winkel. Je eigen baas zijn verandert alles. Sindsdien heb ik nooit meer getwijfeld of het dit is wat ik wil.’

Net als Ost heeft Colle zijn internationale doorbraak te danken aan een derde. Bij Ost hielp Martine De Clerck, de vrouw van Jan De Clerck van de textielgroep Domo, een handje. Ze was een fan van het eerste uur. Bij Colle bracht de modeontwerper Raf Simons internationale faam. Een ‘happy accident’, noemt Colle het. ‘Ik was gewoon de juiste persoon op de juiste plek op het juiste moment.’ Simons woont in Antwerpen en is een klant van Colle. Op een dag vroeg hij of Colle voor zijn modeshow voor Jill Sanders bloemstukken wilde maken. Kort nadien stapte Simons over naar Dior, en vroeg hij vijf Parijse salons met bloemen te bekleden.

Het was niet de eerste keer dat een modeshow werd opgeluisterd met een bloemenmuur. Ost deed zo’n tien jaar geleden hetzelfde voor Dries van Noten. Maar Colles muur was zo overweldigend dat Simons er haast evenveel indruk mee maakte als met zijn eerste couturecollectie voor Dior.

‘Ik heb de impact onderschat. Ik was totaal niet voorbereid’, zegt Colle. ‘Plots stond mijn telefoon roodgloeiend. Alle modejournalisten en -bloggers wilden me spreken. Steeds meer mensen vonden ook de weg naar mijn winkel.’ Intussen heeft hij drie shows voor Dior gedaan, reclamecampagnes voor Dior en Chanel, en een grote installatie op de kunst- en antiekbeurs Brafa. Deze zomer luistert hij twee trouwfeesten op, in New Delhi en Zuid-Frankrijk.

Maar Colle houdt de voeten op de grond. ‘Ik wil niet alleen die high-end dingen doen. Ik zou te snel gedegouteerd geraken’, zegt hij. ‘Het is niet omdat mensen rijk zijn dat ze dankbaarder zijn. Een vet betaalde opdracht geeft niet meer voldoening dan een slecht betaalde. In mijn winkel kan je nog altijd voor 12 euro een bos bloemen kopen. Ik haal nergens mijn neus voor op. Als iemand me belt om een blauwe dolfijn te maken, dan doe ik dat. Het hoeft niet altijd even stijlvol te zijn. Anders wordt het saai. Ik doe dit van mijn 15de, ik wil het boeiend houden.’

De Floraliën lopen tot 1 mei op vier locaties in Gent: de Bijloke, de Leopoldskazerne, het Sint-Pietersplein en het Citadelpark.

www.floralien.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud