reportage

‘Ik overtreed wel eens vaker mijn eigen regels'

©SISKA VANDECASTEELE

In een chaotisch atelier in Ronse geeft de Nederlandse kunstenaar Mark Manders vorm aan een magische wereld. Straks ligt een van zijn vrouwenhoofden in Central Park in New York.

‘Ik ben nochtans supernet opgevoed’, glimlacht Mark Manders (50) als hij onze verbazing ziet. We zijn in zijn immense atelier, een voormalige textielfabriek in Ronse. De kunstenaar begint de rondleiding in wat hij zijn bureau noemt, al lijkt het eerder een oorlogszone waar net een bom is ontploft.

Papieren met tekeningen en berekeningen liggen kriskras door elkaar op tafels, stoelen en kasten. Op de grond ook. Fantastisch mooie, kleine beelden staan waar plaats is, tussen en naast schoenen, jassen, laarzen, werkmateriaal.

‘Dit is mijn allerbelangrijkste ruimte’, zegt Manders onverstoord. Voor hem heerst hier geen chaos en wanorde. ‘Ik maak hier kleine dingen in een soort testfase. Ze zijn vaak een opstapje naar grotere sculpturen. Vaak blijven ze jaren liggen tot ik een extra idee vind waardoor ze een verdere uitwerking verdienen.’ De ideeën stoppen nooit. ‘Soms werk ik aan 25 dingen tegelijk. Of aan vijftig.’

Het doolhof van ruimtes en hallen is reusachtig. En nog is het niet groot genoeg. Even verderop, op het industrieterrein van Ronse, bouwt Manders een nieuw atelier. Hij heeft vooral nood aan een ruimte om zijn monumentale sculpturen te herbergen. ‘Hier moet ik soms deuren uitbreken omdat mijn beelden te groot zijn om ze naar buiten te rollen.’

Angst om zijn kunstenaarsziel te verliezen op een industrieterrein heeft hij niet. De vraag verrast hem zelfs. ‘Mijn kunst zit in mijn hoofd. In Nederland had ik ooit een atelier met een opzegtermijn van twee weken. Mijn materiaal zat in kistjes zodat ik snel kon verhuizen als het nodig was. Dat zag je niet aan mijn werk.’

Onderschatte plek

Mark Manders, opgegroeid in het Noord-Brabantse kerkdorp Volkel, is stiekem uitgegroeid tot een van ’s werelds meest gerespecteerde kunstenaars. Iedereen lijkt van hem te houden. Zijn beelden en installaties dringen door tot de ziel, charmant en ontwapenend. Tegelijk roepen ze mysterie op en laten ze je soms vertwijfeld achter: wat bedoelt hij nu? Vooral omdat Manders een groot plan heeft. Al zijn kunstwerken zijn verbonden, en maken deel uit van zijn ‘zelfportret als gebouw’.

Wat ik zo mooi vind aan Belgen is dat ze verbonden zijn met de plaats waar ze wonen.
Mark Manders
Kunstenaar

Manders mag dan vanuit de luwte in Ronse opereren, de hele kunstwereld kent hem. In 2013 vertegenwoordigde hij Nederland op de 55ste Biënnale van Venetië. Op Documenta in Kassel was hij er al in 2002 bij. En dan is er die ellenlange lijst van tentoonstellingen, in musea en galerieën van New York tot Ierland, Brazilië, Japan, België, Nederland, Duitsland. Op het Rokinplein in Amsterdam staat sinds 2017 een gigantische fontein van hem. In maart volgt het schuinliggende hoofd ‘Tilted Head’ voor Central Park in New York. Als u dit leest, is het beeld net met de boot vertrokken.

De Nederlander verhuisde in 2005 naar Ronse. ‘Een onderschatte plek. Ik vind het hier heel mooi. Deze fabriek was de eerste die ik zag. Ik heb niet getwijfeld. Ik wilde al langer naar België komen. In de jaren negentig had Jan Hoet me al eens een plek voorgesteld. ‘Mark, ik weet een mooie plek waar je kan wonen’, zei hij. Waar was het ook alweer? Ik ben het vergeten. Ik ben wel gaan kijken. Maar het was te vroeg. Ik wist niet hoe dat moest, verhuizen. Het is daarna wel in mijn hoofd blijven zitten.’

Hij wil niet gezegd hebben dat zijn kunst beter gedijt in België. ‘Ik heb de dubbele nationaliteit’, klinkt het droog. ‘Ateliers in België zijn ook goedkoper dan in Nederland. Het leuke aan de verhuizing was wel het gevoel dat ik in het buitenland ging werken. (denkt even na) Wat ik zo mooi vind in België is dat mensen verbonden zijn met de plaats waar ze wonen. Dat miste ik in Nederland. Iedereen groeit daar op in een rijtjeshuis. Het maakt eigenlijk niet uit waar.’

We passeren een smalle gang, opnieuw volgestouwd met sculpturen in diverse stadia van afwerking en werkmateriaal. Af en toe valt ons oog op stukjes kinderspeelgoed. Manders heeft twee zonen, van elf en tweeënhalf.

Manders is vooral bekend van zijn sculpturen, vaak bronzen, brokkelige engelachtige vrouwengezichten met een twist. De hoofden zijn in twee gesneden, of ze worden verbonden met wat plankjes lijken, al zijn ze uitgevoerd in brons. Maar Manders maakt meer dan alleen sculpturen. In de gang stopt hij bij een stapel kranten die hij heeft uitgegeven. Curculio Bassos is de toevallige titel van het exemplaar. Maar het had net zo goed Eucaryote Tarp kunnen zijn. Of Hypocotyl Raki.

Manders begon in 2004 aan het project. Hij gebruikte voor de krantenartikels willekeurige Engelse woorden. De titels en artikels hebben geen enkele betekenis. ‘Boombox Duo Nestler’, lezen we ergens boven een artikel. ‘Het project is afgesloten. Ik heb alle Engelse woorden opgebruikt. Er komen elk jaar nieuwe woorden bij, maar daar beginnen we niet meer aan. Weten jullie wat ik heb geleerd van mijn kranten? Dat we ontzettend weinig woorden gebruiken in het leven.’

Zoals bij veel projecten van Manders heeft de krantenuitgave een utilitair kantje. ‘Ik verwerk ze als papier-maché in mijn beelden en installaties. Echte kranten kan ik daarvoor niet gebruiken. Mijn kunst wil tijdloos zijn. Er zit nooit een verwijzing naar tijd in. Daarom moest ik wel een tijdloze krant uitvinden.’ Op de Biënnale van Venetië van 2013 kenden de kranten weer een ander leven. ‘Ik plakte er de ramen van het Nederlandse paviljoen mee af. Ik wilde niet dat de bezoekers door de vensters naar binnen konden kijken.’

Manders’ kunst bevrucht zichzelf. Een idee leidt naar een tweede. ‘In juni van 2018 bouwde ik voor het Naturhistorisches Museum Basel ‘Room With Three Dead Birds and Fallen Dictionarys’. De installatie bestond uit schilderijen van woordenboeken, gemaakt op collages van mijn kranten. Onder het vloercanvas zaten drie vogels verstopt. Het idee was de bezoeker aan het twijfelen te brengen: wanneer trap ik op een dode vogel? Het idee van die woordenboeken is ontstaan toen ik met kranten aan de slag was. Zo gaat dat met alles wat ik maak. Elk werk draagt sporen van ander.’

Denkfouten

We komen in een grote hal waar uiteenlopende soorten planken gestapeld liggen. ‘Ik verzamel planken om een voorraad te hebben. Als ik vroeger een idee had, reed ik naar de Brico om hout te kopen. Zo was ik al gauw een halve dag kwijt. Dat overkomt me nu niet meer.’

Sinds ik mensen rond mijn werk zag lopen die ik niet kende, zie je me nog zelden op mijn eigen expo’s.
Mark Manders
Kunstenaar

Tegenover de plankenvoorraad staat een rijtje kunstwerken opgesteld. De kleur geel verbindt hen. Nochtans was kleur lang afwezig in Manders’ werk. ‘Ik was ervan overtuigd dat ik alleen de kleur van mijn materiaal mocht gebruiken: hout, beton, zand, klei. Maar stilaan is meer kleur in mijn werk geslopen. Ik overtreed wel eens vaker mijn eigen regels, heb ik gemerkt.’ Hij zwijgt, om dan te zeggen dat hij denkfouten heel belangrijk vindt. ‘Je doorbreekt er de regels mee.’

Er zitten ook denkfouten in de plaatsen waar Manders exposeert. ‘Op de academie, in het begin van de jaren negentig, probeerde ik me vaak voor te stellen wat zou gebeuren als ik mijn kunstwerken in de IKEA of een supermarkt opstelde. Zijn ze tegen zo’n omgeving bestand? Functioneren ze als niemand zegt dat het kunstwerken zijn? Dat zijn interessante vragen.’ Het antwoord is dat ze het denkpatroon van een supermarktbezoeker verstoren, ondervond Manders. De argeloze toeschouwer ziet iets wat hij niet meteen kan thuisbrengen.

Zijn schuinliggende vrouwenhoofd voor Central Park in New York hoort misschien ook in dat rijtje thuis. ‘Het beeld komt haast tegen een hotdogkraam te liggen. Je zal niet weten waarom de mensen komen: voor de hotdog of voor het beeld.’ Manders zegt zonder enig cynisme, om dan te antwoorden op de vraag hoe zo’n beeld ontstaat. ‘Ik denk aan de plek waar het moet komen. Zo begint het. Dan maak ik wat kleinere beelden - heel veel, eigenlijk - tot ik het juiste in mijn hoofd heb. Het zit nu in de bronsgieterij in Oudenaarde. We zullen straks gaan kijken.’

Extra druk omdat het beeld in een iconisch park terechtkomt, ervaart Manders niet. Het gaat hem in de eerste plaats om de productie van kunst. Hoe daarop wordt gereageerd, is van ondergeschikt belang. Daar kwam hij al snel achter.

‘Op de academie dacht ik: ‘Een expo gaat magisch zijn.’ Maar dat was niet zo. Ik herinner me nog mijn eerste tentoonstelling, in het Fodor Museum in Amsterdam. De installatie was erg moeilijk om te maken. Via een deurtje kwam je bij de buren van het museum terecht, een leegstaand pand. Ik vond mijn installatie supermooi. Ik keek uit naar de opening. Maar toen het zover was, voelde ik niets. Dat vond ik jammer. Ik ben nog eens teruggegaan. Toen voelde ik me ongemakkelijk. Er liepen mensen rond die ik niet kende. Een meisje zat zelfs in een stoel van mij. Vond ik heel raar. Sindsdien zie je me nog zelden op mijn expo’s.’

©SISKA VANDECASTEELE

5-obsessie

Manders studeerde aan de Hoge School voor de Kunsten in Arnhem, door hem ‘de academie’ genoemd. ‘Mijn plan was grafische vormgeving te volgen. Kunstwerken dacht ik buiten de school om te maken. Maar na een week stapte ik al over naar de richting beeldende kunst. (denkt na) Ik wist lang niet dat je zomaar kunstenaar kon worden. Ik vond het moeilijk die ambitie uit te spreken. Er zijn zo weinig goede kunstenaars. Ik vond het ook moeilijk om het tegen mijn ouders te zeggen. Ze schrokken heel erg. ‘Oei, jongen toch’, zeiden ze.’

‘Mijn moeder is lang ziek geweest: ze kampte met psychoses. Ze had erge dingen gezien en meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Had een kind verloren ook. Begrijpelijk dus dat ze in de war geraakte. Ik vond het superinteressant bij haar om te zien wat er allemaal met ons denken gebeurt. Dat heeft mij als kunstenaar beïnvloed. In sommige werken zoek ik de grenzen op. De grens van waar krankzinnigheid begint, ik kan dat aan. Het is ook niet echt, natuurlijk. Het is in scène gezet.’

Manders verwijst naar zijn obsessie voor het cijfer vijf, dat hij vanaf 1993 in zijn kunstwerken stopt. Vijf van dit, vijf van dat, vijf van nog wat anders. ‘Sommige mensen hadden daar problemen mee. Die begonnen voortdurend te kijken naar alles wat met vijf te maken had. Die werden daar gek van. Ik heb er nooit problemen mee gehad. Ik kan stoppen wanneer ik wil. En ploep, het is weg.’

©SISKA VANDECASTEELE

In een volgende hal hangen twee A4-kopietjes van een fragment uit het monumentale fresco ‘De koningin van Sheba’ van de Italiaanse renaissancemeester Piero della Francesca. Het werk maakt deel uit van de ‘De legende van het ware kruis’ in de San Francesco-kerk in het Italiaanse Arezzo. Op het A4-tje staan drie vrouwen te praten. Naast de kopieën hangen afbeeldingen van Manders’ vrouwenhoofden. De gelijkenis is verbluffend.

‘Dat schilderij was voor mij de aanzet om fysiek werk te maken. In het begin tekende ik vooral. Het was best gedurfd me met zo’n renaissancemeester te meten. Maar ik voelde me vrij om zijn taal te gebruiken. De kunstgeschiedenis is erg belangrijk voor mij. Het beeld voor New York heeft natuurlijk indirect ook met de Roemeens-Franse beeldhouwer Constantin Brancusi te maken. Hij heeft rond de jaren twintig veel schuine hoofden gemaakt, uitgewerkt tot een perfect eindpunt. Ik dacht dat het onmogelijk was na Brancusi nog datzelfde terrein te betreden. Toch heb ik het gedaan en heb zo toch nog een klein gat in de kunstgeschiedenis kunnen bedekken.’

Hij beschouwt kunstenaars uit het verleden als collega’s. Manders noemt de Grieks-Italiaanse 20ste-eeuwse schilder Giorgio de Chirico. Die maakte veel schilderijen van fabrieken met schoorstenen. Manders doet dat ook, als installatie. ‘De Chirico is zo mooi. In mijn hoofd spreek ik soms tegen hem. Dan zeg ik: ‘Ik ga een beeld maken waar jij jaloers op gaat zijn.’’

‘De schilderkunst is sowieso belangrijk geweest in mijn ontwikkeling. Ik hou ervan in een schilderij de handelingen te zien die tot het resultaat hebben geleid. Bij Picasso heb ik dat heel erg. Je ziet de verschillende stappen. Als je beelden maakt, werk je ook constant in fases. Dat is de parallel. Schilderen is voor mij moeilijk. Beelden maken niet. Omdat het om voorwerpen gaat. En om menselijke handelingen.’

Rechte neus

We blijven staan bij een van de verbrokkelde, gebarsten vrouwenbeelden. Ze lijken van klei, maar dat is zinsbegoocheling. ‘Ik ben al in 1992 - ik zat nog op de academie - begonnen met mijn verbrokkelde beelden. Ik maakte beelden uit klei. Ik vond ze supermooi als ze nog nat waren. Je kon er dan ook nog zaken aan veranderen. Daarna ben ik op zoek gegaan naar een manier om de schoonheid van de natte klei in brons weer te geven, zodat het lijkt dat de beelden net zijn gemaakt en ik ze achteloos heb achtergelaten.’

‘Tijdens het creatieproces van de kleien beelden kwam ik erachter dat de beelden barsten als ze uitgedroogd zijn. Maar je kan ze niet bewaren omdat ze te kwetsbaar zijn. Met een bronsgieter heb ik toen een procedé bedacht waardoor het wel kan. Het is een kwestie van een mal te maken van de kleien beelden waarbij we lijm, vaseline, naalden, touwen enzovoort gebruiken.’

Ik wil echt niet weten hoeveel geld ik in rook laat opgaan als ik een beeld in twee zaag omdat ik er iets anders mee wil doen.
Mark Manders
Kunstenaar

We laten voorzichtig een vinger over een bronzen vrouwenhoofd glijden. De voorzichtigheid blijkt voor niets nodig, het brons is stevig. ‘Sommige barsten zijn echt, andere bedacht. Soms werk ik ze weg, als ze niet op hun plaats zitten. Dat merken jullie straks nog wel.’

Beeldt hij altijd dezelfde vrouw af? Zo lijkt het soms. ‘Ze bestaat niet echt, hoor. In die zin is het geen portret. Het is meer mijn interpretatie van een archetype. Niemand zal zich erin herkennen. Mij doet ze denken aan een Etruskische vrouw. Die rechte neus is dan weer een product van vandaag. Ik herinner me een vrouw die aan een zwembad op haar neus was gevallen. Daardoor had ze, na een operatie een rechte neus gekregen. Dat was ook een inspiratiebron. Voor mij is mijn vrouwenbeeld wel geëvolueerd in de loop der jaren. Maar heel langzaam.’

In dezelfde ruimte hangt een tekening van een vos, een dier dat vaak terugkeert in Manders’ oeuvre. ‘In 1992 had ik het idee opgevat om een kamer te creëren met dieren die elkaar opaten, als verwijzing naar de voedselketen. Maar uiteindelijk bleven alleen de vos en de muis over. In het beeld is de muis met een riem aan de vos gebonden. Die combinatie verwijst weer naar mijn spel met woorden uit het Engelse woordenboek: fox, mouse, belt.’

In de laatste grote hal van zijn atelier staan de monumentale installaties. Sommige staan er al jaren, andere komen terug van een tentoonstelling. De financiële investering moet enorm zijn. Manders houdt niet van praten over geld. ‘Het is al lastig genoeg de beelden en de installaties te creëren.’ Nadenken over de businesskant laat hij over aan zijn galerist, Frank Demaegd van Zeno X. In New York werkt hij samen met Tanya Bonakdar. ‘Ik wil echt niet weten hoeveel geld ik in rook laat opgaan als ik een beeld in twee zaag omdat ik er iets anders mee wil doen.’

Manders maakt van zijn beelden doorgaans een editie van drie plus een artist proof, een exemplaar voor de kunstenaar zelf. ‘Het voordeel van edities is dat je werk op meerdere plaatsen kan worden getoond. Ik vind het superfijn zo veel mogelijk werk van mezelf te kunnen bewaren en verzamelen. Veel kunstenaars kunnen daar niet tegen. Ik wel.’

Bronzen spijker

Tijd om naar Manders’ beeld voor Central Park te gaan kijken, in de bronsgieterij Art Casting in Oudenaarde. De algemeen directeur Geert Norga verwelkomt Manders hartelijk, al maakt de kunstenaar het zijn bronsgieters vaak lastig. ‘Kunstenaars verwachten altijd het onmogelijke. We proberen aan die verwachtingen te voldoen’, zegt Norga droogjes, terwijl hij ons voorgaat naar de fabriekshal waar het gigantische vrouwenhoofd (3,5x3,25x4,3 meter) ligt. Half schuin is het, met barsten en spleten. Toch lijkt ze gelukkig. Tegen de muren staan nog onderdelen die bij het beeld horen: een koffer en een stoel.

Vijf maanden is de gieterij al met het beeld bezig. ‘Honderden manuren kruipen erin’, zegt Norga. Hoeveel dat kost? ‘Dat is bedrijfsgeheim. Het is een ingewikkeld procede om van een wassen beeld een bronzen versie te maken. Het gieten, het monteren, het zandstralen. Als we denken dat we klaar zijn, halen we Mark er weer bij. En dan zijn we weer een tijdje bezig.’

Manders inspecteert het beeld van kop tot teen. Geen detail ontsnapt hem. Op enkele onvoorziene, nog weg te werken barsten kleven stickertjes. Norga en Manders praten over een bronzen spijker die een veiligheidsprobleem kan stellen voor de Amerikaanse veiligheidsdiensten. ‘We moeten hem dieper in het beeld steken’, zegt Norga. Manders knikt. ‘Maar we gaan dat nu nog niet doen. Laten we het risico voorlopig maar nemen.’

Of de spijker nog te zien zal zijn, weten we over enkele weken. Op 6 maart krijgt het beeld zijn plaats naast het hotdogkraam aan de ingang van Central Park bij Freedman Plaza.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content